Samenvatting Tentamen

-
107 Flashcards en notities
3 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Tentamen

  • 1 Tentamen

  • Welk paracrien groeicytokine wordt afgegeven en gedetecteerd door CD4+ en CD8+ T-cellen na herkenning van een APC-MHC complex?
    IL-2
  • De T-lymfocyt heeft in zijn receptorcomplex de volgende moleculen: CD4, TCR, CD3, zeta, CD28 en LFA-1. Welke moleculen zijn verantwoordelijk voor signaaltransductie?
    CD4, CD3, zeta en CD28
  • Wat is het verschil qua lokatie van antigeenverwerking tussen MHCI en MHCII?
    MHCI herkent antigenen uit het cytoplasma, terwijl MHCII antigenen herkent uit vesikels (fagolysosomen).
  • Wat is de rol van adhesie tussen T-cellen en APC's in de activatie van T-cellen?
    T-cellen hebben LFA (een integrine) en APC's hebben ICAM (een integrine ligande). Dankzij de afgifte van cytokines uit de APC's worden de LFA integrines hoger qua affiniteit voor de integrine ligandes. Dankzij de sterkere interactie kan het MHC molecuul van de APC sterker hechten aan de T-cel receptor.
  • Costimulatie door de expressie van B7 op APC's (welke kan binden aan CD28 op T-lymfocyten) is noodzakelijk voor T-lymfocyt activatie. Waarom?
    Actieve APC's geven dankzij de mechanismen die leiden tot de expressie van costimulators (zoals inflammasoom PAMP herkenning) cytokines af, zoals IL-12, aan de T-lymfocyt. Die gaat hierdoor meer IL-2 produceren voor een paracrien proliferatief effect.
  • Na activatie van een TCR-complex zal Lck ITAMs gaan fosforyleren. Dit heeft een effect op PLC en op ZAP-70. Welk effect zien we bij elk?
    Activatie van PLC leidt tot de splitsing van PIP2 in IP3 en DAG. IP3 verhoogt intracellulair calcum. Calcineurine wordt actief, zodat die NFAT (nuclear factor of activated T-cells) gaat activeren. PKC wordt actief en activeert NFkB. Beiden gaan zorgen voor de expressie van cytokines door de T-lymfocyt, zoals IL-2. 

    ZAP-70 activeert adaptor-eiwitten die Ras-GTP vormen uit Ras-GDP. De Ras pathway wordt actief, waardoor transcriptiefactoren ERK en JNK zorgen voor de activatie van AP-1 (Activator Protein 1). AP-1 zorgt voor de transcriptie van TGF en IL2.
  • IL-2 (CD4, CD8) bevordert T-cel groei en IL2R affiniteit. IL-4 (CD4, mest) bevordert B-cel switch naar IgE. IL-5 activeert eosinofielen (CD4, mest). IFN-gamma (CD4, CD8, NK) activeert macrofagen. 

    Wat doet TGF-beta en waar komt het vandaan?
    TGF-beta onderdrukt T-cel activatie. Het wordt onder meer afgegeven door CD4 cellen, als vorm van negatieve feedback.
  • Signaal 1 is MHC-antigen. Signaal 2 is B7. Signaal 3 is een cytokine, zoals TGF-beta, IL-6, TGF-beta én IL-6, IL-12 én IFN-gamma en IL-4. 

