x

by (1st)
105 Flashcards en notities
2 Studenten

Studeer slimmer met eFaqt samenvattingen

  • Beschikbaar voor computer, tablet, telefoon en op papier
  • Vragen met antwoorden over de leerstof
  • Ongelimiteerde toegang tot 300.000 online samenvattingen
  • Tools voor slim studeren & timers voor betere resultaten

Bekijk deze samenvatting

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - x

  • 1 Introductie

  • Wie is de wetgever in formele zin?
    De wetgever in formele zin is een Nederlands staatsrechtelijk en politiek begrip voor decombinatie van de regering en beide kamers van de Staten-Generaal, die de gezamenlijkebevoegdheid hebben wetten uit te vaardigen
  • Welke zijn de basisprincipes van de idee van de klassiek-liberale rechtsstaat?
    De basisprincipes van het idee van de klassiek-liberale rechtsstaat: het belangrijkste principe is de individuele vrijheid, die door het recht beschermd moet worden.
    Er zijn vier belangrijke uitgangspunten:
    - Legaliteitsbeginsel. Het eerste uitgangspunt van de klassiek-liberale rechtsstaat is het primaat van de individuele vrijheid. Vereist is vastlegging van de beperkingen die aan de burgers opgelegd worden in wetgeving (geschreven recht). Het legaliteitsbeginsel vereist dat machtsuitoefening van de staat op een wettelijke grondslag moet berusten.

    - Machtsverdeling. Een belangrijk uitgangspunt is dat het individu (en ook de overheid) primair gericht is op het eigen belang, en derhalve partijdig is indien deze betrokken is bij de besluitvorming.De uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht moeten gescheiden worden.

    - Grondrechten. De levensbeschouwelijk-neutrale staat betekent dat de overheid zich moet onthouden van identificatie met een bepaald mensbeeld. Grondrechten zijn specifieke vrijheidsgaranties in de Grondwet. Voorbeelden zijn het recht op vrijheid en gelijkheid.

    - Rechterlijke controle. Deze eis dient om toe te zien op de inachtneming van het legaliteitsbeginselen de grondrechten.
  • Waarin onderscheidt de sociale rechtsstaat en democratische rechtsstaat?
    De klassieke- liberale rechtsstaat waarborgt slechts op eenzijdige wijze, de individuele vrijheid. een dergelijke staat beschermt de competitie van gelijkwaardige vrije individuen, maar ziet over het hoofd dat voor velen deze competitie gezien de grote verschillen in uitgangspositie niet vrij is en geen gelijke kansen biedt. Een eerste aanzet om die verschillen op te heffen is het realiseren van politieke gelijkheid middels het algemeen kiesrecht. Maar democratie en rechtsstaat, algemeen kiesrecht en vrijheidsrechten zijn op zich zelf nog onvoldoende om een volwaardig bestaan te hebben. Wat is de reële betekenis van deze fundamentele rechten als niet tevens voldaan is aan zekere minimum voorwaarden ten aanzien van inkomen, wonen, onderwijs en dergelijke? Wat heb je aan de vrijheid van drukpers als je niet over de middelen kunt beschikken om van deze vrijheid gebruik te maken. Derhalve gaat de overheid, met name na de totstandkoming van de parlementaire democratie waardoor de eisen van de sociaal zwakkere duidelijker gehoord en verwoord kunnen worden, in toenemende mate in de sociaal – economische sfeer interveniëren met beschermende, stimulerende en herverdelende maatregelen. Daarmee word ook beoogd reële gelijkheid van kansen te creëren en materiële condities te scheppen om een ieder de mogelijkheid te bieden daadwerkelijk van zijn politieke en vrijheidsrechten gebruik te kunnen maken. Deze staat heeft dus niet alleen de vrijheid en rechten van de burger in acht te nemen en te beschermen tegen inbreuken van derden, maar dient ook actief de omstandigheden te scheppen die het de burger mogelijk maakt aan zijn leven gestalte te geven. Hij kan er, anders dan de klassieke rechtstaat, niet mee volstaan enkel de “vrijheid van” (dwang), juridisch geformuleerde klassieke grondrechten, te waarborgen. Hij zal ook de “vrijheid tot” moeten garanderen door de condities te scheppen waaronder de burger daadwerkelijk in vrijheid kan leven. De taak heeft gestalte gekregen in de zogenaamde sociale grondrechten.
  • 4. Wat wordt in de klassieke -liberale opvatting bedoeld met het begrip “wet”
    In de klassiek-liberale opvatting heeft het begrip ‘wet’ betrekking op de oorsprong van regels in een wetgevend orgaan, maar ook op de inhoud van die regels (kwaliteitseisen).
  • Wat is een constitutie, grondwet, rigide grondwet en flexibele grondwet?
    Een constitutie is het geheel van regels dat de grondslagen van het staatsbestel bevat. Een grondwet is een wet met hoger rechtskarakter, waarin deze rechtsregels in hoofdzaak zijn vervat. Een rigide grondwet is een grondwet die pas wordt gewijzigd bij een ruime meerderheid. Een flexibele grondwet kent geen verzwaarde wijzigingsprocedure.
  • Wie bezitten overheidsbevoegdheden?
    Overheidsbevoegdheden worden bezit door ambten (organen) > de Staat, decentrale gemeenschapsverbanden en de openbare lichamen voor beroep en bedrijf.
  • Hoe kunt u het beginsel van de machtenscheiding in verband brengen met de positie van de rechterlijke macht?

