PFA

by
126 Flashcards en notities
9 Studenten

Studeer slimmer met eFaqt samenvattingen

  • Beschikbaar voor computer, tablet, telefoon en op papier
  • Vragen met antwoorden over de leerstof
  • Ongelimiteerde toegang tot 300.000 online samenvattingen
  • Tools voor slim studeren & timers voor betere resultaten

Bekijk deze samenvatting

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - PFA

  • 1 PFA

  • Benoem 6 functies van het spijsverteringskanaal
    - Opname voedsel (eten+drinken)
    - Mechanische verkleining en mening voedsel (kauwen+kneden)
    - Chemische bewerking door enzymen
    - Vervoer van voedsel door het spijsverteringskanaal (peristaltiek)
    - Overdracht van voedingsstoffen aan het bloed (resorptie)
    - Uitscheiding van onverteerde en onverteerbare stoffen (ontlasting)
  • Wat zijn enzymen?
    Een enzym is een eiwit dat een bepaalde reactie versnelt zonder daarbij zelf verbruikt te worden.
  • Wat is de functie van een enzym?
    Het versnelt een bepaalde reactie en wordt daarbij niet zelf verbruikt. Verteringsenzymen koppelen aan eiwitten, vetten of zetmeel en stimuleren dan de afbraak. Leverenzymen versnellen vooral de omzetting van voedingsstoffen
  • Benoem het afbraakproduct, betrokken enzym en plaats van afbraak van de voedingsstof koolhydraten
    Afbraakproduct: monosachariden
    Betrokken enzym: amylase
    Plaats van afbraak: mond en dunne darm
  • Benoem het afbraakproduct, betrokken enzym en plaats van afbraak van de voedingsstof vetten
    Afbraakproduct: vetzuren
    Betrokken enzym: lipase
    Plaats van afbraak: dunne darm
  • Benoem het afbraakproduct, betrokken enzym en plaats van afbraak van de voedingsstof eiwitten
    Afbraakproduct: aminozuren
    Betrokken enzymen: pepsine trypsine dipeptase
    Plaats van afbraak: maag en dunne darm
  • Benoem 6 verschillende voedingsstoffen
    Koolhydraten
    Lipiden
    Eiwitten
    Mineralen
    Vitaminen
    water
  • Koolhydraten (suikers, sacharide, sacharose) zijn de belangrijkste energieleveranciers van cellen (brandstof)
  • Koolhydraten bestaan uit 3 groepen moleculen :
    o Monosachariden
    o Disachariden
    o Polysachariden

    Alle koolhydraten in voedsel worden afgebroken tot monosachariden.
  • Chemische afbraak
    1. Amylase ‘’knipt’’ de zetmeelketens in disachariden (maltose)
    2. Maltase splitst de maltosemoleculen in 2 glucosemoleculen
    3. Lactase splitst lactose in glucose en galactose
    4. Sacharase splitst sacharose in glucose en fructose
  • Monosachariden

    Eén ringvormig


    3 typen c6-ring:
    o glucose (druivensuiker)
    o fructose (vruchtensuiker)
    o galactose


    C5-ring: ribose


    Zijn klein, zodat ze door celmembraan getransporteerd kunnen worden. C6H12O6
  • Disachariden

    Zijn opgebouwd uit 2 monosachariden C12H22O11


    Meest voorkomende:
    o Maltose of moutsuiker (glucose + glucose)
    o Lactose of melksuiker (glucose +galactose)
    o Sacharose of bietsuiker (glucose + fructose)


    Worden in spijsverteringskanaal gesplitst in monosachariden
  • Polysachariden

    Bestaan uit veel monosachariden (C6H12O5)n


    Meest voorkomende:
    o Zetmeel (plantaardig)
    o Glycogeen (dierlijk)
    o Cellulose (plantaardig)


    Glycogeen is een glucoseopslag en wordt in de lever en in de skeletspieren gevormd.


    Zetmeel en cellulose zijn alle twee plantaardig. Cellulose (vezels) kan door de mens niet worden verteerd, maar bevorderd peristaltiek en darmsapafscheiding.
  • Wat zijn lipiden?
    Vetten, niet in water oplosbaar
  • Wat zijn de functies van lipiden? (5 antwoorden)
    - Brandstof, verbranden glucose
    - Energiereserve (vetweefsel)
    - Bouwstof (celmembraan)
    - Oplosmiddel voor vitaminen
    - Elektrische isolatie rond zenuwuitloper
  • Benoem de 3 typen lipiden en hun functie
    3 typen lipiden:

    - Triglyceriden
    echte vetten -> glycerolmolecuul en 3 vetzuren.
    vetzuren: verzadigde (geen dubbele bindingen), onverzadigde (één dubbele binding) vetzuren en meervoudig onverzadigd (meerdere dubbele bindingen).


