LA3 samenvatting anatomie & fysiologie

by
125 Flashcards en notities
2 Studenten

Studeer slimmer met eFaqt samenvattingen

  • Beschikbaar voor computer, tablet, telefoon en op papier
  • Vragen met antwoorden over de leerstof
  • Ongelimiteerde toegang tot 300.000 online samenvattingen
  • Tools voor slim studeren & timers voor betere resultaten

Bekijk deze samenvatting

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - LA3 samenvatting anatomie & fysiologie

  • 1 LA3 samenvatting anatomie & fysiologie

  • Axiale skelet
    schedel, borstkas en de wervelkolom. Deze vormen de as van het
    lichaam.
  • Bouw van het bot
    Botten hebben een lamellaire bouw; ze zijn opgebouwd uit lamellen (laagjes). In
    het bot tref je verschillende delen aan:
    - Periost: aanhechtingsplaats voor pezen en gewrichtskapsels. Alle botten
    zijn omgeven door het periost (beenvlies); straf bindweefsel bloedvaten en
    zenuwen. Het bloed treedt het bot binnen via volkmannkanalen.
    - Substantia compacta: hard botweefsel tegen het periost. Het buitenste
    deel bestaat uit lamellen, het naar binnen gelegen deel bestaat uit
    osteonen (botbuizen) met daar in het haverskanaal (bloed en lymfevaten).
    Tussen de lamellen bevinden zich osteocyten (botcellen), deze zorgen voor
    uitwisseling van stoffen tussen bloed en botweefsel.
    - Substantia spongiosa: sponsachtig botweefsel. Lamellaire opbouw in de
    vorm van beenbalkjes met kleine holtes er tussen. De holtes bevatten rood
    beenmerg waarin bloedcelvorming plaatsvind. Zorgt voor stevigheid.
  • Botafbraak en botopbouw
    Osteoclasten: “hamercellen”, gespecialiseerde bindweefselcellen die zorgen voor
    de afbraak van het botweefsel.
    Osteoblasten: “bouwcellen”, beenvormende bindweefselcellen. Als de
    osteoblasten zijn uitgewerkt veranderen ze in osteocyten.
  • Indeling van botten
    Pijpbeenderen
    Pijpbeenderen zijn pijpvormige botten met een vrij dun middengedeelte, de
    diafyse (schacht), wat is opgebouwd uit substantia compacta, met binnen in een
    grote holte, de mergholte. De mergholte is gevuld met geel beenmerg
    (voornamelijk vet). De uiteinden worden de epifysen genoemd en bestaan uit
    substantia spongiosa. tussen de epifyse en de diafyse bevind zich een smalle
    laag substantia compacta die tijdens de groei de epifysaire schijf (groeischijf)
    wordt genoemd.
    - Arm en hand: humerus, ulna, radius, ossa metacarpi, ossa digitorum
    manus.
    - Been en voet: femur, tibia, fibula, ossa metatarsi, ossa digitorum pedis
  • Platte beenderen
    Breed, lang en altijd plat. Bestaan uit substantia compacta, met daartussen een
    dun laagje substantia spongiosa. Geschikt voor aanhechting spieren door groot
    oppervlak van de beenderen. Sommige dienen ter bescherming van
    onderliggende organen.
    - Ossa cranii, scapulae, ossa coxae, costae, sternum.
  • Korte beenderen
    Vrij klein, meestal even lang als breed. Dunne substantia compacta met binnenin
    substantia spongiosa.
    - Ossa carpi, ossa tarsi, patellae.
  • Onregelmatige beenderen
    Uiteenlopende vormen en functies. Vaak een dunne substantia compacta met
    binnenin substantia spongiosa.
    - Schedelbasisbeenderen, maxilla, mandibula, gebitselementen, vertebrae,
    os hyoideum.