    In de machtenscheiding staat centraal dat er een controlerende functie moet zijn door de verschillende machten naar elkaar toe (checks and balances). Zo is de positie van de rechterlijke macht ook geplaatst, als het gaat om overheidsoptreden m.b.t. tot het privaatrechtelijke.


    De rechterlijke macht is een orgaancomplex, nader omschreven in de Wet op de Rechterlijke Organisatie. Het bestaat in hoofdzaak uit Hoge Raad, gerechtshoven, arr. rechtbanken en kantongerechten. De Grondwet laat in art. 112 Gw de mogelijkheid open, dat ook andere (administratieve) gerechten worden ondergebracht in het orgaancomplex rechterlijke macht. Verschillende administratieve rechters zijn nu geïntegreerd in de rechterlijke macht. De rechterlijke macht is niet uitsluitend belast met geschillenbeslissing en strafoplegging; bij wege van zogenaamde voluntaire jurisdictie worden door de rechterlijke macht ook bestuurlijke besluiten genomen. De rechterlijke macht is onafhankelijk: de regering is niet bevoegd tot het geven van aanwijzingen aan rechters over hun taakvervulling etc. Die onafhankelijkheid neemt niet weg, dat de leden worden benoemd door de regering (art. 117 lid l Gw) al heeft de rechterlijke macht zelf weer beduidende invloed op deze benoemingen (Wet RO). De rechter is gebonden aan zowel de formele als lagere wetgever, in die zin dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken. Niettemin oefent de rechter controle uit op wetgevers doordat hij toetst of lagere wetgeving in overeenstemming is met hogere wetgeving. Hij oefent voorts een controlerende taak uit t.o.v. de regering en andere bestuurlijke overheidsorganen doordat hij toetst of hun besluiten in overeenstemming zijn met het legaliteitsvereiste.

  • Wie hebben er in Nederland actief kiesrecht?
    In Nederland hebben mensen actief kiesrecht als ze achttien jaar of ouder zijn en ze niet tot de uitzonderingen behoren.
  • Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging
     een politieke partij krijgt een aantal zetels naar verhouding van de op haar uitgebrachte zetels. Hierbij gaat het om een toedeling van zetels aan politieke partijen, die evenredig is aan het aantal op die partijen uitgebrachte stemmen.
  • Het meerderheidsstelsel
    een kandidaat wordt gekozen als hij meer dan 50% van het aantal uitgebrachte stemmen heeft behaald (absoluut). Het is relatief als er per district meer dan 50% van het aantal stemmen is behaald en diegene in de meeste districten heeft gewonnen. (VS)

