Motorische stelsel

by
145 Flashcards en notities
3 Studenten
  • Deze samenvatting
  • +380.000 andere samenvattingen
  • Een unieke studietool
  • Een oefentool voor deze samenvatting
  • Studiecoaching met filmpjes
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Motorische stelsel

  • 1 Motorische stelsel

  • Functie van het skelet:
    - Steun tegen zwaartekracht
    - Opslag: calcium, fosfor, vet
    - Bloedcelproductie
    - Bescherming van de zachte inwendige organen
    - Hefboomwerking voor spierbewegingen
  • Bouw van een bot


    Botweefsel is een steunweefsel met een heel stevig matrix, dit bestaat uit:
    • Kalkzouten waaruit ongeveer 2/3 van het matrix bestaat, dit zorgt voor de stevigheid 
    • Collagene vezels die het bot een zekere veerkracht geven (1/3) Het botweefsel heeft een lamellaire bouw: Het bestaat uit allemaal laagjes (lamellen). In elke lamel hebben de collagene vezels dezelfde richting. Doordat de vezelrichting in de volgende lamel steeds anders is dan die van de vorige, krijgt het botweefsel een grote stevigheid. 

    Bot is opgebouwd uit: osteocyten, osteoclasten, osteoblasten, calciumfosfaten en collagene vezels. 

    Osteoclasten  botafbraak, door de afbraak worden de mineralen vrijgemaakt. 

    Osteoblasten  botopbouw 

    Lacunen: openingen waar de botcellen in liggen. 

    Botweefsel heeft een intensieve stofwisseling en is dan ook goed doorbloed. Het doorloopt een voortdurende cyclus van afbraak en opbouw. Hoewel botten (ossa, enkelvoud: Os) erg variëren in grootte en vorm, hebben ze een gemeenschappelijk opbouw. In een bot tref je dan ook altijd de volgende delen aan: Periost, Substantia compacta, substantia spongiosa. Endost = binnenvlies
  • Periost 

    Al je botten omgeven doorperiost (beenvlies):
    • Bestaat uit straf bindweefsel
    • Bevat veel sensibele zenuwen
    • De beste aanhechtingsplaats voor pezen en gewrichtskapsels. 
    • Voorziet het bot van vloed door middel van aanvoerende en afvoerende bloedvaten. Deze dringen het bot binnen via uitparingen in het bloed,volkmannkanalen. De collagene vezels van het bindweefsel zijn stevig verankerd in de buitenste laag van het botweefsel. 
  • Substantia compacta

    Tegen het periost aan ligt een laag substantia compacta(hart botweefsel):
    • Buitenste laag  bestaat uit een aantal lamellen, die het hele oppervlak van het bot volgen en er evenwijdig aan lopen. 
    • Meer naar het midden  bestaat uit lange zuilen van botweefsel. Zo’n zuil wordt eenosteon (botbuis)genoemd.  In een osteon liggen 8 tot 15 lamellen concentrisch rond een centraal kanaal met bloed- en lymfevaten = haverskanaal. 
    • Tussen de lamellen bevinden zich osteocyten (botcellen) die met hun vele cytoplasmatische uitlopers de uitwisseling van stoffen tussen het botweefsel en het bloed verzorgen. 
  • Substantia spongiosa


    Dit is sponsachtig botweefsel, dit wordt zo genoemd vanwege het uiterlijk. 
    • Heeft de lamellaire opbouw, maar de lamellen zijn in een netwerk van beenbalkjes gestructureerd, met kleine holtes daartussen. 
    • De kleine holtes tussen debeenbalkjes bevatten: rood beenmerg, waarin bloedcelvorming plaatsvindt.  De beenbalkjes zijn zo geordend dat de meest voorkomende drukkrachten die het botstuk te verduren heeft optimaal opgevangen kunnen worden. Deze structuur geeft zo groot mogelijke stevigheid bij een zo klein mogelijk gewicht. 

    • Er bevinden zich geen osteronen en geen haverskanelen in de substantia spongiosa. 

