samenvatting

by
193 Flashcards en notities
6 Studenten
  • Deze samenvatting
  • +380.000 andere samenvattingen
  • Een unieke studietool
  • Een oefentool voor deze samenvatting
  • Studiecoaching met filmpjes
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - samenvatting

  • 1 samenvatting

  • wat is een milieuprobleem?
    een milieuprobleem is te beschouwen als een verstoring van de relatie tussen milieu en samenleving. bij milieuproblemen gaat het om de effecten van menselijke ingrepen in de fysieke omgeving die als problematisch worden ervaren. Daarmee zijn de verschillende dimensies van een milieuprobleem bepaald:fysiek, maatschappelijk en normatief
  • verschillende visies op de relatie tussen wetenschap en milieubeleid
    van de wetenschap wordt verwacht overheid en samenleving te helpen om complexe (milieu)problemen op te lossen. de wetenschap wordt dan ook door de politiek veelvuldig gevraagd om wetenschappelijke feiten te leveren die gebruikt kunnen worden om beleid te voeren.

    rationalistische visie:
    in deze rationalistische visie op de relatie tussen wetenschap en beleid is sprake van een lineair proces. het startpunt is de identificatie van een milieuprobleem waarvoor wetenschappelijk onderzoek nodig is. Vervolgens worden de onderzoeksresultaten ingebracht in een beleidsproces en kan op grond hiervan beleid worden ontwikkeld en oplossingen worden gerealiseerd.


    realistische visie:
    1.wetenschappelijke kennis een menselijk en maatschappelijk product, en dus mede het resultaat van haar sociale omgeving. kennis is dus contextafhankelijk, zowel wat haar productie als wat haar toepassing betreft. 
    2. is duidelijk dat wetenschappelijke kennis, zeker in verband met milieuproblemen, vrijwel altijd onvolledig is, omgeven met veel onzekerheden en gebaseerd op allerlei aannames.
    3.dat is voor de relatie tussen wetenschap en beleid essentieel, is wetenschappelijke kennis 'slechts' een hulpbron voor beleid, naast allerlei andere input, zoals lekenkennis en waarden en normen.
  • wat is postnormale wetenschap?
    -is open en duidelijk over de onzekerheden en beperkingen in haar analyses, voorspellingen en oplossingen.
    -maakt duidelijk wat haar uitgangspunten en waardeoordelen zijn
    -betrekt een bredere groep dan alleen collega wetenschappers bij de beoordeling van de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek naar complexe problemen
    -betrekt een bredere groep bij het genereren van oplossingen, vooral op lokaal niveau (omdat niet wetenschappers vaak creatieve oplossingen bedenken)
  • "Naar een postnormale wetenschap"?
    de vraagstukken rondom duurzame ontwikkeling en de huidige mondiale milieuproblemen zijn uiterst complex, dat wil zeggen, niet te reduceren tot een aantal kleinere, behapbare deelproblemen zonder essentiele kenmerken van het grote probleem kwijt te raken. die complexiteit heeft twee belangrijke consequenties:
    -de onzekerheden in de wetenschappelijke voorspellingen zijn groot; door de omvang van het probleem en de velerlei interacties tussen de componenten is volledige kennis en overzicht niet langer mogelijk.
    -er zijn verschillende wetenschappelijke visies op het probleem; de complexiteit van het probleem noodzaakt wetenschappers tot enigerlei wijze van vereenvoudiging om onderzoek überhaupt mogelijk te maken, en de keuzes die daarbij worden gemaakt berusten op allerlei al dan niet uitgesproken waardeoordelen en uitgangspunten die resulteren in uiteenlopende analyses en voorspellingen.
  • Wat is de natuurwetenschappelijke methode ?
    De natuurwetenschappelijke basiswetenschappen en bijbehorende milieuspecialismen zijn sterk gericht op het analyseren van milieuproblemen en niet in de eerste plaats op het vinden van oplossingen. Zij geven vooral aan wat er gebeurt in het milieu, zowel van nature als na menselijk ingrijpen.
  • rol van de milieuwetenschappen bij analyse en oplossing van milieuproblemen
    in de milieuwetenschappen worden bij het bestuderen van milieuproblemen vaak verschillende accenten gelegd.


    Zo zijn de natuurwetenschappelijke basiswetenschappen en bijbehorende milieuspecialismen sterk gericht op het analyseren van milieuproblemen en niet in de eerste plaats op het vinden van oplossingen.

    in de milieutechnologie worden de mogelijkheden tot het verkrijgen van schonere technologieën onderzocht. milieutechnologie is vooral gericht op het vinden van verbeteringen in productieprocessen, bv in de industrie of in de landbouw, zodanig dat ze minder milieubelasting opleveren.

    maatschappijwetenschappelijke basiswetenschappen en hun bijbehorende milieuspecialismen hebben menselijk gedrag en maatschappelijke processen als object van studie.

    de verschillen in hun bijdrage tot de analyse en oplossing van milieuproblemen hebben vooral te maken met de verschillende optiek van waaruit menselijk gedrag en maatschappelijke verschijnselen worden onderzocht.
  • de natuurwetenschappelijke methode en de daaraan verbonden kwaliteitscriteria
    in de ontwikkeling van natuurwetenschappen zijn waarnemen, experimenteren en redeneren onlosmakelijk met elkaar verbonden. uit resultaten van waarnemingen en experimenten wordt via redeneren een hypothese, een model of een theorie opgesteld.

