module boek

by (2014)
183 Flashcards en notities
2 Studenten
  • Deze samenvatting
  • +380.000 andere samenvattingen
  • Een unieke studietool
  • Een oefentool voor deze samenvatting
  • Studiecoaching met filmpjes
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - module boek

  • 5.2.1 Taak 1 Vitale Functies

  • Centrale Vraag : Wat zijn vitale functies?
    Ademhaling, bewustzijn, polsslag, temperatuur, bloeddruk
  • Leervraag 1: Wat is een polsslag en wat zijn de referentiewaardes?
    Polsslag is ritmische druk verandering die door elke hartslag wordt teweeg gebracht.
    Normaalwaarden :
    Volwassenen in rust 60 – 100 bpm
    Volwassenen tachycardia(versnelde hartslag)> 100
    Volwassenen bradycardie(vertraagde hartslag)<  60
    Neonaten (0 – 3 mnd) 100 – 150
    Baby’s     (3 – 6 mnd)90 – 120
    Kinderen (6 – 12 mnd)80 – 120
    Kinderen (1 – 10 jaar)70 – 130
    Kinderen (> 10 jaar)60 – 100
    Topsporters40 – 60
  • Lv 2: Hoe werkt het ademhalingsstelsel?
    Het ademhalingsstelsel bestaat uit structuren(luchtwegen) die zijn betrokken bij de fysieke verplaatsing van lucht in en uit de longen en bij de gaswisseling. Belangrijkste anatomische onderdelen van het ademhalingsstelsel zijn onder te verdelen in :
    1.Geleiding van lucht : de neus, de pharynx(keelholte), de larynx(strottenhoofd), trachea ( luchtpijp), de bronchiën, de longen
    2. Gaswisseling: Onderdeel van longen,de bronchiolen en de alveoli. De alveoli(longblaasjes) bevatten uitwisselingsoppervlakken. Door de luchtwegen wordt er lucht vervoerd van en naar de uitwisselingsoppervlakken van de longen (opname zuurstof en uitscheiding koolstofdioxide) Luchtwegen brengen de lucht niet alleen naar de longen maar filteren, verwarmen en bevochtigen de lucht ook ( dit proces beschermt alveoli tegen ziekteverwekkers etc)

    (5 basale functies:-vormt groot oppervlak voor gaswisseling tussen lucht en bloed.
    - verplaatsen van lucht, van en naar het gaswisselingsoppervlak in de longen.
    - bescherming alveolaire oppervlakken tegen uitdroging en temperatuur veranderingen en verdediging tegen binnendringende ziektewekkers.
    - vorming van geluiden waardoor spraak, zang en non-verbale auditieve communicatie mogelijk is.
    - Reukzin bevordering door reukcellen in de neusholte. )  

    Bekleding buizen ademhalingsstelsel ter bescherming=
    respiratoire slijmvlies: respiratoir epitheel(cilinder epitheel met  lijmcellen en trilharen, bindweefsel/lamina propria met slijmcellen die klierproduct afgeven aan dekweefsel)

    Cystic fibrosis: erfelijke ziekte door defect aan slijmvlies van de luchtwegen.
    slijmvlies is te dik om te owrden vervoerd.
    Aspiratie: inademen vreemde stoffen/voorwerpen.
    Longontsteking/pneumonia: ontsteking longtrechtertjes. bronchiolen zwellen op, vocht lekt in alveolie en vernauwd luchtwegen.
    Tuberculose: bacteriele infectie, mycobacterium tuberculosis. setteld zich in luchtwegen,interstitiele ruimten en alveoli. koorts, zweten,gewichtsverlies.
    Decompressieziekte: ontstaat bij plotselinge daling atmosfersiche druk. bij daling druk stikstof uit lucht, vormt bellen.
    Emfyseem: chronische progressieve ziekte. oppervlakten alveoli inhaleren fijne deeltjes of giftige gassen door bepaalde factoren. oppervlak gasuitwisseling ontoereikend. alveoli vormen geleidelijk geheel door vervaging wanden in niet-functionele luchtruimten.
    Longkanker/ pleuropulmonair neoplasma: kwaadaardige gezwellen in brochien/alveoli. tasten epitheelcellen aan die wanden afbreken.
    Hypercapnie: verhoging van Pco2 in arteriele bloed.
  • Fysiologie ademhalingsstelsel
    Regeling ademhaling :
    Evenwicht herstellen opname zuurstof en vorming koolstofdioxide en zuurstof aanvoer en verwijdering koolstofdioxide(aangevoerd aan longen via bloed vanuit weefsels) -> Homeostatische mechanismen onder invloed van ademhalingcentrum in hersenen: Verandering doorbloeding en zuurstofafgifte (plaatselijke regulering), Veranderingen van diepte en snelheid van ademhaling (invloed hersenen: ademcentra).