    Afhankelijk van de aard van signaal 3, ontstaat een andere T-cel populatie. Dat komt, omdat elk van bovenstaande cytokines de ontwikkeling van een ander gen bevordert. Wat is het effect van elk cytokine op het soort T-cel dat wordt gevormd en via welk gen loopt dat?
    • TGF-beta: Treg cel (FoxP3) 
    • IL-6: Tfh cel (Bcl6) 
    • TGF-beta en IL-6: Th17 cel (RORyT) 
    • IL-12 en IFN-y: Th1 (T-bet) 
    • IL-4: Th2 (GATA3) 
  • Bij de hechting aan HEV door T-lymfocyten speelt  L-selectine een rol. Zit dit op de lymfocyt of op het endotheel?
    L-selectine zit op de lymfocyt. L-selecti ligande op het endotheel.
  • Naïeve T-cellen drukken L-selectine uit ter adhesie aan HEVs. Na activatie door een APC in de lymfeknoop drukken ze twee selectine ligandes uit en twee integrines. Welke zijn dat?
    E en P-selectine ligande en LFA-1 en VLA-4. De selectine ligandes zijn nodig voor zwakke hechting aan het endotheel in de periferie en de integrines voor sterke hechting.
  • IL-2 is het autocriene groeihormoon voor naïeve CD4 cellen. Wat is het niet-niet-autocriene groeihormoon voor Th1 cellen en Th2?
    Respectievelijk IL-12 en IL-4.
  • Actieve Th1 cellen kunnen macrofagen activeren en actieve Th2 cellen kunnen B-cellen activeren. Welke drie receptoren zijn hierbij van belang in de interactie?
    • TCR op T-lymfocyt en MHC op de macrofaag/B-cel
    • CD40-L op de T-lymfocyt en CD40 op de macrofaag/B-cel 
    • Cytokines uit de T-lymfocyt en cytokinereceptoren op de macrofaag/B-cel
  • Waarom reageren Th2 cellen niet op IL-12 uit macrofagen?
    Th2 cellen hebben geen IL12R
  • Hoe induceert een CTL apoptose in een target cel? Noem twee manieren.
    1. De CTL herkent MHCI op een geïnfecteerde doelwitcel. Deze geeft dan perforine af welke een perforine gat vormt in de target. Granzymes uit de CTL gaan via het perforinegat de cel in en activeren daar caspases. 
    2. FasL op de CTL trimeriseert en bindt aan de Fas receptor, waardoor die 3 FasRs op de target cel activeert. Deze clustering activeert FADD. FADDD recruteert pro-caspase 8 en activeert hem om de caspase cascade aan te zetten 
  • Soms fagocyteert een cel een pathogeen, waarbij de pathogeen uit vesikels ontsnapt. Welk mechanisme voorkomt dat deze pathogeen de cel doodt?
    MHCI expressie van de pathogeen en hierdoor CTL activatie
  • Van welke cellen is de klonale expansie sterker, CD4 of CD8?
    Die van CD8 cellen is sterker (>10.000x) dan die van CD4 cellen (> 100x)
  • Hoe bevordert een CD4 lymfocyt de activatie van CD8 lymfocyten?
    Nadat een CD4 lymfocyt een APC heet gebonden, induceert de CD4 lymfocyt de expressie van CD40 en 4-IBBL op de APC. Deze activeren dan weer de CD4-cel en de CD8-cel sterker.
  • Wat is de primaire rol van de Th17 cel?
    Via IL-17 het activeren van fibroblasten en epitheelcellen naar een pro-inflammatoir fenotype
  • Bevatten light chains ook variabele regio's?
    Ja
  • Welk complement component is in het bijzonder relevant ter bevordering van pathogeenherkenning door fagocyten?
    C3b
  • Welke componenten van complement vormen het MAC?
    C5b6789
  • Hoe wordt een B-cel geactiveerd?
    Door herkenning van een antigen
  • Kan een T-cel een actieve B-cel stimuleren als die een niet-peptide antigen heeft herkend?
    Nee. De stimulatie van actieve B-cellen door T-cellen berust op herkenning van een MHCII-antigen complex op de B-cel door het TCR complex. MHCII kan alleen peptide antigenen binden.
  • Waar wordt de primary focus gevormd in de lymfeknoop gevormd?
    In de T-cel zone
  • Hoe kan een T-cel in de primary focus een B-cel activeren? Noem vier factoren.
    • TCR-complex herkenning van MHCII op B-cel 
    • Costimulatie doordat CD28 op T-cel B7 op B-cel herkent 
    • CD40L costimulator op T-cel bindt aan CD40 op B-cel
    • Cytokines uit T-cellen activeren B-cel verder 
  • Hoe kan een B-cel onafhankelijk van een T-cel geactiveerd worden?
    Het antigen bindt de BCR. Een second signal ontstaat nu door bijv. intrinsieke activiteit van het antigen, kruiskoppeling of cytokinewerking. De B-cel gaat IgM produceren.
  • Noem vier factoren die bijdragen aan de diversiteit in antilichaamsoorten
    1. Splicing en herarrangering van VDJ gensegmenten tijdens B-cel ontwikkeling 
    2. Onafhankelijke sortering light- en heavy chain genen (niet tijdens ontwikkeling)
    3. Heavy chain class switching
    4. Somatische hypermutaties (in mature actieve B-cellen) leidend tot affiniteitsmaturatie
  • Welke cytokines stimuleren de isotype switch naar IgG, IgE en IgA?
    IgG: IFN-gamma
    IgE: IL-4
    IgA: TGF-beta
  • Door welke twee processen vindt affiniteitsmaturatie van B-cellen plaats?
    • Puntmutaties in de V-regio's (Somatische hypermutatie in kiemcentrum
    • Selectie van hoog-affiniteit B-cellen 
  • Wanneer is omalizumab (anti-IgE) geïndiceerd bij astmapatiënten?
    Als ze 6 jaar of ouder zijn en IgE-gemedieerd ernstig persisterend astma hebben die niet reageert op hoge doseringen ICS en LABA
  • Astma kan neutrofiel-dominant of eosinofiel dominant zijn. Mepolizumab (anti-IL5): waar zal deze vooral werken?
    Eosinofiel dominant
  • Lebrikizumab is een anti-IL13 Ig. Deze werkt vooral tegen astma bij patiënten met hoge plasmaspiegels van IL-13. Echter, IL-13 wordt niet gebruikt als biomarker. Welke surrogaat biomarker van IL-13 wordt toegepast?
    Periostine
  • Hoe zou je reuma kunnen definiëren?
    Als een aandoening van gewrichten en/of zacht weefsel die niet door trauma wordt geïnduceerd. Dit kan inflammatoir zijn (reumatoïde artritis) of degeneratief (artrose).
  • Op welke twee antilichamen kun je testen ter diagnose van RA?
    RF en ACPA (Anti-Citrullinated Plasma Antibody). 1 positief geeft 2 punten, 2 positief geeft 3 punten op classificatieschaal
  • Als een synovitis 7 weken aanwezig is, geldt dit dan als extra punt in het RA classificatiesysteem?
    Ja, vanaf 6 weken duur wijst synovitis op RA
  • Op welke 4 categorieën classificeer je symptomen in het nieuwe diagnostische systeem voor RA?
    • Betrokkenheid gewrichten in aantal (0-5 punten) 
    • Serologie (0-3 punten)
    • Duur synovitis (0-1 punten) 
    • Acutefaserespons (0-1 punten) 