    in een geïdealiseerd schema kan de natuurwetenschappelijke methode als volgt worden omschreven:
    1. het verzamelen van gegevens
    2. het ontwikkelen van een hypothese
    3. uitvoeren experiment conclusies tau hypothese nieuw experiment.

    de natuurwetenschappelijke methode wordt dan ook wel de empirische cyclus (ervarings of waarnemingscyclus genoemd)
  • globale ontwikkeling in het milieubeleid van 1970-2000 hoofdstuk 3
    milieubeleid in de jaren zeventig:
    milieuproblemen waren overzienbaar, lokaliseerbaar en in grote mate technisch oplosbaar. 
    overheid had 3 voudige rol te vervullen:
    1. via informatie en educatie het milieubewustzijn bevorderen
    2. via onderzoek de ontwikkeling van saneringstechnieken stimuleren
    3. via wetgeving de introductie van deze technieken dwingend op te leggen.

    milieubeleid in de jaren tachtig:
    tot dusver werden milieuproblemen beschreven in termen van sectoraal indeelbaar, overzienbaar, lokaliseerbaar, technisch oplosbaar, vooral bedreigend voor de volksgezondheid. tegenover de sectorale indeling kwam steeds duidelijker het integrale karakter naar voren. ipv lokaliseerbaar en overzienbaar bleken milieuproblemen in toenemende mate complex en diffuus te zijn, zowel aan de oorzaak als aan de gevolgen kant.

    vernieuwing in de strategieontwikkeling in de jaren tachtig betrof drie hoofdstappen:
    -via een probleem analyse moest de huidige situatie in kaart worden gebracht (ofwel waar staan we ?)
    -vervolgens moesten de strategische doelstellingen worden geformuleerd (ofwel waar willen we heen?)
    -tenslotte moesten de strategische doelstellingen worden geoperationaliseerd in concrete doelstellingen, instrumenten enz  (ofwel hoe komen we daar ?)

    de drie stappen worden hieronder nader uitgewerkt.
    1e stap, de analyse of definitie van de milieuproblematiek, zijn in de jaren tachtig drie vernieuwingen aangebracht. in de eerste plaats werden milieuvraagstukken niet meer per bedreigd milieucompartiment geordend, maar thematisch gegroepeerd. in de tweede plaats werden de thema's tegen de achtergrond van de beleidslevenscyclus geplaatst, waarbij vrijwel steeds vier fasen te onderscheiden zijn: signalering en erkenning, beleidsformulering, probleemoplossing en beheer.
    in de derde plaats werden de thema's nog gerangschikt naar het schaalniveau waarop de betreffende processen zich vooral afspelen: op lokaal, regionaal, pluviaal, continentaal of mondiaal niveau.

    -de tweede stap, de formulering van de strategische doelstellingen, had vooral betrekking op de begrippen bron en effect. brongericht en effectgericht zijn klassieke begrippen in het milieubeleid.
    brongerichte maatregelen genieten dus de voorkeur bij het ontwikkelen van een doeltreffend milieubeleid.

    -de derde stap, tenslotte, het operationaliseren van milieudoelstellingen en strategische uitgangspunten in concrete beleidsdoelstellingen en beleidsmaatregelen.

    milieubeleid in de jaren negentig:
    begin jaren negentig komt de veranderende rolverhouding tussen overheid en samenleving op het terrein van het milieubeleid, met als kernbegrippen verinnerlijking en de doelgroepenbenadering.
    met internalisering wordt verwezen naar het feit dat individuen en organisaties zich, uiteraard in uiteenlopende mate, de waarden, normen en regels van hun sociale omgeving eigen maken. bedoeld wordt dat individuen en organisaties hun verantwoordelijkheid voor het milieu zelf en uit eigen beweging opnemen, en daartoe dus niet door externe factoren, in casu vooral door overheidsingrijpen, gedwongen moeten worden. 
  • rol van technologie en consumptiepatroon in duurzame ontwikkeling
    technologie kan producten ontwikkelen die in het geheel zijn te recyclen bv de auto is al voor 90 % recyclebaar. De consument kan dan producten kopen die aan het eind van de levensduur geheel te recyclen. hierdoor is de cirkel rond en blijven er ook materialen over voor toekomstige generaties.
  • ecologische voetafdruk hfst 1 en 2
    ecologische voetafdruk wil zeggen als je het milieu meer belast heb je een grotere voetafdruk dan wanneer je het milieu minder belast. bv europese burgers gebruiken in het algemeen veel meer vlees en gebruiken veel meer fossiele brandstoffen tov van opkomende economieën zoals zuid-afrika. dus deze hebben dan ook een veel grotere ecologische voetafdruk. gemiddeld genomen hebben we voor iedere burger ongeveer 2 hectare land nodig om iedereen het gelijke stuk te geven maar wij zitten er ver boven
  • IPAT formule
    een veel gebruikte formule om de invloed van mensen op hun omgeving ruwweg weer te geven, ziet er als volgt uit:

    Impact = population x affluence x technology
    population = omvang van de bevolking
    affluence = welvaart naar omvang en karakter
    technology = factor die verwijst naar de aard van de toegepaste technologie
  • relaties tussen welvaart en milieubelasting, inclusief ontkoppeling, groene kuznetscurve.
    zo is er in de praktijk met de groei van het inkomen per hoofd ook groei in de uitstoot per hoofd van de bevolking, denk hierbij aan koolstofdioxide en aan afval. 