  • Botweefsel is geen dode stof, het is rijk doorbloed en heeft een hoge stofwisseling. Botweefsel vertoont bovendien een constante cyclus van afbraak en opbouw, waardoor de specifieke botstructuur wordt behouden, hersteld of versterkt. 
    • Osteoclasten gespecialiseerde bindweefselcellen die zorgen voor de afbraak.
    • Osteoblasten  beenvormende bindweefselcellen
  • Het proces: bij botafbraak en botopbouw 
    De osteoclasten, dit zijn grote bindweefselcellen die zuren en enzymen afscheiden. Deze stoffen breken het botweefsel van een osteon af. Hier groeit vervolgens een bloedvat in, waarna de osteoblasten tegen de wand van het gat lamellen afzetten. Tegen de tijd dat er ene nieuw osteon gevormd is, zijn de osteoblasten uitgewerkt en veranderen ze in osteocyten. 
  • Belangrijk voor de botvorming en groei:

    Mineralen  calcium, fosfaat

    Vitaminen  vitamine D3, C, A 

    Hormonen  groeihormoon, geslachtshormoon, schildklierhormoon, PTH Calcitocine etc.
  • 3 soorten botgroei / vorming :
    - Intramembraneuze verbening:
    •  verbening = proces van omzetting van andere weefsels in botweefsel
    •  Vormt platte schedelbotten, onderkaak, sleutelbeen
    •  Stamcellen differentieren in osteoblasten.
    •  Produceert substantia spongiosa, daarna substantia compacta
    - Enchondrale verbening: Kraakbeencellen worden omgezet tot botcellen.

    - Appositionele botgroei: Groeit vanuit het periost.
  • Soorten botten: 1. Pijpbeenderen
    •  Lange botten
    •  Bieden grote steun aan het lichaam
    •  Werken goed als hefboom
    •  Het vrij dunne middengedeelte heet diafyse (schacht)
    •  De uiteinden heten epifysen
    •  Op de grens tussen de epifyse en de diafyse bevindt zich een smalle laag substantia compacta: hier vind tijdens de ontwikkeling de lengtegroei plaats: dit wordt tijdens de groei
      epifysaire schijf (groeischijf) genoemd.


    Van arm en hand:
    •  Humerus (opperarmbeen)
    •  Ulna (ellepijp)
    •  Radius (spaakbeen)
    •  Ossa metacarpi (middenhandsbeentjes)
    •  Ossa digitorum manus (vingerkootjes) 



    Van been en voet:
    •  Femur (dijbeen)
    •  Tibia (scheenbeen)
    •  Fibula (kuitbeen)
    •  Ossa metatarsi (middenvoetsbeentjes)
    •  Ossa digitorum pedis (teenkootjes)
  • Soorten botten: 2. Platte beenderen
    •  Breed, lang en altijd plat
    •  Bestaan hoofdzakelijk uit substantia compacta, met daartussen een dun laagje substantia spongiosa.
    •  Door grote oppervlak zeer geschikt voor aanhechting van
    spieren.
    •  Sommige dienen ter bescherming van onderliggende

    organen.


    Voorbeelden:
    •  Ossa cranii (schedelbeenderen)
    •  Scapulae (schouderbladen)
    •  Ossa coxae (heupbeenderen)
    •  Costae (ribben)
    •  Sternum (borstbeen)
  • Soorten botten: 3. Korte beenderen
    •  Vrij klein en meestal even lang als breed
    •  Dunne substantia compacta met binnenin substantia spongiosa
    • Zijn geschikt om krachten te verdelen die ontstaan bij mechanische belasting

      Voorbeelden:
    •  Ossa carpi (handwortelbeentjes)
    •  Ossa tarsi (voetwortelbeentjes)
    •  Patellae (knieschijven)
  • Soorten Botten: Onregelmatige beenderen
    •  Hebben uiteenlopende vormen en functies
    •  Veelal dunne substantia compacta en zijn gevuld met substantia spongiosa