    BIj > 6 punten diagnose RA. 
  • De articulaire kenmerken van RA zijn gevoeligheid, synoviale verdikking, effusie, erytheem, bewegingsmoeilijkheid, ankylose en subluxatie. Wat zijn de extra-articulaire complicaties?
    Nodules en vasculitis leidend tot huidsymptomen. Episcleritis en keratoconjunctivitis in de huid. Pericarditis in het hart. Anemie en trombocytose in het bloed. ASAT in de lever gaat omhoog, wijzend op leverschade.
  • Wat is het belangrijkste argument voor vroeg ingrijpen bij RA?
    De grootte schade (radiologisch zichtbaar) bij RA vindt plaats in het eerste jaar. Vroeg ingrijpen reduceert deze schade en de latere kans op progressie.
  • Op welke criteria is de DAS28 score van de ziekte-activiteit bij RA gebaseerd?
    • # Pijnlijke gewrichten
    • # Gezwollen gewrichten 
    • VAS schaal 
    • ESR 


    Een score < 2,6 wijst op remissie. Een score > 5,2 wijst op hoge ziekte-activiteit. 
  • Vroeger had men alleen RF als serologische marker voor RA. Dit maakte diagnostiek moeilijker. Waarom? Wat is het voordeel van anti-CCP als nieuwe biomarker?
    RF heeft een matige sensitiviteit en PVW en een nog lagere specificiteit en NVW. De kans op het missen van een diagnose is hierdoor vrij hoog, terwijl de kans op onterechte behandeling van een gezond persoon lager is. Dat terwijl we bij zo'n ziekte als RA liever overbehandelen in de vroege fase. 

    Anti-CCP heeft een hogere PVW en NVW.
  • Is het hebben van anti citrullinated peptide antibody prognostisch goed of slecht bij RA?
    Slecht, hogere morbiditeit en mortaliteit
  • Hoeveel tijd is er nodig voordat MTX werkt bij RA?
    4-10 weken
  • Welk geneesmiddel heeft een gevaarlijke interactie met MTX?
    Trimethoprim, ook een DHFR remmer
  • Wat zijn de belangrijkste bijwerkingen van MTX?
    GI-klachten, leverschade, leukopenie, infecties, huiduitslag, alopecie, trombopenie
  • Rangschik van hoge naar lage effectiviteit en bijwerkingenprofiel voor de volgende geneesmiddelen: sulfasalazine, MTX, goud
    Effectiviteit: SSZ >MTX > Goud
    Bijwerkingen: Goud > SSZ > MTX (hoger is meer bijwerkingen)
  • Hoe lang duurt het voordat de werking van sulfasalazine (NFkB remmer) intreedt bij RA?
    4-10 weken
  • Hoe werkt leflunomide? Hoe lang duurt het voordat de werking intreedt?
    Leflunomide remt mitochondriale enzymen nodig bij de DNA en RNA synthese. Effect treedt in na 3-4 weken.
  • Hydroxychloroquine en choroquine veroorzaken relatief weinig bijwerkingen (reversibele oogafwijkingen). Waarom verdienen ze toch niet de voorkeur bij RA behandeling?
    Ze werken ook zwak
  • Wat is de plaats van corticoïden in de behandeling van RA veelal?
    Corticoïden worden vaak gebruikt om de therapie te overbruggen tijdens het wachten op de intreding van het effect van van MTX of sulfasalazine.
  • Etanercept en infliximab binden beiden TNF. Waarom veroorzaakt infliximab dan toch meer immunologische bijwerkingen?
    Omdat het een chimeer is
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Welk paracrien groeicytokine wordt afgegeven en gedetecteerd door CD4+ en CD8+ T-cellen na herkenning van een APC-MHC complex?
2
De T-lymfocyt heeft in zijn receptorcomplex de volgende moleculen: CD4, TCR, CD3, zeta, CD28 en LFA-1. Welke moleculen zijn verantwoordelijk voor signaaltransductie?
2
Wat is het verschil qua lokatie van antigeenverwerking tussen MHCI en MHCII?
2
Wat is de rol van adhesie tussen T-cellen en APC's in de activatie van T-cellen?
2
Pagina 1 van 27