    er is ook een minder vergaande ontkoppelingshypothese over de relatie tussen de welvaart en de nadelige invloed op het milieu. volgens deze hypothese neemt met het stijgen van de welvaart de vervuiling minder dan evenredig toe. 

    de groene kuznetscurve wil zeggen dat naarmate een land minder ontwikkeld is er groei en welvaart ontstaat waardoor de milieubelasting toeneemt. indien het land zich steeds verder ontwikkeld dus de welvaart groeit nog steeds maar dat de milieubelasting gaat afnemen. omdat de mensen zich steeds meer bewust worden van het milieuprobleem en ook steeds meer geld hebben om producten te kopen die duurzamer zijn geproduceerd.
  • concept duurzame ontwikkeling hfst 1 en 5
    duurzame ontwikkeling wordt meestal omschreven als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generaties zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.

    niettemin lijkt er consensus over de essentie van het beginsel, nl dat de economie, of breder de maatschappelijke ontwikkeling in evenwicht met de aanwezige natuurlijke hulpbronnen dient te functioneren.
  • globale ontwikkeling van de biosfeer
    het ontstaan en de ontwikkeling van het leven op aarde is nauw gekoppeld geweest aan de ontwikkeling van de atmosfeer. men neemt aan dat de aarde in de eerste paar honderd miljoen jaar van haar bestaan een atmosfeer heeft gehad waarvan water, methaan en / of koolstofdioxide en ammoniak en/ of stikstof belangrijke bestanddelen waren. de atmosfeer bevatte nog geen vrije zuurstof, zodat ultraviolette straling van de zon ongehinderd het aardoppervlak kon bereiken. met het verstrijken van de geologische tijd is het gehalte aan vrije zuurstof in de atmosfeer geleidelijk toegenomen ten gevolge van de biologische fotosynthese, waardoor steeds minder ultraviolette straling het aardoppervlak kon bereiken.
  • life support functies van de biosfeer 
    in de ecologie wordt de term gebruikt voor alle biotische en abiotische processen die nodig zijn om het levende deel van het systeem Aarde te laten functioneren. meer specifiek op de mens gericht wordt ook wel gesproken van de goederen en diensten die ecosystemen leveren.
  • Gaia hypothese
    de gaai-hypothese beargumenteert dat het leven niet moet worden bezien op het niveau van moleculen, cellen, organismen of zelfs ecosystemen. nee het begrip leven moet in een veel breder kader worden geplaatst. alle levende organismen op aarde, tezamen met hun niet levende omgeving, wat wij de dode aarde noemen, vormen een systeem dat zich gedraagt als een enkel, levend, wezenlijk bestaand iets. dit systeem noemt hij gaia. daarin zijn alle op aarde levende organismen, maar ook gesteenten, atmosfeer, zeeen en oceanen met elkaar verbonden tot een eenheid door stromen van energie, water en voedingsstoffen in en rondom de aarde.
  • planetaire albedo
    de albedo is het gedeelte van de instraling van de zon dat aan het oppervlak (van een planeet) wordt teruggekaatst.

    zwarter -> meer absorptie minder terugkaatsing
    witter -> minder absorptie meer terugkaatsing
  • rol van externe energiebronnen in de biosfeer
    elke kringloop wordt instandgehouden door energie. de zonnestraling levert de energie voor fotosynthese en zorgt zo voor de aandrijving van een essentieel stap in de kringlopen van de biosfeer. de zon levert ook de energie voor de hydrologische kringloop door verwarming van het aardoppervlak, waardoor water verdampt en in de atmosfeer terechtkomt. ook de verplaatsing van wolken door wind is een gevolg van zonne-energie


    Er is echter nog een grote energiebron, de interne warmte van de aarde, geproduceerd door het verval van radioactieve elementen

    hfst 10, 12, 14
  • biotische processen:
    Alle levende wezens

    -planten -> maken het voedsel
    -dieren -> planteneters leven van planten
    -schimmels en bacterien -> zorgen voor de afbraak van de dode organische resten
  • rol van biogeochemische kringlopen in de biosfeer;
    begrippen compartiment, reservoir, stroom, flux, verblijftijd
    compartimenten -> het is gebruikelijk in de mondiale elementkringlopen een aantal compartimenten te onderscheiden; de voornaamste compartimenten zijn het land, de aardkorst, de oceaan, en de atmosfeer

    reservoirs -> binnen een compartiment worden reservoirs onderscheiden. een reservoir is niet zozeer een fysieke ruimte, maar de hoeveelheid van een elementbevattende verbinding in een compartiment. 

    flux-> een flux geeft de verandering (afname of toename) van de hoeveelheid element bevattende verbinding van een reservoir weer als gevolg van biogeochemische processen.

    verblijftijd -> de gemiddelde tijdsduur gedurende welke een element in een bepaalde vorm in een reservoir verblijft wordt wel de verblijftijd genoemd.

    steady-state -> in principe heeft het alleen zin een verblijftijd te definiëren voor een reservoir dat zich in de zogeheten "steady-state" bevindt, een situatie waarbij de instroom in het reservoir even groot is als de uitstroom.

    stromen -> 
  • Abiotische processen
    Alle invloeden uit de niet-levende natuur