  • Humerus                              Opperarmbeen
    Ulna                                      Ellepijp
    Radius                                  Spaakbeen
    Ossa metacarpi                   Middenhandsbeentjes
    Ossa digitorum manus       Vingerkootjes
    Femur                                  Dijbeen
    Tibia                                     Scheenbeen
    Fibula                                   Kuitbeen
    Ossa metatarsi                    Middenvoetsbeentjes
    Ossa digitorum pedis         Teenkootjes
  • Ossa cranii                          Schedelbeenderen
    Scapulae                             Schouderbladen
    Ossa coxae                         Heupbeenderen
    Costae                                 Ribben
    Sternum                              Borstbeen
    Ossa carpi                           Handwortelbeentjes
    Ossa tarsi                             Voetwortelbeentjes
    Patellae                                Knieschijven
    Maxilla                                  Bovenkaak
    Mandibula                            Onderkaak
    Vertebrae                             Wervels
    Os hyoideum                       Tongbeen
  • Botverbindingen
    Bindweefselverbindingen
    Bij een junctura fibrosa (bindweefselverbinding) zijn de botten met elkaar
    verbonden door stevige netwerken van elastische en collagene vezels. Beweging
    is vrijwel niet mogelijk. De verbinding geeft stevigheid en stabiliteit.
    - Tanden en kiezen in de kaak.
    Een membrana interossea (vliesvormig bindweefselverbinding) vult de ruimte
    tussen beide botten grotendeels op en dient voor aanhechting van spieren en
    stabilisatie van twee botten.
    - Radius en ulna
    - Tibia en fibula
    Suturae (naden) zijn voormalige bindweefselverbindingen, waar beenderen tegen
    elkaar zijn gegroeid.
    - Schedelbeenderen.
  • Kraakbeenverbindingen
    Bij een junctura cartilaginea (kraakbeenverbinding) zit een kraakbeenzone tussen
    de botten. Dergelijke verbindingen zijn drukvast en enigszins vervormbaar, maar
    niet erg beweeglijk.

    - Hyalien kraakbeen: kraakbeenverbindingen tussen de ribben en het
    borstbeen. Soepel en relatief beweeglijk.
    - Vezelig kraakbeen: symphysis pubica (verbinding tussen beide
    schaambeenderen) en disci intervertebrales (tussenwervelschijven).
    Beweging vrijwel onmogelijk.
  • Gewrichten
    Een articulatio/junctura synovialis (gewricht) is een botverbinding die een grote
    beweeglijkheid tussen de botten mogelijk maakt.
  • Algemene bouw gewrichten
    passend in elkaar; kop (bolle uitende) en kom (holle uiteinde), met een laag
    hyalien kraakbeen. Soepele beweging mogelijk door de synovia (smerende
    vloeistof) in de cavitas articularis (gewrichtsholte). Kraakbeen is niet doorbloed,
    voeding en onderhoud wordt verzorgd door de synovia.
    - Voordeel: geen beschadiging bloedvaten.
    - Nadeel: langzaam herstel bij beschadiging kraakbeen.
    Om het gewricht zit het capsula articularis (gewrichtskapsel), die bestaat uit twee
    lagen: de membrana synovialis (bevat zenuwen en bloedvaten) en de membrana
    fibrosa (stevigheid)
  • Indeling van gewrichten
    - Kogelgewricht: schouder en heup.
    - Ellipsvormig gewricht: pols
    - Zadelgewricht: aan de basis van de duim, tussen het handwortelbeentje en
    het middenhandsbeentje.
    - Scharniergewricht: elleboog, knie en gewrichten tussen vinger en
    teenkootjes.
    - Rolgewricht: tussen radius en ulna, tussen eerste en tweede halswervel
    (atlas en draaier).
    - Vlak gewricht: tussen hand- en voetwortelbeentjes.
    - Straf gewricht: tussen het sacrum en ilium.
  • Botten en botverbindingen van het hoofd
    Hersenschedel
    Het neurocranium (hersenschedel) omsluit de schedelholte. De beenderen zijn
    via suturae (naden) verbonden. De bovenkant heet het schedeldak, de onderkant
    de schedelbasis. De hersenschedel bestaat uit acht platte beenderen:
    - Os frontale (voorhoofdsbeen): De sinus frontalis (voorhoofdsholte) wordt
    gevormd door het os frontale.
    - 2x Os pariëtale (wandbeen): vormen grootste deel schedeldak en wand.
    - 2x Os temporale (slaapbeen): de arcus zygomaticus (jukboog) is een naar
    voren uitstekend deel van het os temporale. De processus mastoideus is
    een uitstekend deel van het os temporale (achter het oor voelbaar). Het os
    petrosum (rotsbeen) is een naar binnen uitstekend deel van het os
    temporale, hierin bevindt zich het evenwichtsorgaan en de gehoorgang.