    - Fosfolipiden
    celmembranen


    - Steroïden
    cholesterol, belangrijk bestanddeel van celmembraan
  • Afbraak lipiden:

    Worden in het spijsverteringskanaal afgebroken tot glycerol en vetzuren, hierbij is maar één type enzym bij nodig: lipase. Splitst vetzuren van glycerol. Kleinere vetzuren kunnen via de darmwand direct in de bloedcapillairen worden opgenomen.
    Grotere vetzuren worden via de darmwand opgenomen in het lymfecapillairnetwerk en komen via het lymfestelsel in het bloed terecht.
  • Eiwitten Of proteïnen spelen een rol bij alle cel activiteiten en levensverrichtingen.

    Functies eiwitten:
    - Als bouwstof (structuureiwitten).
    - Als enzymen (chemische omzetting).
    - Voor de signaalwerking : receptoreiwitten in het celmembraan fungeren als soort antenne, waarmee signalen worden opgevangen en aan de cel worden doorgegeven.
    - Voor de spierwerking.
    - Voor de afweer: antistoffen zijn eiwitten.
    - Voor de hormonale werking: veel hormonen zijn eiwitten.
    - Voor de bloedstolling: veel stollingsfactoren zijn eiwitten.
    - Voor de werking van het zenuwstelsel: overdracht impulsen via neurotransmitters en neuroreceptoren, dit zijn veelal eiwitten.
    - Eiwitten kunnen in noodgevallen als energiebron fungeren, als er geen glucose of vetten meer beschikbaar zijn.
  • Indeling eiwitten:
    Eiwitten zijn aan elkaar gekoppelde aminozuren (20 verschillenden aminozuren)

    Peptidebinging: koppeling tussen twee aminozuren


    Eiwitten worden ingedeeld op basis van een aantal aminozuren waaruit ze bestaan: 
    - Dipeptiden: 2 aan elkaar gekoppelde aminozuren 
    - Kleine polypeptiden: kleine eiwitten met minder dan duizend aminozuren  - Grote polypeptiden: grote eiwitten met duizend tot tienduizend aminozuren
  • Afbraak eiwitten:
    Eiwitten worden afgebroken met enzymen: proteïnasen/proteasen .

    Voorbeelden proteïnasen zijn: dipeptidase, pepsine en trypsine. De aminozuren kunnen via de darmwand in de bloedbaan worden opgenomen.


    Niet-essentiële aminozuren: aminozuren die niet in het voedsel hoeven te zitten, kan het lichaam zelf aanmaken.


    Essentiële aminozuren: moeten wel in voedsel zitten.
  • Mineralen  - Anorganische bestanddelen van voedsel.

    Tot de mineralen behoren elektrolyten (zouten) en de spoorelementen.


    Elektrolyten zijn verantwoordelijk voor de kristalloïd-osmotische waarde van het bloed en weefselvocht; en pH-waarde constant houden.


    Spoorelementen zijn chemische elementen. Meestal metalen. Maken deel uit van hormonen, vitaminen en enzymen.
  • Vitaminen -  Organische verbindingen die onmisbaar zijn voor de enzymsystemen en celstofwisseling.

    Vitamine D en K kan het lichaam zelf maken.


    2 groepen vitaminen:
    - Water oplosbare vitaminen (B-complex, C)
    - Vet oplosbare vitaminen (A, D, E, K)
  • Water - Belangrijke bouwstof van het lichaam.

    Functies:
    - Oplosmiddel
    - Transportmedium
    - Warmtebuffer


    Het lichaam raakt het water kwijt door: urinelozing, ontlasting, verdamping(transpireren en ademhalen).
    Tussen de 2 en 2,8L per dag. Het lichaam kan geen waterreserves aan leggen, daarom kan je niet lang zonder vocht.
  • De spijsverteringsfuncties omvatten:
    - Ingestie -  het innemen van voedsel, vocht en medicijnen via het spijsverteringskanaal
    - Mechanische verwerking
    - Vertering