  • Het districtenstelsel
    als één of meer afgevaardigden in een kiesdistrict worden gekozen. Door evenredige vertegenwoordiging te combineren met het districtenstelsel is het mogelijk om de versplintering tegen te gaan.
  • Kiesdrempel
    partijen die minder dan een bepaald percentage van de stemmen (de kiesdrempel) halen, krijgen geen enkele zetel in het verkozen orgaan
  • De kiesdeler
     in een kiessysteem van evenredige vertegenwoordiging het aantal benodigde stemmen per te behalen zetel.
  • Het lijstenstelsel
    Een politieke partij heeft een lijst met bepaalde personen. Hierbij begint men op nr.1, heeft deze genoeg stemmen om een zetel te bemachtigen gaan ze naar nr.2 enz. (met uitzondering van voorkeursstemmen)
  • Het personenstelsel
     De kiezer bepaalt de overdracht van de stemmen door de kandidaten te nummeren in de volgorde van zijn keuze.
  • Wat zijn enkele voor- en nadelen van de verschillende kiesstelsels?

    Meerderheidsstelsel


    Bij meerderheidsstelsel gaan de stemmen die op de verliezers zijn uitgebracht verloren en krijgt men daardoor een gebrekkige afspiegeling van de kiezers. In Engeland heeft de winnende partij vaak een grote zetelmeerderheid in het lagerhuis, terwijl ze bij de verkiezingen minder dan 50% van de uitgebrachte stemmen


    behaalde. Het is zelfs voorgekomen dat de winnaar minder stemmen kreeg dan nummer twee. In zo’n geval heeft de winnende partij in veel kiesdistricten zetels met een kleine voorsprong op de naaste concurrenten binnengehaald., die in minder districten maar met een grote overmacht aan stemmen gewonnen hebben

    Een dergelijk relatief meerderheidsstelsel bevordert het ontstaan van een tweepartijen stelsel. Middel grote partijen verwerven in zo’n stelsel namelijk een gering aantal zetels. Een voordeel van dit kiesstelsel is dat de regeringsvorming na de verkiezingen meestal weinig problemen oplevert, omdat er in de regel een duidelijke winnaar is en moeizame coalitieonderhandelingen achterwege kunnen blijven.


    Absoluut meerderheidsstelsel


    Hier ontbreekt eveneens vaak een duidelijke relatie tussen de verworven zetels en de verkregen stemmen, maar hier houden kleinere partijen wat meer betekenis omdat bij de herstemmingen hun stem nodig is om de absolute meerderheid voor een bepaalde kandidaat te krijgen. Zo vindt daar reeds tijdens de verkiezingen overleg tot samenwerking tussen bepaalde partijen. Een probleem bij alle meerderheidsstelsels is overigens de noodzaak om de grenzen van kiesdistricten regelmatig bij te stellen, wat gemakkelijk tot politieke manipulaties leidt. Een positief punt bij meerderheidsstelsels is echter weer dat er een duidelijke band bestaat tussen de in een bepaalde district gekozen afgevaardigde en de kiezers. Vaak vervult een afgevaardigde een soort ombudsmanfunctie, en dat niet alleen voor de leden van zijn partij.


    Evenredige vertegenwoordiging


    De voor- en nadelen van evenredige vertegenwoordiging vormen een spiegelbeeld van de beschreven gevolgen van meerderheidsstelsel. Hier gaan geen stemmen verloren en vindt men getrouwe weergave van de aanhang van de verschillende partijen. Zuiverheid is het belangrijkste voordeel van dit systeem, dat echter het nadeel heeft tot versplintering te leiden. Aan de opkomst en afsplitsing van kleine partijen staat weinig in de weg, wat enerzijds democratisch is maar regeringsvormen bemoeilijkt. Bovendien is het onaantrekkelijk voor een partij om zich reeds bij de verkiezingen voor samenwerking met een andere partij uit te spreken, want daardoor verliest men gemakkelijk stemmen. Zodoende trekken de meeste partijen gescheiden op en moet na de verkiezingsuitslag via overleg geprobeerd worden een regeringscoalitie te vormen, waarbij de kiezers eigenlijk buitenspel staan. Een andere bezwaar van evenredige vertegenwoordiging in de zuivere vorm is de zwakke relatie tussen kiezers en afgevaardigden, omdat deze laatsten niet door een bepaald district gekozen worden. Betrekkelijk kleine verschuivingen kunnen bij een meerderheidsstelsel tot een grote verandering in de verkiezingsuitslagen leiden. Een stelsel van evenredige vertegenwoordiging is veel stabieler. Dat heeft politiek gezien voor- en nadelen, want op deze wijze zetten veranderingen in de opvattingen zich slechts langzaam in de parlementaire samenstelling door. De nadelen van evenredige vertegenwoordiging zijn enigszins te corrigeren, bijv door de kiesdrempe
  • Welke eisen stelt de democratieprincipe?
    Het democratieprincipe stelt de volgende eisen:
    - Iedereen gelijkelijk het recht heeft via vrije en geheime verkiezingen invloed uit te oefenen op de samenstelling van vertegenwoordigende colleges die bij de besluitvorming zijn betrokken (actief kiesrecht)
    - Iedereen heeft het recht te worden verkozen in diezelfde vertegenwoordigende colleges (passief kiesrecht)
    - Het recht om naar politieke machtswerving te streven.
    - Politieke grondrechten, met namen uitingsvrijheid en vrijheid van vereniging. - Vertegenwoordigende colleges hebben invloed op de besluitvorming door middel van (mede)beslissingsrecht vooraf en/door de bevoegdheid tot controleren achteraf.
    - Er is openbaarheid van besluitvorming en besluiten.
    - In (politieke) besluitvorming wordt de meerderheid gehanteerd.
    - Rechten van minderheden worden gerespecteerd.