    -licht -> energie voor de fotosynthese
    -temp -> invloed op enzymwerking
    -lucht -> CO2- gehalte
    -bodem -> grondsoort
    -water -> bouwstof voor cellen
  • kringloop van water
    de kringloop van water (met daarin de elementen waterstof en zuurstof) vormt in de biosfeer de snelste en omvangrijkste circulatie en brengt uitsluitend faseveranderingen met zich mee. het gaat daarbij om fysische processen: verdamping, verplaatsing door de atmosfeer, neerslag, stroming naar en in de oceanen. de aanwezigheid van water is cruciaal voor het leven op aarde. niet alleen bestaan levende weefsels voor een groot deel uit water en is water oplosmiddel voor nutriënten en stofwisselingsproducten, ook is het door zijn hoge soortelijke warmte en de enorme oceanische waterreservoirs een warmteregelaar die ervoor zorgt dat de temperatuur op aarde binnen grenzen blijft die leven mogelijk maakt.
    eenderde van de neerslag op het land wordt direct via oppervlakkige afstroming en grondwaterstroming naar zee afgevoerd.
    tweederde deel komt door verdamping en door opname en transpiratie door de vegetatie opnieuw in de hydrologische cyclus boven land. 
  • kringloop van stikstof
    het stikstof dat in de aardkorst aanwezig is, is grotendeels opgesloten in vulkanische gesteenten die slechts moeilijk en langzaam verweren en meestal ver buiten bereik van de biosferische kringlopen liggen. levende organismen moeten het overgrote deel van van hun stikstof daarom halen uit de immense voorraad inert moleculair stikstof N2 in de atmosfeer, een proces dat biologische stikstoffixatie wordt genoemd en alleen door bacterien wordt uitgevoerd.

    stikstofreservoirs:
    een van de grootste reservoirs van dit element is de atmosfeer waarvan circa 80% uit het gas stikstof N2 bestaat. een ander groot reservoir is vulkanisme en sedimentaire gesteenten waar het voorkomt als gebonden, niet-uitwisselbaar ammonium. anorganische stikstofzouten (ammonium, nitraat en nitriet) zijn goed wateroplosbaar en vormen stikstofreservoirs die zeer actief aan de stikstofkringloop deelnemen. 

    biologische processen in de stikstofkringloop:
    sommige worden uitsluitend door micro-organismen uitgevoerd. dit geldt onder andere voor de stikstoffixatie, het proces waarbij atmosferische stikstof in organisch gebonden stikstof wordt vastgelegd. ook het proces waarbij moleculaire stikstof weer naar de atmosfeer wordt teruggevoerd (denitrificatie) en de omzetting van ammonium in nitraat (nitrificatie) zijn microbiele processen.

    assimilatie:
    planten, dieren en de meeste micro-organismen zijn voor hun groei aangewezen op gebonden vormen van stikstof zoals ammonium NH4 of nitraat NO3-.

    door planten wordt nitraat geprefereerd, micro organismen kunnen vaak zowel ammonium als nitraat gebruiken.

    ammonificatie:
    de centrale verbinding in de biologische stikstofcyclus is ammonium NH4 een verbinding die ontstaat bij de afbraak van eiwitten, aminozuren en nucleotiden afkomstig van dode planten, dieren en micro-organismen. ammonificatie komt voor bij micro-organismen, planten en sommige ongewervelde dieren en kan zowel onder toxische als anomische omstandigheden plaatsvinden.

    nitrificatie:
    nitrificatie verloopt in 2 stappen eerst van ammonium tot nitriet, vervolgens van nitriet tot nitraat en wordt exclusief door bacterien uitgevoerd.
    -oxisch proces
    -bacterien zijn autotroof, energie uit de oxidatie van ammonium voor CO2-
    -in de bodem belangrijk proces, omdat omzetting van ammonium in nitraat gepaard gaat met ladingsverandering. positief geladen zoals ammonium bindt aan kleideeltjes. 
    -negatief geladen delen zoals nitraat en nitriet, vrij in het bodemwater kunnen migreren.

    nitraatreductie en denitrificatie
    in afwezigheid van zuurstof kan nitraat worden gereduceerd doordat het dienst doet als terminale elektronacceptor bij de mineralisatie van organisch materiaal. het proces van omzettingen die leiden tot de gasvormige eindproducten NO, N2O en N2 wordt ook wel denitrificatie genoemd.

    stikstoffixatie
    ruim 80% van de totale stikstoffixatie op aarde berust op biologische processen, 15% wordt in industriele processen, vnl ten behoeve van kunstmestproductie gefixeerd.

    verstoringen en gevolgen
  • problemen met de kwaliteit van bodem, water, en lucht, ontstaan door verstoring van de stofkringlopen hfst 49
    emissie van stoffen in de atmosfeer
    de emissie van stoffen in de atmosfeer, mede door het gebruik van energie, veroorzaakt problemen op verschillende schaalniveaus. mondiaal treedt het versterkte broeikaseffect op; regionaal hebben we te maken met verzuring van het milieu en lokaal hebben we soms last van smogproblemen.

    versterkbroeikaseffect
    een aantal gassen in de atmosfeer , waaronder CO2. CH4, N2O O3 en H2O hebben de eigenschap dat ze transparant zijn voor de inkomende kortgolvige zonnestraling, maar door de aarde uitgezonden straling gedeeltelijk absorberen.

    verzuring
    bij verbrandingsprocessen komen gassen als zwaveldioxiden SO2 en stikstofoxiden NOx vrij die in de atmosfeer zure componenten zoals zwavelzuur H2SO4 en salpeterzuur (HNO3) vormen.