    - Os occipitale (achterhoofdsbeen): het foramen magnum (groot
    achterhoofdsgat) wordt gevormd door het os occipitale. Rechts en links
    hiervan zijn de achterhoofdsknobbels te voelen.
    - Os ethmoidale (etmoïd): Het os ethmoidale bevat de reukzintuigen en
    bestaat uit meerdere benige platen. De mediale plaat is het septum nasi
    (neustussenschot). Links en rechts hiervan zitten de conchae
    (neusschelpen). De laterale beenplaten vormen de zijwanden van de
    neusholte. In het zeefbeen zit een kronkelige bijholte; de sinus ethmoidalis.
    - Os sphenoidale (sfenoïd): uitholling hierin wordt het Turkse zadel
    genoemd. De bijholte van het os sphenoidale heet de sinus sphenoidalis.
  • Aangezichtsschedel
    Aan de bovenkant van de oogkassen gaat de hersenschedel over in het
    viscerocranium (aangezichtsschedel). De botstukken vormen begrenzing van
    oogkassen, neusholte, mondholte en keelholte. Het viscerocranium bestaat uit:
    - 2x Os nasale (neusbeen): de twee ossa nasales liggen tegen elkaar en
    vormen het harde bovengedeelte van de neusrug. Gelegen vlak onder het
    os frontale.
    - 2x os lacrimale (traanbeen): klein botstuk aan de mediale kant van elke
    oogkas. Bevat een verticale doorgang voor de traanbuis.
    - 2x os zygomaticum (jukbeen): sluit aan op de jukboog van het slaapbeen.
    - Vomer: plat botstuk dat het dorsocaudale deel van het neustussenschot
    vormt.
    - Maxilla (bovenkaak) met gebitselementen: bevat het palatum durum
    (harde gehemelte) en de sinus maxillaris (kaakholte)
    - Mandibula (onderkaak) met gebitselementen: het enige beweegbare
    botstuk van de schedel. Aan de achterkant eindigt dit botstuk aan beiden
    kanten in een knobbel die de gewrichtskop van het kaakgewricht vormt.
    De kom van het slaapbeen is ondiep en heeft een groter gewrichtsvlak dan
    de kop. Dit geeft ruime bewegingsmogelijkheid.
  • Botten en botverbindingen van de romp
    Wervelkolom
    De wervelkolom bestaat uit 33 (soms 34) vertebrae (wervels) die worden
    aangeduid met letters en cijfers. Van craniaal naar caudaal:
    - Halswervels: C1 t/m C7
    - Borstwervels: Th1 t/m Th12
    - Lendenwervels: L1 t/m L5
    - Heiligbeenwervels, samen vergroeid tot het heiligbeen, S1 t/m S5
    - Staartbeen. Tijdens de embryonale ontwikkeling vergroeid uit 4 (soms 5)
    wervels.
  • Botten en botverbindingen van de romp
    Wervelkolom
    De wervelkolom bestaat uit 33 (soms 34) vertebrae (wervels) die worden
    aangeduid met letters en cijfers. Van craniaal naar caudaal:
    - Halswervels: C1 t/m C7
    - Borstwervels: Th1 t/m Th12
    - Lendenwervels: L1 t/m L5
    - Heiligbeenwervels, samen vergroeid tot het heiligbeen, S1 t/m S5
    - Staartbeen. Tijdens de embryonale ontwikkeling vergroeid uit 4 (soms 5)
    wervels.
  • Krommingen
    Van de zijkant gezien vertoont de wervelkolom een aantal krommingen in de
    vorm van een dubbele S-bocht. Er zijn drie typen krommingen:
    - Lordose: kromming met de bolle kant naar voren. De wervelkolom bevat
    twee lordosen; de cervicale lordose en de lumbale lordose.
    - Kyfose: kromming met de bolle kant naar dorsaal (rugzijde). De
    wervelkolom bevat twee kyfosen; de thoracale kyfose en de sacrale kyfose.
    De vrij scherpe overgang van lumbaal naar sacraal heet het
    promontorium.