  • Wie hebben er in Nederland passief kiesrecht?
    In Nederland heeft iedereen die Nederlander is en achttien jaar of ouder passief kiesrecht, behalve als je bent uitgesloten van kiesrecht.
  • Verschil constitutie en grondwet
    a) Constitutie is het geheel van constitutionele regels (dat grondslagen van het
    Staatsbestel) bevat. Elke staat heeft een constitutie. Alle staatsrechtelijke regels van een bepaalde staat. Alle regels die de staat samenstellen die een staat nodig hebben
    Grondwet is een wet met hoger rechtskarakter (wet, die belangrijker is dan andere wetten, de belangrijkste wetten, in de constitutie vind je de andere regels/wetten), waarin het geheel van regels dat grondslagen van het staatsbestel n hoofdzaak zijn vervat. Niet elke staat heeft een grondwet.
    Grondwet is belangrijkste deel van constitutie. De belangrijkste constituele regels vind je in de grondwet. De meest belangrijke regels van de constitutie. Om een staat te kunnen zijn, heb je een grondwet nodig.
    VB art. 4 Gw is kiesrecht. Voor de regels hiervan moet je naar de kieswet, daar
    staan namelijk de regels van het kiesrecht.
    Landen met geen grondwetten: Zweden, Israël, Nieuw-Zeeland. Wel altijd een constitutie, maar niet altijd een grondwet.
  • Kiesstelsel en meerderheidsstelsel
    a) Bij kiesstelsel gebaseerd op evenredige verantwoording wordt het totale aantal uitgebrachte stemmen gedeeld door het aantal zetels. Dit hebben we in Nederland. De uitkomst hiervan heet kiesdeler. Het aantal zetels dat een partij behaalt, wordt berekend door het aantal stemmen op die partij te delen door de kiesdeler. De uitkomst hiervan wordt naar beneden afgerond. Minder stemmen dan de kiesdeler heeft dus geen zetel. Bij dit kiesstelsel tellen alle uitgebrachte stemmen mee voor de bepaling van de zetelverdeling. Het is een goede afspiegeling van de verkiezingen. De besluitvorming kan lang duren en moeilijker zijn omdat het nadeel van een evenredige vertegenwoordiging is versplintering van partijen. Er zijn veel partijen, grotere partijen maar ook eenmansfracties. Dat is dus geen goede afspiegeling van hoe de bevolking stemt. 
  • Kabinet en ministerraad
    Met het kabinet bedoelen we alle ministers en staatssecretarissen. Met de ministerraad bedoelen we de vergadering van ministers, in principe zonder staatssecretarissen. Deze kunnen wel uitgenodigd worden, maar hebben dan geen stemrecht. Ministers zijn lid van de ministerraad. Staatssecretarissen zijn een soort van onderministers.
  • Koning en regering
    De koning is staatshoofd en het onschendbare deel van de regering. Hij is ook een privépersoon. De regering (kroon) bestaat uit ministers en dus de koning.
    De ministers zijn verantwoordelijk. Elke wet die door het parlement is aangenomen, moet door de koning en een minister zijn ondertekend. De koning verleent zo zijn gezag aan de wet, terwijl aan de andere kant de verantwoordelijkheid van de minister tot uitdrukking komt. Het hoofd van de regering: minister-president.
  • Staten Generaal en parlement