    smog
    er wordt onderscheid gemaakt tussen zomer en wintersmog.
    zomersmog bestaat vnl uit stikstofoxiden NOx, ozon en vluchtige organische componenten VOC's zoals koolwaterstoffen CxHy.
    Wintersmog bestaat vnl uit SO2 en de volgproducten daarvan en stofdeeltjes die uitgestoten worden bij de verbranding van zwavelrijke brandstoffen.

    verontreiniging van bodem en water
    als gevolg van winning, transport, opwekking en gebruik van energie worden water en bodem verontreinigd. een korte opsomming hiervan: bij mijnbouw van fossiele brandstoffen komen ook allerlei zware metalen mee naar boven; deze vervuilen bodem en grondwater.
  • de zwavelkringloop
    in ecosystemen is niet zoveel S nodig als N stikstof en P fosfor en zelden is het element beperkend voor groei van planten en andere organismen.

    zwavelreservoirs:
    het merendeel van de zwavel op aarde wordt aangetroffen in de aardkorst, in sedimenten en gesteenten in de vorm van sulfaatmineralen (hoofdzakelijk calciumsulfaat CaSO4) en sulfidemineralen hoofdzakelijk pyriet FeS2.

    bij de verbranding van zwavelrijke fossiele brandstoffen wordt een deel van de inerte zwavelreservoirs gemobiliseerd en komt vrij in de vorm van zwaveldioxide SO2. ook tgv vulkanische activiteit komen grote hoeveelheden zwavelverbindingen H2S en S/o2 in de atmosfeer terecht.

    de oceanen bevatten relatief hoge sulfaatconcentraties en vormen daarmee de voornaamste zwavelvoorraad voor de biosfeer. 

    planten en de meeste micro-organismen nemen zwavel op in de vorm van sulfaat en reduceren dit tot sulfide dat onmiddellijk wordt ingebouwd in de sulfhydrylgroepen van aminozuren. dit proces wordt assimilatie sulfaatreductie genoemd en kost het organisme energie ATP en reduceren vermogen NADH

    bij mineralisatie van organisch materiaal komt zwavel hoofdzakelijk als H2 S vrij, dit proces wordt desulfurering genoemd.

    oxidatie van gereduceerde zwavelverbindingen
    het bij desulfurering en sulfaatademhaling vrijkomende H2S is een zeer reactieve verbinding die gemakkelijk door atmosferische zuurstof wordt geoxideerd tot SO2 en SO4-. waterstofsulfide kan ook in anomische (aquatische) milieus geoxideerd worden (anaerobe sulfide-oxidatie). de reactie wordt uitgevoerd door purperen en groene zwavelbacterie. de benodigde energie wordt uiteindelijk geleverd oor absorptie van zonlicht; het zijn dus fototrofe bacterien, die een anaerobe variant van de fotosynthese uitvoeren.

    sulfaatademhaling
    in de zwavelcyclus blijft nog een proces over dat we zullen bespreken. het gaat om de vorming van H2S bij de dissimilatie sulfaatreductie. dit proces speelt een zeer belangrijke rol in de anaerobe mineralisatie van organisch materiaal. sulfaatademhaling komt uitsluitend voor bij bacterien. deze bacterien zijn chemo-organotroof en obligaat anaëroob, dat betekent dat ze in hun energiebehoefte kunnen voorzien door oxidatie van organische verbindingen en uitsluitend in anoxische omgeving. sulfaatreductie, en daarmee de productie van gasvorming H2S komt op grote schaal voor in anomische sedimenten, in oppervlaktewater dat met organisch afval wordt belast. Sulfide reageert overigens zeer gemakkelijk met vrije metaalionen  en slaat dan neer als onoplosbaar metaalsulfide dat voor bepaalde tijd aan de cyclus wordt onttrokken.

    Verstoringen
    antropogene zwavelemissies, vooral afkomstig van verbranding van fossiele brandstoffen, met name steenkool, overtreffen in grootte de natuurlijke emissies door bacterien (aerobe sulfide-oxidatie) en vulkanische activiteit.
  • opbouw en samenhang van een eenvoudig Closed Ecological Life Support systeem

    life support functies deze term is geleend uit de medische wereld waar het alle ondersteunende systemen betreft die nodig zijn om patiënten in leven te houden. in de ecologie wordt de term gebruikt voor alle biotische en abiotische processen die nodig zijn om het levende deel van het systeem aarde te laten functioneren.

    meestal wordt een veel belangrijker argument vergeten, nl dat natuurlijke ecosystemen en biodiversiteit een uiterst belangrijke rol spelen bij het functioneren van stofkringlopen die ook essentieel zijn voor ons eigen bestaan. Life-support functies worden die wel genoemd. een vb is de rol van bossen en wouden bij het functioneren van wereldwijde stofkringlopen. in de eerste plaats spelen ze een hoogste belangrijke rol in de koolstof- en zuurstofcyclus op aarde. in de tweede plaats kunnen grote oerwouden ook invloed op het klimaat uitoefenen via de waterkringloop. ze vangen het meeste water op en verdampen via hun blad weer grote hoeveelheden.blz 216
    -sluiten van kringlopen
    -productie van zuurstof
    -regulatie van het klimaat
    -waterberging
    -zuivering van water
  • het koolzuursysteem
    behalve de atmosfeer, vormen zeven en oceanen een gigantisch reservoir van CO2, waar het vooral in de vorm van het bicarbonaation (HCO3-) voorkomt. 