    Inademing: groter worden borstholte door samentrekken tussenribspieren en samentrekking spieren van het middenrif/diafragma. Borstholte wordt hierdoor omhoog geduwd. Lucht van hoge druk naar lage druk dus bij wijde borstholte druk in lichaam lager en stroomt naar binnen.
    verschil druk: drukgradient.
    compliantie; maat voor elasticiteit en vermogen tot uitzetting.

    Uitademing : door verslappen spieren van borstkas en middenrif/diafragma: daling borsthole(zwaartekracht trek ribben naar beneden). Longen worden verkleind door druk middenrif, de druk neemt dus toe en lucht stroomt naar lage druk gebied ( buiten).

    Regeling onbewust en bewust:
    -onbewuste ademcentra in de hersenen (in medulla oblongata en de pons) reguleren de ademhalingsspieren en de frequentie en de diepte van de ademhaling(in reactie op sensorische info vanuit longen, luchtwegen en andere plaatsen).

    -Bewuste regeling is het gevolg van activiteit in de cerebrale cortex(hersenschors). Deze heeft invloed op output van de ademcentra of op motorische neuronen die de ademhalingsspieren aansturen.

    Ademhalingscentra bestaan uit 3 paar kernen in de formatio reticularis van de pons en de medulla oblongata. De centra voor ademritme in medulla oblongata bepalen ritme. Elk centra wordt verdeeld in dorsale respiratoire groep met inademingscentrum en een ventrale groep met uitademingscentrum. De output van deze wordt aangepast door 2 paren kernen waaruit de ademcentra van de pons bestaan. Centra van de pons reguleren ademhalingssnelheid en diepte in reactie op sensorische prikkels, emotionele toestand of spraakpatronen.

    Het functioneren van ademhalingscentra wordt beinvloed door stofwisseling, chemische activiteit van zenuwweefsels(verhoogde temp. of stoffen die CZS stimuleren als caffeine of beperken zoals opiaten), reflexen door mechanische of chemische prikkels.

    Normale ademhaling vindt plaats zonder bewuste regulering, sensorische info van mechanoreceptoren en chemoreceptoren.
    Mechanoreceptoren reageren op veranderingen van longvolume of arteriele bloeddruk. Inademingsreflex en uitademingsreflex.
    Chemoreceptoren: reageren op chemische veranderingen van het bloed en cerebrospinale vloeistof. Diepte en snelheid van ademhaling wordt aangepast hierdoor.

    Regeling door hogere centra:
    Hogere centra( woede, eten, seksuele opwinding) beinvloeden ademhaling via de ademhalingscentra van de pons en door directe aansturing van ademhalingsspieren(zingen, spreken). Aansturing door : Het limbische systeem is een groep structuren in de hersenen die betrokken zijn bij emotie, motivatie, genot en het emotioneel geheugen. Het is (evolutionair gezien) een van de oudste delen van de hersenen maar bevat ook enkele nieuwere structuren. Het limbische systeem is onderdeel van de grote hersenen.
  • Ademhalingsregeling- gaswisseling