    1. Mechanische vertering
    2. Chemische vertering
    - Secretie - Afscheiding van stoffen (bv: speeksel) door speciale organen (speekselklieren)
    - Opname
    - Uitscheiding
  • Hoofdonderdelen  van het spijsverteringsstelstel (tractus digestivus):
    - Mondholte (cavum oris)
    - Keelholte (pharynx)
    - Slokdarm (oesophagus)
    - Maag (gaster, ventriculus)
    - Alvleesklier (pancreas)
    - Lever (hepar)
    - Galblaas - Vesica fellea
    - Dunne darm (duodenum, jejunum, ileum)
    - Dikke darm (colon caecalis, ascendens, transversum, descendens,sigmoideum)
    - Endeldarm (rectum)
    - Anus
  • Organen die de spijsvertering ondersteunen:
    - Speekselklieren
    - Pancreas (alvleesklier)
    - Hepar (lever)
    - Vesica fellea (galblaas)
  • Algemene bouw van de wand van het spijsverteringskanaal
    De wand bestaat uit 6 lagen:
    Van binnen naar buiten:
    1. Slijmvlies - Mucosa (glijmiddel en bescherming)
    2. Losmatig bindweefsel - Submucosa (isolatie)
    3. Glad spierweefsel - muscularis mucosae (ondersteunen klierafgifte)
    4. Bindweefsellaagje - submucosa (Dikke bindweefsellaag met bloedvaten/lymfen/zenuwen)
    5. Spiergedeelte - muscularis (peristaltiek) spiergedeelte van de wand; twee lagen: circulaire spierlaag (kringspieren, en longitudinale spierlaag (lengtespieren)
    6. Viscerale blad - serosa (van buikvlies), niet aanwezig rond slokdarm
  • Verplaatsing van de spijsbrij
    • Onwillekeurige regulering van de gladde spieren van de muscularis externa
    • Twee soorten beweging:   
    1) Peristaltiek duwt de spijsbrij door het spijsverteringskanaal   
    2) Segmentatiebewegingen kneden en verkleinen de spijsbrij in de dunne darm
  • Cavum oris (mondholte)
    Functies v.d. mondholte:
    - Spraak
    - Smaakzin
    - Zintuiglijke analyse van mogelijk voedsel
    - Mechanische verwerking m.b.v. tanden, tong en gehemelte
    - Bevochtiging van voedsel door slijm in speeksel
    - Begin van vertering door enzymen in speeksel   (bevat amylase, een enzym dat zetmeel afbreekt
  • Begrenzing van de mondholte:
    Palatum :  Gehemelte scheiding tussen mond- en neusholte
    Palatum durum : Voorste gedeelte van het gehemelte Bevat botweefsel Palatum molle : Achterste gedeelte van het gehemelte Bevat spierweefsel
    Uvula : huig
    Farynxbogen : Achterste gehemelte bogen
    Tonsillen : Keelamandelen
    Lipteugel : Mediaal vlies dat de lip met het tandvlees verbindt
  • Lungua
    Tong
  • Gebit:
    - Maxilla: bovenkaak
    - Mandibula: onderkaak
    - Occlusie: tanden en kiezen passen boven elkaar
    - Dentes sapientiae: verstandskiezen
  • Gebit bestaat uit 32 elementen, maxilla en mandibula verdeeld in vier kwadranten:
    - Twee dentes incisivi: snijtanden
    - Een dens caninus ofwel dens cuspidatus : hoektanden
    - Twee dentes premorales: valse kiezen
    - Drie dentes molares: ware kiezen
  • Een tand of kies bestaat uit 3 delen:
    - Kroon
    - Hals
    - Wortel
  • Glandula Parotis - oor speekselklier 
    Glandula Submandibularis - onderkaak speekselklier 
    Glandula Sublingularis - ondertong speekselklier
  •  Slikreflex m.b.v. epiglottis, tegenovergestelde is kokhalsreflex
  • Delen pharynx (keelholte) van boven naar beneden:
    o Nasopharynx: achter neusholte, adem
    o Oropharynx: ter hoogte van de mond, adem en voedsel
    o Laryngopharynx: van strottenhoofd tot slokdarm
  • Slokdarm - Oesophagus 
    Drie vernauwingen:
    o achter strottenhoofd
    o achter splitsing luchtpijp
    o waar de slokdarm door het diafragma gaat
  • Sfincter - sluitspier
    o faryngo-oesofageale sfincter (alleen open tijdens slikken)
    o gastro-oesofageale sfincter (niet terugstromen van maaginhoud)
  • Maag - Gaster - Ventriculus
     Van boven naar beneden:
    o  Cardia: maagingang, onder sfincter
    o  Fundus: maagkoepel, gas -> boeren
    o  Corpus: maaglichaam
    o  Pars pylorica of antrum: maaguitgang (via maagstraat), aansluitend op duodenum
    o Pylorus: maagportier, met kringspier m. sphincter pylori (sluit maag af van duodenum)
  • (Maag, Gaster) --> Crypten is de ruimten tussen de uitstulpingen: maagsap produceren.
  • (Maag, Gaster) --> Maagwandcellen produceren de intrinsieke factor en zoutzuur
  • Maagsap bestaat uit pepsinogeen (wordt omgezet in pepsine), zoutzuur, de intrinsieke factor (vit. B12 verteren) en slijm (beschermen maagwand). o