      Voorbeelden:
    •  Schedelbasisbeenderen
    •  Maxilla (bovenkaak)
    •  Mandibulla (onderkaak)
    •  Gebitselementen
    •  Vertebrae (wervels
    •  Os hyoideum (tongbeen)
  • Botten Nederlandse namen - Latijnse namen
    1. Cranium cerebrale - schedel
    2. Maxilla - bovenkaak
    3. Mandibula - onderkaak
    4. Vertebrae cervicales - halswervels
    5. Clavicula - sleutelbeen
    6. Sternum - borstbeen
    7. Scapula - schouderblad
    8. Humerus - opperarmbeen
    9. Costae - ribben
    10. Vertebrae thoracales - borstwervels
    11. Vertebrae lumbales - lendenwervels
    12. Os ilium - darmbeen
    13. Os sacrum - heiligbeen
    14. Os coccygis - stuitje
    15. Os ischii - zitbeen
    16. Os pubis - schaambeen
    17. Radius - spaakbeen
    18. Ulna - ellepijp
    19. Manus - Hand
    20. Femur - dijbeen
    21. Patella - knieschijf
    22. Fibula - kuitbeen
    23. Tibia - scheenbeen
    24. Pes - Voet
  • Botverbindingen (Junctura)
    Botverbindingen zitten op alle plaatsen waar 2 botten contact met elkaar maken. De bouw en structuur bepaalt hoe de botten ten opzichte van elkaar kunnen bewegen.
  • Bindweefselverbindingen (Junctura fibrosa)
    - Botten verbonden door stevige netwerken van collagene en elastische vezels.
    - Beweging tussen beide skeletdelen is niet mogelijk
    - Geven stevigheid en stabiliteit
    - Tussen de botten van het onderbeen en de onderarm (radius  ulna en tibia  fibula) bevinden zich vliesvormige bindweefselverbindingen = membrana interosseaDit vult de ruimte tussen beide botten grotendeels op en dient als aanhechting van spieren en stabilisatie van de twee botten.
    - De schedelbeenderen zijn tegen elkaar aangegroeide platte beenderen, hierdoor zijn de bindweefselverbindingen verdwenen. De voormalige bindweefselverbindingen worden suturae (naden) genoemd.
  • Kraakbeenverbindingen (Junctura cartilaginea)
    - Zit een kraakbeenzone tussen de botten
    - Zijn drukvast en enigszins vervormbaar, maar niet erg beweeglijk.
    - 2 typen kraakbeenverbindingen:
           1. Wanneer het hyalien kraakbeen betreft: zijn de verbindingen vrij soepel en relatief beweeglijk. (bijv. tussen de ribben en het borstbeen)
           2. Bestaat het uit vezelig kraakbeen dan is beweging vrijwel onmogelijk. (bijv. symphysis pubica  verbinding tussen beide schaambeenderen / disci intervertebrales  tussenwervelschijven)
  • Gewrichten (soorten gewrichten) (Articulatio)
    = een botverbinding die een grote beweeglijkheid tussen de botten mogelijk maakt. De twee op elkaar aansluitende botuiteinden zijn qua vorm aan elkaar aangepast en maken deel uit van het gewricht. Je noemt ze gewrichtsvlakken.
  • Algemene bouw van het gewricht:
    Bestaat uit twee gewrichtsvlakken (kop en kom): de botuiteinden die op of in elkaar passen en die bedekt zijn met glad hyalien kraakbeen.

    Heeft een gewrichtsholte (cavitas articularis): de ruimte tussen kop en kom, die gevuld is met gewrichtssmeer (synovia); dit bevorderd het soepel bewegen door een smerende vloeistof. Om deze reden wordt een gewricht ook wel synoviale verbinding (junctura synovialis) genoemd.
  • Wordt omgeven door het gewrichtskapsel (capsula articularis): 