    De Staten-Generaal bestaat uit de twee kamers, namelijk de Eerste en de Tweede Kamer. Parlement heeft twee betekenissen. We verstaan er de volksvertegenwoordiging onder, waarbij dan in het algemeen de Tweede Kamer wordt bedoeld. Het is ook een verzamelbegrip voor de Eerste en Tweede Kamer en is een synoniem voor de Staten-Generaal. Wetgevende organen. De Tweede Kamer en de ministers mogen een wetsvoorstel indienen. Eerste Kamer moet zich terughoudend opstellen. Zwaartepunt ligt bij de Tweede Kamer maar de Eerste Kamer kan veel tegenhouden. 
  • Organen die de wetgever vormen
    De regering en de Staten-Generaal vormen in Nederland de wetgever (relatieve machtenscheiding, hier is sprake van machtenspreiding. De regering, de koning en de ministers. vormen ook de uitvoerende macht. De wetgevende en de uitvoerende macht zijn in Nederland dus niet helemaal gescheiden. De regering zit zowel in de wetgevende als in de uitvoerende macht. Art. 81 Gw ‘’Vaststelling wetten’’.
    De regering is een uitvoerend orgaan en de Staten-Generaal zijn een wetgevend orgaan. Trias Politica is de scheiding van de drie machten. Hier blijkt dus dat er geen sprake is van machtenscheiding als de wetgevende en uitvoerende macht samenwerken. De Staten - Generaal hee      ft een democratisch mandaat. De meeste wetsvoorstellen wordt ingediend door de regering. Als minister heb je een heel ministerie achter jou, het kabinet heeft bijna altijd de meerderheid in de Tweede Kamer. De meeste belangrijke politici zitten in de Tweede Kamer en hebben daar meer invloed over.
  • Is er sprake van een zuiver stelsel van machtenscheiding?
    De rechtsprekende macht in Nederland is in handen van een beroepsgroep die permanent zitting houdt. Ze zijn echter wel onafhankelijk. Montesquieu wilde juist dat de rechtsprekende macht toegekend wordt aan een rechtbank die permanent zitting houdt, omdat de rechtspraak jegens individuen wordt uitgeoefend. De rechtspraak zou volgens hem juist moeten worden uitgevoerd door personen die uit de bevolking geselecteerd worden en die niet langer da noodzakelijk in functie blijven. De rechtsprekende macht zou dan op die manierals het ware onzichtbaar worden. Hij pleitte ook voor een vorm van leken- of juryrechtspraak. Art. 117 lid 1 Gw ‘’Rechtspositie leden rechterlijke macht’’ -- uitvoerende en rechtsprekende macht vermengt. Koninklijk besluit betekent een besluit van de regering dus van de uitvoerende macht. Art. 118 lid 1 Gw ‘’Hoge Raad; cassatie’’: wetgevende en rechtsprekende.
    Art. 68 Gw  uitvoerende en wetgevende, dit is de democratische controle.

    De rechters worden niet gekozen door het volk en dat wilde Montesquieu wel. Nederlands worden ze benoemd door de regering. Art 117 GW. De rechtsprekende macht en de uitvoerende macht komen door elkaar.
  • Rechtvaardiging toetsingsverbod
    Het is niet aan de rechter om de wetten te toetsen, want de rechters zijn niet
    gekozen. Het is niet aan de rechter of de wet wat in strijd is met de grondwet. Dat doen de volksvertegenwoordigers.  Zij zijn democratisch gekozen en het komt democratisch tot stand. De rechter moet het wel toetsen, maar kan niet aanpassen. Check and balances. 
Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Wie is de wetgever in formele zin?
1
Welke zijn de basisprincipes van de idee van de klassiek-liberale rechtsstaat?
1
Waarin onderscheidt de sociale rechtsstaat en democratische rechtsstaat?
1
4. Wat wordt in de klassieke -liberale opvatting bedoeld met het begrip “wet”
1
Pagina 1 van 27