    Regulatie:     
    - Neurale regulatie: door zien, denken proeven ect. Bv: door spanning maagsap remmen -> geen honger     
    - Hormonale regulatie: komt op gang wanneer voedsel in contact komt met de maagwand -> gastrine -> extra maagsap.
    - Geen voedsel en lage zuurgraad? -> gastrine productie neemt af. 
    - Functie als afweer door zuurgraad.
  • Ontstaan Chymus. (met vetten is nog niets gebeurd) En afgeven door pylorusreflex: komt op gang bij contact met duodenum wand -> minder zuur maken door prosecrine.
  • Alvleesklier - Pancreas 
    - Pancreasbuis vervoerd sap richting het duodenum en krijgt dit van zijn kliertrossen. (Papil van Vater) 
    - Exocriene klier (sap gaat naar buiten) 
    - Endocriene klier (hormoon gaat naar bloed) o Eilandjes van Langerhans: maken insuline en glucagon. (alfa en bètacellen)
  • Suikerspiegel handhaven

    Insuline: Glucose -> Glucogeen : Te veel suiker! Glucogeen opslaan in lever.

    Glucagon: Glycogeen -> Glucose Te weinig suiker! Het opgeslagen glycogeen uit lever halen en omzetten in glucose! (patiënt met suikerziekte heeft een ontsteking, glucagon spuiten door energieverbruik)
  • Lever - Hepar 
    - De leverslagader vervoert zuurstofrijk bloed naar de lever. 
    - De poortader vervoerd voedingsrijk bloed (vanuit darm geresorbeerd) maar zuurstofarm naar de lever. 
    - De leveraders vervoeren zuurstofarm bloed uit de lever.
  • Galwegen en galblaas

    De mucusa van de galblaas ontrekt water aan de galvloeistof -> dik en donkergroen. 
    Gal wordt in de lever gemaakt en in de galblaas opgeslagen. 
    Gal nodig voor vet verteren.
  • Buikvlies - Peritoneum 

    - Binnenblad: Viscerale 
    - Buitenblad: Parietale 
    - Ertussen sereus vocht -> wrijving opvangen.

    o Intraperitoneaal: binnen buikvlies
    o Extraperitoneaal: buiten het buikvlies 
    - Retroperitoneaal: achter het buikvlies 
    - Subperitioneaal: onder het buikvlies 
    - Preperitioneaal: voor het buikvlies. 

    Mesenterium: daaraan zijn een aantal buikorganen opgehangen.


    - Mesenterium dorsale: verbindt jejunum, ileum en delen van colon met dorsale deel van de buikwand.



    -Mesenterium ventrale: 
    - ligamentum falciforme (voorste buikwand naar lever) 
    - omentum minus (tussen lever en maag) 
    - omentum majus (vanuit maag tot darmen) 

    Peritoneale ruimten
    o bursa omentalis: achter maag (maag vol = holte kleiner)
    o vrouw: 
    excavatio vesico-uterina: tussen urineblaas en uterus 
    excavatio recto-uterina: tussen uterus en rectum (ruimte van douglas)
    o man: 
    excavatio rectovesicalis
  • Icterus - enterohepatische kringloop

    Geelzucht.
     Is een gevolg van ophoping van bilirubine. Bilirubine ontstaat als afvalproduct van rode bloedcellen.  In de lever wordt van bilirubine gal gemaakt. Verhoogde concentratie bilirubine in het bloed -> geelzucht.
Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Benoem 6 functies van het spijsverteringskanaal
2
Wat zijn enzymen?
2
Wat is de functie van een enzym?
2
Benoem het afbraakproduct, betrokken enzym en plaats van afbraak van de voedingsstof koolhydraten
2
Pagina 1 van 4