    - Functionele scoliose: (normale) zijwaartse kromming. Bijvoorbeeld bij het
    optillen van een zware koffer met 1 hand. De functionele scoliose verdwijnt
    wanneer je plat op je rug ligt.
  • Algemene bouw van de wervel
    Elke wervel is opgebouwd uit een corpus (wervellichaam) en een arcus
    (wervelboog) met enkele processus (uitsteeksels).Het wervellichaam bevind zich
    aan de ventrale kant (buikzijde), de wervelboog zit aan de dorsale kant en
    omsluit het foramen vertebrale (wervelgat). Alle wervelgaten boven elkaar
    vormen het wervelkanaal.
    Tussen elke twee wervels zit een tussenwervelschijf, die bestaat uit kraakbeen.
    Tussen opeenvolgende wervelbogen zit aan beide kanten een opening, het
    foramen intervertebrale (tussenwervelgat).
    De meeste wervels hebben een wervelboog met zeven uitsteeksels:
    - processus spinosus (doornuisteeksels)
    - 2x processus transversi (dwarsuitsteeksels)
    - 4x processus articulares (gewrichtsuitsteeksels) deze vormen
    facetgewrichten (kleine gewrichten) met de aangrenzende wervelbogen.
  • Specifieke bouw wervels
    Halswervels
    De vertebrae cervicales (halswervels) zijn relatief klein en licht. De eerste
    halswervel, de atlas (C1), heeft een aantal bijzonderheden:
    - Hij heeft geen doornuitsteeksels.
    - De wervel is ringvormig en heeft geen wervellichaam.
    - In plaats van de bovenste gewrichtsuitsteeksels zijn er twee
    gewrichtsvlakken, die scharniergewrichten vormen met de
    achterhoofdsknobbels.
    - Aan de onderkant zijn er twee gewrichtsvlakken voor de facetgewrichten
    met de tweede halswervel, de axis.
    De axis (draaier, C2) heeft een dens (tand) die past in een klein gewrichtsvlak
    aan de voorkant van de atlas. De bewegingsmogelijkheden in de gewrichten
    tussen de schedel en de atlas, en tussen de atlas en de axis, zorgen er voor dat
    je je hoofd naar alle kanten kan bewegen.
  • Borstwervels
    De vertebrae thoracales (borstwervels) zijn groter dan de halswervels. De
    gewrichtsvlakken van de onderlinge facetgewrichten staan bijna verticaal,
    waardoor er in dit gebied een beperkte voor en achterwaartse beweging is.
    Rotatie is goed mogelijk.
  • Lendenwervels
    De vertebrae lumbales (lendenwervels) zijn de grootste en zwaarste wervels. Ze
    moeten het grootste gewicht dragen. Rotatie is in dit gebied vrijwel onmogelijk.
    Voor en achterwaartse beweging is wel mogelijk.
  • Heiligbeenwervels
    De vertebrae sacrales (heiligbeenwervels) zijn vergroeid tot het os sacrum
    (heiligbeen). Er zijn nauwelijks doornuitsteeksels. Er zijn geen bewegingen tussen
    de vergroeide wervels mogelijk.
  • Staartbeenwervels
    De vertebrae coccygeae (staartbeenwervels) zijn vergroeid tot het os coccygis
    (staartbeen)
  • Tussenwervelschijven
    De discus intervertebrales (tussenwervelschijf) heeft een van een waterrijke, gelachtige substantie. De kern wordt de nucleus pulposus genoemd. Rondom deze kern zit de anulus fibrosus, een stevige ring, opgebouwd uit een vezelig
    kraakbeen en collagene vezels.

    Essentiële eigenschappen voor de wervelkolom:
    - Drukvast; opvangen drukkrachten
    - Vervormbaar; buigzaam
  • Ligamenten
    Over de hele lengte van de wervelkolom lopen twee ligamenten: het ligament
    longitudinale posterius en het ligament longitudinale anterius. Ligamenten
    vergroten stevigheid.
    De wervelbogen worden onderling verbonden door de ligamenta flava. Tussen de
    processus spinose en de processus transversi liggen de ligamenta interspinalia
    en ligamenta intertransversaria.
    Het ligamentum supraspinale ligt van C1 tot C5.