    koolstofdioxide (CO2) wordt ook wel koolzuurgas genoemd. het dankt deze naam aan het feit dat het, opgelost in water , H+ -ionen doet ontstaan en dus de pH verlaagt. Wanneer CO2 in water oplost, ontstaat een gehydrateerd molecule CO2(aq) dat een evenwichtsmengsel vormt met een kleine hoeveelheid koolzuur, H2CO3 (zie hieronder)

    CO2(aq) + H2O <-> H2CO3 (koolzuur)

    het koolzuur is gedeeltelijk gedissocieerd in H+ en een waterstofcarbonaation (meestal bicarbonaat genoemd), dat weer gedeeltelijk gedissocieerd is in H+ en het carbonaation (vergelijkingen 3 en 4)


    H2CO3 <-> H+ + HCO3- bicarbonaat (3)

    HCO-3 <-> H+ + CO2/3 - Carbonaat (4)

    vaak wordt daarom de kleine concentratie koolzuur verwaarloosd tov de grote concentratie CO2(aq) en wordt de uiteindelijke vergelijking:

    CO2(aq) + H2O <-> H+ + HCO3-

    het koolzuursysteem (bestaande uit CO2, H2CO3, HCO-3 en CO2/3-) heeft een grote invloed op de pH van water. Bovendien is het verreweg het grootste koolstofreservoir in de oceaan. 
  • het versterkte broeikaseffect
    zo spelen ook processen in de oceaan, de geosfeer (bodemlagende deel van de aarde), de cryosfeer (deel van de aarde dat bedekt is met sneeuw en ijs) en de biosfeer een grote rol in het versterkte broeikaseffect.

    voor het klimaat is energie in de vorm van elektromagnetische straling (stralingsenergie) verreweg het belangrijkst. het klimaat wordt aangedreven , geforceerd door deze stralingsenergie. we spreken over stralingsforcering.

    we spreken ook vaak van kortgolvige straling (UV-straling, straling in het zichtbare gebied en het nabije infrarood) en langgolvige straling (thermische infrarode straling). de stralingsforcering bestaat dus uit kort-en langgolvige straling.

    behalve emissie (het uitzenden) van straling, vindt op elk voorwerp ook absorptie plaats.

    in het gebied van 8-12 um is de absorptie relatief zwak, we noemen dit het atmosferische venster. absorptie van zowel kortgolvige als langgolvige straling door atmosferische gassen bepaalt de transmissiviteit of doorlaatbaarheid van de atmosfeer. de transmissiviteit bepaalt dus hoeveel straling de aarde weer verlaat. de transmissiviteit van de atmosfeer is dus afhankelijk van de golflengte.

    de langgolvige straling die het aardoppervlak uitzendt, wordt voor een groot deel weer door de atmosfeer geabsorbeerd. de atmosfeer zendt op haar beurt de geabsorbeerde straling weer in alle richtingen uit, dus ook in de richting van het aardoppervlak. deze infrarode straling is hierdoor een extra bron van energie voor het aardoppervlak. deze extra energiebron heet ook wel atmosferische tegenstraling.

    het broeikaseffect:
    de almaar stijgende antropogene emissies van broeikasgassen veroorzaken dat de atmosfeer steeds meer langgolvige straling absorbeert. hierdoor neemt ook de atmosferische tegenstraling toe waardoor het klimaat kan veranderen: het versterkt broeikaseffect.

    de planetaire albedo alpha is de fractie van het invallende zonlicht, die uiteindelijk naar de wereldruimte wordt teruggekaatst. 

    evenals convectie het verschil in stralingsbalans tussen aardoppervlak en atmosfeer gemaakt, zo zorgt circulatie in oceaan en atmosfeer ervoor dat er voldoende energie naar de (sub) polaire gebieden stroomt. 

    op het noordelijk halfrond kunnen de golfstroom en de kuro shio worden opgevat als twee grote pompen, die voortdurend warmte naar de gematigde breedten sturen. in de noordatlantische oceaan dringt het warme zeewater tot in het poolgebied door, wat leidt tot een zeer zacht klimaat in het noordwesten van europa.

    verticale bewegingen in de oceaan worden evenals in de atmosfeer bepaald door dichtheidsverschillen, maar deze verschillen worden in de oceaan bepaald door verschillen in temperatuur en saliniteit.

    samenvatting
    het klimaat wordt aangedreven door energie in de vorm van elektromagnetische straling. deze stralingsformering bestaat uit korte- en langgolvige straling. de aarde ontvangt kortgolvige straling van de zon en zendt langgolvige straling uit. de transmissiviteit van de atmosfeer wordt bepaald door absorptie van zowel kortgolvige als langgolvige straling. zuurstof en ozon zijn de belangrijkste gassen die het ultraviolette deel absorberen. absorptie van infrarode straling vindt vooral plaats door waterdamp en koolstofdioxide maar ook lachgas, ozon en methaan dragen bij. de atmosferische tegenstraling is een extra bron van stralingsenergie waardoor het aardoppervlak een hogere temperatuur heeft dan wanneer er geen atmosfeer zou zijn: het broeikaseffect. de stralingsbalans varieert over de aarde; in de verticaal en met de geografische breedte. in het algemeen is er geen stralingsevenwicht. omdat de energiebalans nul moet zijn vindt transport van energie plaats.energie-evenwicht tussen aardoppervlak en atmosfeer wordt bereikt door convectie; circulatie in oceaan en atmosfeer zorgt ervoor dat er voldoende energie naar de sub polaire gebieden stroomt. 
    1. In het hoofdstuk onder 'Bronnen' wordt een reden genoemd waarom juist gemeenschappelijke natuurlijke hulpbronnen, zoals vispopulaties, vaak overgeëxploiteerd worden. Welke is dat? 
      Probeer zelf nog een paar redenen te bedenken.
    2. De genoemde economische terugkoppeling werkt niet (altijd), vispopulaties kunnen bijvoorbeeld geheel uitsterven door overbevissing. Bedenk wat hiervan de oorzaak kan zijn (geef minimaal twee oorzaken).