    Gaswisseling:
    De dunste vertakkingen van de bronchusboom (respiratoire bronchiolen voeren gas naar de gaswisselingsoppervlakken van de longen, de alveoli, het respiratorische membraan( plaveiseleptiheel, endotheelcellen, versmolten basaalmembranen). De oppervlakten van membraan krijgen bloed uit kleine bloedsomloop. vanuit longcap. en longvenulen naar v pulmonalis en linker atrium.*Respiratie = longventilatie(verplaatsing lucht in en uit luchtwegen) en gaswisseling.
    Gaswisseling vindt plaats door externe en interne respiratie. Externe respiratie zijn processen betrokken bij uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide tussen de interstitiele vloeistoffen en het externe milieu. Doel Ex.Resp. en ademhalingsstelsel is zuurstof naar cellen en koolstofdioxide uit de cellen.
    3 stappen, longventilatie, gaswisseling en tussen longcapillairen en de capillairenetten in andere weefsels.
    Interne respiratie: is de opname van zuurstof en afgifte van koolstofdioxide door deze cellen en de uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide tussen cellen en interstitiele vloeistoffen.

    gaswisseling bepaald door partiele druk(druk door 1 gas) en diffusie moleculen.

    Afwijkingen van deze processen zorgen voor bijvoorbeeld hypoxie(lage zuurstofconcentratie in de weefsels= beperking stofwisselingsactiviteiten) en anoxie( afgesneden zuurstof toevoer = afsterven cellen)

    Uitwerking stroming lucht zie aant. en paragraaf 15.5.1
  • Lv 3: Hoe werkt de bloeddruk? 
    Het hart trekt samen en pompt daarbij bloed met een bepaalde kracht in de slagaders, hierdoor ontstaat druk op de slagaderwand, dit is de bloeddruk. Als het hart daarna weer ontspant wordt er bloed uit de aders aangezogen. Het hart vult zich opnieuw met bloed, waarna het opnieuw samentrekt en het bloed weer de slagaders in wordt gepompt. Als het hart ontspant neemt het volume van het hart toe en daalt de bloeddruk in het hart sterk. Hierdoor heeft het bloed in de oarta en andere slagaders de neiging terug te stromen naar het hart. Dit wordt echter verhindert door de aorta-klep, door het sluiten van de a-klep blijft er altijd een bepaalde hoeveelheid bloed in de slagaders, waardoor de diastolische bloeddruk niet 0 is.

    Systolische druk= de maximale bloeddruk die tijdens de ventriculaire systole wordt gemeten(druk vanuit hart in aders, als linker ventrikel samentrekt), Diastolische druk= de minimale bloeddruk aan het einde van de ventriculaire diastole (bloed vanuit atrium naar rechter ventrikel, rustfase in het bloed)

    De bloeddruk wordt door autoregulatie, neurale en hormonale mechanismen gereguleerd.
    Autoregulatie=onmiddelijke plaatselijke aanpassing.  Veranderingen van omstandigheden in de weefsel hebben directe invloed op precapillaire sfincters waardoor perifere weerstand wordt gewijzigd en de doorbloeding van de capillairnetten plaatselijk veranderd. Is autoregulatie niet voldoende om evenwicht te creeeren dan worden neurale en endocriene mechanismen in werking gezet.
    Neurale mech.= reageren op veranderingen van arteriele bloeddruk of op concentraties van bloedgassen op specifieke plaatsen. verandering->aanpassing hartminuutvolume en perifere weerstand dmv autonome zenuwstelsel.
    Edocriene mech.= hormoonstelsel geeft hormonen af die aanpassingen van bloedvatenstelsel bevorderen.
  • Lv 4: Hoe werkt de bloedsomloop?
    Bloed verlaat hart via de a. pulmonalis(longslagader) en aorta. Deze bloedvaten vertakken zich herhaaldelijk en vormen de belangrijkste arterien die bloed van organen naar lichaam vervoeren. Binnen deze organen vertakken arterien zich verder, tot wel honderde miljoenen arteriolen( kleine slagaders). Arteriolen voeren bloed aan naar meer dan 10 miljard capillairen(haarvaten), deze vormen uitgebreide vertakte netwerken. Belangrijkste functies van bloedvatenstelsel vinden plaats op het capillaire niveau. Weefselcellen zijn afhankelijk van die fusie door de capillairen voor het verkrijgen van voedingsstoffen en zuurstoffen. En voor het verwijderen van afvalproducten van de stofwisseling, zoals koolstofdioxide en ureum. Bloed dat uit een capillairennetwerk stroomt, komt eerst in de venulen, dit zijn de kleinste bloedvaten van het veneuze systeem. Vervolgens verenigen deze dunne bloedvaten zich tot kleine venen(aders). Daarna stroomt het bloed door middel grote en grote venen. Voordat het in de venae cavae (grote bloedsomloop)terechtkomt of in de pulmonaire venen( kleine bloedsomloop).