  • Ribben en borstbeen
    Er zijn twaalf paar costae (ribben). Het zijn platte, smalle en gebogen botten. De
    bovenste zeven paar ribben zijn de ware ribben, deze zijn via kraakbeen met het
    borstbeen verbonden. Hieronder liggen drie paar valse ribben, ze zijn met een
    gemeenschappelijk kraakbeenstuk met de onderste ware rib verbonden. De twee
    paar onderste ribben heten de zwevende ribben. Ze zijn kort en hebben geen
    verbinding met het borstbeen.
    Het sternum (borstbeen) is een plat bot, goed voelbaar onder de huid. Je kunt het
    bot in drie delen onderscheiden:
    - Het manubrium (handvat): bovenaan. Sleutelbenen en twee bovenste
    ribben zitten hier aan vast.
    - Het corpus sterni: middenstuk. Overige ware ribben en de valse ribben
    zitten hier aan vast.
    - Processus xiphoideus (zwaardvormig uitsteeksel): drie hoekige punt.
    De thorax (borstkas) wordt gevormd door de ribben, het borstbeen, de
    borstwervels en de rompspieren.
  • Botten en botverbindingen van extremiteiten.
    Schoudergordel
    De scapula (schouderblad) heft dorsaal een transversale beenplaat, de spina
    scapulae, deze eindigt lateraal in het acromion, de plaats waar het schouderblad
    met een gewricht aan het sleutelbeen vast zit. De clavicula (sleutelbeen) ligt,
    ondanks de ondiepe gewrichtskom in het manubrium, verankert door middel van
    stevige gewrichtsbanden.
  • Arm en hand
    Het skelet van de arm bestaat uit drie lange pijpbeenderen;
    - Humerus: opperarmbeen
    - Radius: spaakbeen
    - Ulna: ellepijp
    De humerus is via een kogelgewricht met de schouder verbonden. De kom is vrij
    ondiep en klein, wat de arm veel bewegingsmogelijkheid geeft. Het gewricht is
    verstevigd met ligamenten die verhinderen dat de kop snel uit de kom schiet.
    De ulna heeft aan de elleboogkant een vrij breed uiteinde: het olecranon
    (ellepijpshoofd). Dit vormt samen met het uiteinde van de humerus het ellebooggewricht, een scharniergewricht. De ulna vormt een rolgewricht met het
    ronde uiteinde van de radius.
    Tussen de ulna en de radius zit de membrana interossea antebrachii, een
    bindweefselverbinding die vooral dienst doet als aanhechtingsplaats voor
    spieren.
    De hand bestaat uit een groot aantal kleine botten:
    - 8x ossa carpi: handwortelbeenderen
    - 5x ossa metacarpi: middenhandsbeenderen
    - 14x: ossa digitorum manus: vingerkootjes
    Bij de duim zit een zadelgewricht, waardoor beweging naar alle kanten mogelijk
    is. Bij de andere vingers is alleen opponeren mogelijk.
  • Bekkengordel
    Kortweg bekken (pelvis). Bestaat uit twee ossa coxae (heupbeenderen), het
    heiligbeen en het staartbeen. Elk heupbeen bestaat uit drie botten:
    - Darmbeen
    - Zitbeen
    - Schaambeen
    Deze botten zijn met elkaar vergroeid.
  • Het darmbeen
    Het os ilium (darmbeen) is een groot, schaalvormig, plat botstuk. De bovenrand
    wordt crista iliaca (bekkenkam) genoemd. Het voorste deel daar van, de spina
    iliaca anterior superior, steekt wat uit en kun je voelen zitten in je zij.
    De darmbeenderen vormen meestal een straf gewricht met het heiligbeen, het
    sacroiliacaal gewricht (SI-gewricht).
  • Het zitbeen
    Het os ischii (zitbeen) is een staafvormig botstuk, met aan de onderkant een
    verbreding, de tuber ischiadicum (zitbeenknobbel).
  • Het schaambeen
    Het os pubis (schaambeen) omsluit met het zitbeen een grote opening, het
    foramen obturatum. De schaambeenderen sluiten niet op elkaar aan, maar zijn
    verbonden met een kraakbeenschijf, de symphysis pubica (symfyse).