    1. overexploitatie treedt vooral op wanneer het gaat om hulpbronnen die door verschillende personen, partijen, of landen worden geëxploiteerd. 
    als een van hen meer dan zijn aandeel neemt, heeft hij daar op korte termijn het volledige voordeel van. het nadeel op langere termijn wordt gedeeld door met de andere exploitanten. gemeenschappelijke exploitatie leidt daarom dikwijls tot een graaicultuur, die niet duurzaam is .

    3. 
  • wat kwam in de 17 eeuw ten volle bloei?
    vooral het ontwikkelen van kennis over de fysieke omgeving met behulp van experimenten heeft een grote vlucht genomen. deze tak van wetenschap wordt aangeduid als de moderne natuurwetenschap.
  • waar zorgde deze wetenschappelijke revolutie voor ?
    deze wetenschappelijke revolutie vormde weer de basis voor de technologie-ontwikkeling, dat kan worden beschouwd als een proces van co-evolutie van technische innovaties en de sociale context waarbinnen deze verlopen.
  • wat is sinds de industriële revolutie ook sterk ontwikkeld?
    sinds de industriële revolutie zijn ook de sociale wetenschappen sterk ontwikkeld. deze tak van wetenschap richt zich op het op een systematische wijze bestuderen van individueel en collectief gedrag van mensen en op de structuur, ontwikkeling en functioneren van vormen van samenleven.
  • wat is de natuurwetenschappelijke methode
    in de ontwikkeling van natuurwetenschappen zijn waarnemen, experimenteren en redeneren onlosmakelijk met elkaar verbonden. uit resultaten van waarnemingen en experimenten wordt via redeneren een hypothese, een model of een theorie opgesteld.
  • in een geïdealiseerd schema kan de natuurwetenschappelijke methode als volgt worden omschreven:
    1.het begint met het systematisch verzamelen van waarnemingen en het verrichten van kwantitatieve metingen die relevant zijn voor het gestelde probleem.
    2.de verkregen gegevens worden systematisch geordend en geanalyseerd met als doel hierin bepaalde regelmatige patronen te ontdekken. op grond daarvan kan dan een hypothese worden ontwikkeld waarmee de waarnemingen verklaard zouden kunnen worden. impliciet aan de hypotheses is het aannemen van voorspelbare, maar nog niet waargenomen gebeurtenissen.
    3. bij een goed opgestelde hypothese zijn de mogelijkheden en beperkingen van de experimentele benadering relatief eenvoudig aan te geven.
  • hoe wordt de natuurwetenschappelijke methode ook wel genoemd ?
    de natuurwetenschappelijk methode wordt ook wel de empirische cyclus genoemd. dit omdat er sprake is van een cyclisch gebeuren.
  • wat is een theorie?
    een theorie is een geheel van samenhangende hypothesen, waarin veel verschijnselen met elkaar in verband worden gebracht. een theorie heeft dus een groot geldigheidsgebied, maar evenals hypothesen kunnen ook wetenschappelijke theorieën worden verworpen, door resultaten van nieuw onderzoek.
  • kwaliteit van wetenschap
    een belangrijk kwaliteitscriterium voor wetenschappelijk onderzoek is de toepasbaarheid van de gestelde hypotheses. een hypothese moet verworpen dan wel bevestigd kunnen worden na een experimenteel onderzoek.
  • wat is reductionisme

    dit opsplitsen van een probleem wordt analyse genoemd. de werking van een orgaan wordt dan bv bestudeerd op het niveau van de cellen van het orgaan, of van processen in deze cellen. de gedachtegang die hier achter zit is het:reductionisme is een verschijnsel op een bepaald niveau dat wordt herleid (gereduceerd) tot processen op een lager niveau. in de biologie is dit reductionisme zeer vruchtbaar gebleken, veel verschijnselen op een bepaald organisatieniveau zijn goed te begrijpen bij voldoende kennis van de lagere niveaus. 

    het reductionisme heeft een sterke voorkeur voor een gecontroleerde experimentele aanpak met voldoende herhalingen, waarbij enkele factoren worden gevarieerd en gepoogd wordt clausule verbanden aan te tonen.
  • wat is holisme?
    de holisten zijn het principieel niet eens met de stelling van de reductionisten dat alles te herleiden valt tot processen op een lager niveau. het holistische devies luidt "het geheel is meer dan de som der delen", waarmee bedoeld wordt dat het geheel andere, unieke eigenschappen heeft, die niet af te leiden zijn uit de eigenschappen van de delen.