    - Is aan beide botten vastgehecht en houdt de botuiteinden bij elkaar
    - Zorgt voor een vacuüm in de gewrichtsholte;
    - Bevat gewrichtssensoren;
    - Heeft een binnenste laag  de membrana synovialis, een dun elastisch vlies met zenuwen en bloedvaten; produceert synovia;
    - Heeft een buitenste laag  demembrana fibrosa, een dik taai vlies van straf bindweefsel dat het kapsel stevig maakt; vaak verstevigd met ligamenten.
    - Ligamenten  geven het gewricht meer stevigheid, geven passief sturing aan de beweging en verhinderen bewegingen in een verkeerde richting
  • Discus articularis (kraakbeenschijf)
    vezelig kraakbeen. In het kniegewricht zitten twee halvemaanvormige kraakbeenschijven: de
    menisci. Kraakbeenschijven hebben uiteenlopende functies:
    - Maken sternum en clavicula passend
    - In de knie vergroten ze de stabiliteit
    - In de kaak vergroten ze de bewegingsmogelijkheden
  • bursae synoviales
    In de buurt van veel gewrichten vind je de bursae synoviales (slijmbeurzen). Het is een plat, met synovia gevuld zakje, dat meestal in verbinding staat met de gewrichtsholte. Slijmbeurzen komen vooral voor op plaatsen waar wrijving tussen botten en weke delen opgeheven moet worden, zoals bij de knie, schoudergewricht en de pols.
  • kogelgewricht, met een diepe kom en een bolle kop:
    - maakt bewegingen rond de verticale, sagittale en transversale as mogelijk;
    - voorbeeld: heupgewricht;
  • ellipsvormig gewricht, met ellipsvormige kom en kop;
    - maakt bewegingen rond de sagittale en transversale as mogelijk;
    - voorbeeld: polsgewricht;
  • zadelgewricht met brede en zadelvormige kom en kop:
    - bewegingen rond twee loodrecht op elkaar staande assen;
    - voorbeeld: gewricht handwortelbeen en middenhandsbeen van de duim;
  • scharniergewricht, langwerpig als een scharnier:
    - maakt bewegingen rond de transversale as mogelijk;
    - voorbeeld: ellebooggewricht;
  • rolgewricht, de kop heeft de vorm van een ronde schijf:
    - beide botten rollen in hun lengteas ten opzichte van elkaar;
    - voorbeeld: het gewricht tussen ellepijp en spaakbeen;
  • vlak gewricht met een vlakke kom en kop:
    - beperkte schuifbewegingen;
    - voorbeeld: gewricht tussen de handwortelbeentjes;
  • straf gewricht waarin kop en kom in één stand op elkaar zitten:
    - bewegingen zijn beperkt mogelijk;
    - voorbeeld: het SI-gewricht.
  • Botten/botverbindingen van het hoofd
    Het hoofd wordt gevormd door de botten van de schedel.
    De functies van de schedel (cranium) zijn:
    - bescherming van de hersenen
    - bescherming van het reuk-, gezichts- en gehoorzintuig en het evenwichtsorgaan - aanhechting van de aangezichtsspieren
    - vormt de toegang het maagdarmkanaal en de luchtwegen.
    Er wordt onderscheid gemaakt tussen hersenschedel en
    aangezichtsschedel
  • Hersenschedel (Neurocranium)
    De hersenschedel omsluit de schedelholte met daarin de hersenen en de hersenstam. De beenderen van de hersenstam zijn viasuturae (naden) met elkaar verbonden. Het deel van de hersenschedel dat je kunt betasten is het schedeldak. Op het deel waar je niet bij kunt, rusten de hersenen =
    schedelbasis.
  • Os frontale (voorhoofdsbeen)
    Vormt het voorste deel van het schedeldak en het dak van de oogkassen: bevat links en rechts de voorhoofdsholte(sinus frontalis).
  • Os parietale (2x) (wandbeen)
    Vormt het grootste deel van het schedeldak en de zijkant van de hersenschedel
  • Os temporale (2x) (slaapbeen)
    Onder het wandbeen en vormt een deel van de schedelbasis:
    - bevat de uitwendige gehoorgang;
    - vormt de ondiepe kom van het kaakgewricht (de kop is het uiteinde van de onderkaak)
    - sluit met de jukboog (arcus zygomaticus) aan het jukbeen van de aangezichtsschedel;
    - heeft een uitsteeksel achter het oor, het mastoïd;
    - heeft een apart benoemd deel, het rotsbeen (os petroseum), met daarin het benige labyrint;
  • Os occipitale (achterhoofdsbeen)
    Vormt de achterkant van het schedeldak en een groot deel van de schedelbasis:
    - bevat het achterhoofdsgat (foramen magnum) 
    - links en rechts zitten de achterhoofdsknobbels die met de atlas (eerste halswervel) een gewricht vormen dat ja-knikken mogelijk maakt;
  • Os ethmoidale (etmoïd)
    vormt de voorkant van de schedelbasis en heeft een complex verloop:
    - bevat een aantal kleine openingen voor de reukharen van het reukzintuig;
    - heeft meerdere benige platen die het neustussenschot, de neusschelpen en de zijwanden van de neusholte vormen
    - bevat de sinus ethmoidalis, een bijholte
  • Os sphenoidale (sfenoïd)
    Midden in de schedelbasis:
    - heeft de vorm van een vlinder;
    - bevat een uitholling, het Turkse zadel (hierin ligt de hypofyse);
    - bevat de sinus sphenoidalis, een bijholte.
  • Aangezichtsschedel (viscerocranium)
    De botten van de aangezichtsschedel vormen begrenzingen van de oogkassen, de neusholte, de mondholte en de keelholte.
  • Os nasale (2x) (neusbeen)
    Vlak onder het voorhoofdsbeen, de twee beentjes vormen het harde bovengedeelte van de neusrug
  • Os lacrimale (2x) (traanbeen)
    Aan de mediale kant van elke oogkas, bevat de verticale doorgang voor de traanbuis
  • Os zygomaticum (jukbeen)
    De laterale wand van de oogkas, sluit aan op de jukboog van het slaapbeen
  • Manibula (onderkaak)
    - bevat de gebitselementen van het ondergebit;
    - loopt naar achteren uit in de gewrichtskop van het kaakgewricht (de ondiepe kom ligt in het slaapbeen).
  • Maxilla (bovenkaak)
    - bevat de gebitselementen van het bovengebit;
    - vormt het harde gehemelte;
    - vormt de bodem en mediale wand van de oogkas;
    - vormt een deel van de wand van de neusholte;
    - vormt de onderste neusschelpen;
    - bevat de kaakholte, links en rechts boven de kiezen;
  • Wervelkolom (vertebrae = wervels)
    Wervelkolom bestaat uit 33 (soms) vertebrae die worden aangeduid met letters en cijfers van craniaal naar caudaal (van boven naar beneden):
    - zeven halswervels C1 – C7
    - twaalf borstwervels Th1 – Th12
    - vijf lendenwervels L1 – L5
    - vijf heiligbeenwervels S1 – S5
    - het staartbeen  tijdens de embryonale ontwikkeling is ontstaan door de vergroeiing van vier staartwervels.
  • Krommingen: De wervelkolom vertoont krommingen die de stabiliteit en de buigzaamheid van de romp ondersteunen. Er zijn 3 typen krommingen:
    - Lordose  een kromming met de bolle kant naar voren:
    • cervicale lordose in het halsgebied;
    •  lumbale lordose in het lumbale gebied; 
    - Kyfose  een kromming met de bolle kant naar achteren:
    •  thoracale kyfose, in het borstgebied;
    •  sacrale kyfose, in het sacrale gebied; 