    Kleine en grote bloedsomloop hebben 3 algemene functionele patronen:
    1 Verdeling van arterien en venen links en rechts is gelijk.
    2 Een bloedvat kan diverse keren van naam veranderen.
    3 Weefsels en organen zijn meestal met verschillende arterien en venen verbonden.

    Kleine bloedsomloop: bestaat uit arterien en venen die bloed vervoeren tussen het hart en de longen (begint in rechter ventrikel en eindigt in linker atrium).  Koolstofdioxide wordt afgegeven en zuurstofvoorraad aangevuld waarna het bloed naar hart wordt teruggevoerd.

    Grote bloedsomloop: bestaat uit arterien en venen die het zuurstofarme bloed naar het hart terugvoeren(begint in linker ventrikel en eindigt in het rechteratrium). Zie figuur 13.13 blz 533. Deze bloedsomloop voorziet capillairnetten in alle delen van het lichaam van bloed wat zojuist uit de kleine bloedsomloop gekomen is.
  • Lv 5: Samenhang bloeddruk en polsslag?
    Geen rechtstreeks verband: wel invloeden zoals stress, overgewicht, conditie.

    Er zijn een aantal factoren die er kunnen voor zorgen dat de bloeddruk hoog is en dat ook de polsslag hoog is. Rechtstreeks zal de bloeddruk de polsslag niet verhogen, maar de factoren die de hoge bloeddruk uitlokken, kunnen ook een versnelde polsslag uitlokken.
  • Lv 6: Wat zijn de kenmerken van een te hoge (en te lage) bloeddruk?
    Te hoog = Hypertensie: Wanneer je bloed te hard tegen de wanden van je bloedvaten drukt, spreken we van een te hoge bloeddruk.
    Kenmerken: Alleen een extreem hoge bloeddruk, een zogenaamde hypertensie gaat direct gepaard met hoofdpijn, kortademigheid, problemen met zien of duizeligheid. Kan leiden tot beschadiging van de slagaders met gevolgen van dien.

    Te laag = Hypotensie: In verhouding niet heel erg gevaarlijk: slap duizelig licht gevoel in hoofd.

    Omschrijf het belang van bovendruk en onderdruk bij de meting:
    Een verhoogde bovendruk is vooral risicovol voor de grote bloedvaten. Een verhoogde onderdruk is vooral risicovol voor de kleine bloedvaten.
  • Lv 7: Hoe wordt de temperatuur gereguleerd?
    Midden in de hersenen bevindt zich een gebied hypothalamus genoemd, dat de lichaamstemperatuur regelt (35,5-37,8)
    Hypothermie: < 36 graden
    Normaal: 36-37,5
    Subfebriele / Verhoging: 37,5 – 38
    Koorts: 38-42
    Hyperpyrexie: >42 (kan blijvende schade veroorzaken: aanvallen)
    Vaak verhoging bij kinderen omdat: bij kinderen is temperatuur regulatie in ontwikkeling en immuniteit is er nog niet.

    Lichaamstemperatuur kunnen plaatselijke verschillen vertonen door doorbloeding en stofwisselingsactiviteiten en externe factoren (moment, inspanning, menstruatie, ziekte)
    Lichaamskern: hersenen en organen-temperatuur hoogst
    lichaamsschil: huid en ledematen - temperatuur lager.
    Temperatuur balans belangrijk: functioneren enzymen, biologische processen.