    het holisme pleit voor een observerende benadering, waarbij veel metingen aan allerlei variabelen van het systeem worden verricht en in de datasets gezocht wordt naar correlatieve verbanden.
  • de sociaal-wetenschappelijke methode
    de natuurwetenschappen bestuderen de fysieke omgeving. in die omgeving kan kwantitatief worden gemeten, vaak met behulp van van zeer kostbare en geavanceerde apparatuur. de sociale wetenschappen bestuderen het gedrag van mensen en het functioneren van samenlevingen.
  • belangrijke terugkoppelingen, positieve en negatieve
     als een initiele temperatuurverandering door zo'n proces wordt versterkt spreken we van een positieve terugkoppeling wordt de verandering tegengegaan dan heet dat een negatieve terugkoppeling.
  • albedoterugkoppeling
     de meest eenvoudige terugkoppeling is gerelateerd aan de hoge albedo van ijs en sneeuw:albedoterugkoppeling.

    de albedoterugkoppeling is een positieve terugkoppeling en kan in het kort als volgt worden gekarakteriseerd: lagere oppervlaktetemperatuur -> meer sneeuw en ijs -> hogere planetaire albedo -> minder absorptie kortgolvige straling -> lagere effectieve stralingstemperatuur, en zeer waarschijnlijk lagere oppervlaktetemperatuur.
  • warmtedampterugkoppeling
    waterdampterugkoppeling: hogere oppervlaktetemperatuur -> sterkere absorptie langgolvige straling -> sterker broeikaseffect -> hogere effectieve stralingstemperatuur -> hogere oppervlaktetemperatuur. deze terugkoppeling is dus positief.
  • dimethylsulfide terugkoppeling

    dimethylsulfide volgens deze hypothese leidt een warmer klimaat tot een grotere oceanische productiviteit en grotere populaties van fytoplankton die dimethylsulfide uitstoten -> een hogere concentratie van sulfaataerosolen-> een minder warm klimaat. (negatieve terugkoppeling)
    via de fotosynthese zetten planten zonlicht, water en CO2 om in zuurstof en organische producten. een gedeelte van de CO2 wordt s'nachts via respiratie (omgekeerde proces van fotosynthese) weer aan de atmosfeer teruggegeven. De netto hoeveelheid koolstof die wordt opgeslagen heet netto-primaire productie (NPP). respiratie en NPP zijn beide afhankelijk van de temperatuur, maar de richting waarin de terugkoppelingen werken is onzeker.
  • CO2-fertilisatieterugkoppeling
    door de stijgende terugkoppeling is de CO2-fertilisatieterugkoppeling. door de stijgende CO2 concentraties kunnen planten onder ideale omstandigheden meer biomassa aanmaken, dus meer CO2 vastleggen. er is dan sprake van een negatieve terugkoppeling.
  • wat doen de huidmondjes
    planten kunnen waterverlies beperken door de huidmondjes zoveel mogelijk gesloten te houden. dit levert weer een ander probleem op, nl dat nu de opname van CO2 belemmerd wordt en de fotosynthese beperkt.

    bij een hogere CO2-concentratie hoeven de huidmondjes korten open te blijven om toch dezelfde hoeveelheid CO2 op te nemen. dus als de CO2-concentratie stijgt gaan de planten wel effectiever met water om, maar hoeft de CO2 opname niet toe te nemen.

    een stijging van de temperatuur beïnvloedt zowel de snelheid van fotosynthese als van respiratie.

    een mondiale stijging van de temperatuur zal ook leiden tot een verhoogde respiratie in de bodem. dat leidt dan weer tot een verhoogde afgifte van CO2, en dus ook weer tot een versterking van het broeikaseffect. deze respiratieterugkoppeling versterkt dus het antropogene effect op het klimaat.
  • wat zijn autotrofe organismen ?
    dit zijn organismen die voor hun energie- en bouwstoffenvoorziening onafhankelijk zijn van anderen. daartoe behoren de meeste groene planten en veel bacterien.
    betrekken hun energie uit zonlicht en ze gebruiken anorganische ionen en moleculen als bouwstoffen.
    1. Waarom is algenbloei in de oceanen van belang bij het modelleren van klimaatverandering?
    Algenbloei is de motor van de ‘biologische pomp’, waarmee koolstof uit de atmosfeer van de bovenste waterlagen naar de diepe oceaan wordt getransporteerd.De pomp werkt als volgt: door fotosynthese nemen de algen in water opgelost CO2 op, de algen worden gegeten door zooplankton, en een deel van de door het zooplanktonuitgescheiden organische afvalstoffen (fecal pellets) bereikt de diepe lagen van de oceaan.Algenbloei speelt dus een belangrijke rol in de uitwisseling van CO2 tussen oceaan en atmosfeer. Door de enorme hoeveelheid CO2 in de oceanen heeft de balans in deze uitwisseling grote invloed op het CO2-gehalte van de atmosfeer, wat op haar beurt weer het klimaat bepaald. Momenteel fungeren de oceanen nog als ‘netto-sink’ van CO2.
  • wat zijn heterotrofe organismen
    organismen die voor hun energie en / of bouwstoffenvoorziening afhankelijk zijn van anderen. alle dieren, de niet groene planten (bv schimmels) en diverse bacterien zijn heterotroof. heterotrofe organismen benutten organische moleculen, die ze als voedsel uit de omgeving opnemen, als energie- en koolstofbron.
  • wanneer kunnen autotrofe organismen bestaan ?
    in een ecosysteem hangen af van de beschikbaarheid van anorganische koolstof, energie, mineralen en van de temperatuur.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

wat is een milieuprobleem?
3
"Naar een postnormale wetenschap"?
3
wat is postnormale wetenschap?
3
verschillende visies op de relatie tussen wetenschap en milieubeleid
3
Pagina 1 van 49