    - Functionele scoliose 
    •  kromming naar opzij als compensatie van zijwaartse bewegingen.
  • Algemene bouw van de wervel:
    Een wervel (vertebra) bestaat uit een wervellichaam en een wervelboog
  • Het wervellichaam (corpus vertebrae)
    - Zit aan de ventrale kant
    - Is onder en boven vergroeid met de tussenwervelschijf (discus intervertebralis), een ringvormige kraakbeenschijf.
  • De wervelboog (arcus vetebrae)
    - Zit aan de dorsale kant
    - Omsluit het wervelgat (foramen vertebrale), hierdoorheen loopt het ruggenmerg;
    - Vormt met de onder en boven gelegen wervelboog links en rechts twee tussenwervelgaten (foramen intervertebrale), waar doorheen de ruggenmergszenuwen uittreden;
    - Heeft meestal zeven uitsteeksels:
    •  1 doornuitsteeksel (processus spinosus) naar dorsaal gericht, voor aanhechting van spieren
    •  2 dwarsuitsteeksels (processus transversi) naar lateraal gericht, voor aanhechting van spieren of ribben (bij de borstwervels)
    •  4 gewrichtsuitsteeksels (processus articulares), 2 naar boven, 2 naar beneden; vormen kleine gewrichten (facetgewrichten) met aangrenzende wervelbogen.
  • Halswervels (vertebrae cervicales)
    C1 = Atlas
    - Ringvormig
    - Heeft geen wervellichaam en geen doornuitsteeksel
    - Vormt met de achterhoofdsknobbels een scharniergewricht (jaknikken)
    - Kan om de tand van de tweede halswervel draaien (nee-schudden)
    C2 = draaier- Heeft een uitsteeksel naar boven, de tand, die in het wervelgat van de atlas steekt. - Maakt samen met de atlas nee-schudden mogelijk.
  • 12 borstwervels (vertebrae thoracales)
    - De vrij lange processus spinosi zijn schuin naar beneden gericht.
    - Zijkanten van het wervellichaam en het voorvlak van de meeste processus transversi hebben gewrichtsvlakken van de gewrichten met de ribben.
    - Doordat de facetgewrichten bijna verticaal staan, is er in het thoracale gebied van de romp een beperkte voor- en achterwaartse beweging mogelijk. (ante- en retroflexie)
    - Zijwaartse bewegingen (lateroflexie) en rotatie zijn goed mogelijk.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Functie van het skelet:
1
Bouw van een bot
1
Periost 
1
Substantia compacta
1
Pagina 1 van 33