    Warmteregulering(verlies en productie):
    Afgifte en productie moet in balans zijn.
    Warmte uitwisseling: straling, geleiding(via fysiek contact), convectie(warme lucht stijgt naar boven/buitenkant lichaam) en verdamping.
    Warmteregulatie wijzigen: centrum warmteverlies en centrum warmteproductie in hypothalamus.
    Centrum warmteverlies past warmteproductie aan via parasympathische deel autonome zenuwstelsel (Het parasympathische zenuwstelsel is het deel van het autonoom zenuwstelsel dat de organen zodanig beïnvloedt dat het lichaam in een toestand van rust en herstel kan komen.)
    Centrum voor warmteproductie reguleert via het autonome zenuwstelsel(onbewust zenuwstelsel,regelt werking organen).
    Temp. schommelingen gereguleerd door:
    snelheid van w.productie en snelheid warmteverlies.

    Isolerende vetlaag van huid beschermt tegen overmatige warmte-afgifte.
    warmte zintuigen: verspreid in de lederhuid
    koude zintuigen: verspreid in opperhuid

    Bij prikkeling door kou/ warmte, signaal via zenuwen naar regelcentrum/hypothalamus(onderste deel tussenhersenen).Dit centrum gaat over vaatverwijding en vernauwing en zweetklieren.

    Warmteverlaging:
    warmteproductie geremd (afname spiertonus en verbranding) en warmte-afgifte stimulatie:
    verwijding (perifere) bloedvaten en slijmvliezen, w.verlies via straling en convectie.
    stimulering zweetklieren: w.verlies via verdamping
    stimulering ademhalingscentra: w.verlies via uitademing longen.

    Warmteverhoging:
    Warmteafgifte verminderen door vernauwing bloedvaten( beperking convectie, straling en geleiding)
    Vermindering zweetproductie
    Warmteproductie verhoogd door:
    stimulering centrum warmteproductie:
    Thermogenese door meer spiertonus (rillen, kippenvel etc)
    Hormonale genese:  afgifte van hormonen die stofwisseling bevorderen. Stimulering afgifte: epinefrine(versnelt afbraak glycogeen en de glucose in lever verhoogt s.wisseling) en Thyroxine door schildklier (stimuleerd koolhy. verbranding)

    Warmteverlies: lichaamscellen leggen slechts een deel van energie vast in de vorm van apt en de rest gaat verloren in de vorm van warmte. Alle cellen van het lichaam hebben energie nodig. Deze energie wordt geleverd bij de splitsing van ATP in ADP en P.ATP ( adenosine trifosfaat) is een stof die voorkomt in alle cellen van ons lichaam. ATP vormt in onze lichaamscellen de gebruiksklare energievoorraad. Als we een arm optillen, wordt hiervoor ATP verbruikt; als de darm, de lever of de alvleesklier voor de spijsvertering zorgen, is hiervoor energie nodig. Ook elke gedachte die door onze hersenen wordt geproduceerd, is afhankelijk van ATP als energievoorraad. Belangrijk bij homeostase.

    Neuronen: opzoeken, blz 294-297
  • Lv 8: Hoe meet je vitale functies en waar moet je rekening mee houden ?
    Ademhaling controleren: ademhalingsfrequentie opnemen ( onbewust voor patiënt) gedurende halve minuut. Altijd in rust, let op houding, adem belemmeringen/afwijkingen (bijv rochelen).12-18 ademhalingen per minuut.

    Bloeddruk: Bloeddrukmeter, altijd in rust. Arm altijd hoger leggen. Altijd zelfde arm (beide armen nemen, die van hoogste waarde nemen). Geen armen, meten aan been/enkel. Normale waarde 120-80, hypertensie 140-90 (>60 jaar zonder kwaaltjes bovendruk tot 160 acceptabel) (ook persoonsgebonden)

    Polsslag: Vinger op de pols/nek/lies/ knieholte, altijd in rust. 15sec x4.
    ref.waarden zie vraag 1.

    Temperatuur: Koortsmeter waar bloedvat dicht aan oppervlakte ligt, beste plaats rectum, daarnaast oksel ( 0,5 erbij) en tong(0,9 erbij). Ook nog oor-thermometer.Ref.waarden zie vraag 7.
  • zie drive
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Leervraag 1: Wat is een polsslag en wat zijn de referentiewaardes?
2
Lv 2: Hoe werkt het ademhalingsstelsel?
2
Lv 4: Hoe werkt de bloedsomloop?
2
Lv 5: Samenhang bloeddruk en polsslag?
2
Pagina 1 van 42