  • Heupgewricht
    Op de plaats waar de drie vergroeide botstukken samenkomen, bevind zich de
    gewrichtskom van het heupgewricht, de acetabulum. Rond het bekken zitten
    ligamenten, die de stevigheid en stabiliteit nog verder vergroten.
  • Het grote en kleine bekken
    Bovenste deel; pelvis major (grote bekken), onderste deel; pelvis minor (kleine
    bekken). De overgang tussen de grote en kleine bekken heet de bekkeningang.
    De bekkeningang is de toegangsweg naar de bekkenholte van het kleine bekken.
    De opening aan de onderkant van het kleine bekken heet de bekkenuitgang. Bij
    de vrouw zijn de bekken in- en uitgang groter, i.v.m. zwangerschap en het baren
    van een kind.
  • Been en voet
    De skeletdelen van het been:
    - Femur: dijbeen
    - Fibula: kuitbeen
    - Tibia: scheenbeen
    - Patella: knieschijf
  • Het heupgewricht vormt een verbinding tussen de bekken en het dijbeen, en is
    een kogelgewricht. De kom is vrij diep, en omvat een groot deel van de
    dijbeenkop (caput femoris). Tussen de caput femoris en de eigenlijke
    dijbeenschacht zit het collum femoris (dijbeenhals).
    Bovenaan het femur zit een knobbel, de trochanter major. Onderaan zit een
    kleinere knobbel, de trochanter minor. Beide dienen voor aanhechting van de
    spieren.
    Het kniegewricht is een scharniergewricht, waarmee strek- en buigbewegingen
    mogelijk zijn. In gebogen stand zijn er echter ook draaibewegingen mogelijk. Dit
    komt door een kier; relatief veel ruimte tussen de kop en de kom. Zo’n kier wordt
    opgevuld door twee menisci (halvemaanvormige kraakbeenschijf):
    - De mediale meniscus: binnen meniscus
    - De laterale meniscus: buiten meniscus
    Midden in het gewricht bevinden zich stevige gewrichtsbanden: de kruisbanden.
    De patella zit in de kniepees (een sesambeen; verbeend stuk pees).
    Tussen de tibia en fibula is een bindweefselvlies gespannen, de membrana
    interossa cruris, die voornamelijk dient als aanhechtingsplaats voor spieren.
  • De skeletdelen in de voet:
    - 7x ossa tarsi: voetwortelbeenderen
    - 5x ossa metatarsi: middenvoetsbeenderen
    - 14x ossa digitorum pedis; teenkootjes
    Een opvallend voetwortelbeen: de talus (sprongbeen), deze neemt een centrale
    plaats bij het enkelgewricht, die uit twee delen is opgebouwd:
    - Bovenste spronggewricht
    - Onderste spronggewricht; de calcaneus en de os naviculare.
    Voetgewelven: boogstructuren in de voet.
  • Spieren
    Algemene bouw en functie
    Een musculus (skeletspier) heeft een verdikt middenstuk, de spierbuik, die is
    omgeven door een bindweefsellaag, de spierfascie. Aan beiden kanten loopt de
    musculus over in een pees.
    De spier is opgebouwd uit meerdere spierbundels, omgeven door het perimysium
    (een bindweefselvlies).
    Elke spierbundel bestaat uit spiervezels, die elk een dunne bindweefselmantel
    hebben; het endomysium.
    De spiervezels is gevuld met in de lengterichting verlopende myofibrillen
    (spierfibrillen). Dit zijn de contractie elementen. Ze worden zo genoemd omdat ze
    voor de samentrekking van de spieren zorgen.
  • Actine en myosine
    Myofibrillen zijn bundels die bestaan uit twee typen eiwitten; actine en myosine.
    Actine en myosine liggen regelmatig gerangschikt ten opzichte van elkaar, en
    vormen zo een regelmatig streepjespatroon. Door de draadvorm wordt er ook wel
    gesproken van actinefilamenten en myosinefilamenten (filament = dun,
    draadvormig). De actinefilamenten kunnen schuiven ten opzichte van de
    myosinefilamenten door middel van het vormen van bindingen. Het in elkaar
    schuiven van de actine- en myosinefilamenten, en dus het verkorten van de myofibrillen, heet contractie. Zodra de contractie onderbroken wordt, treedt er
    relaxatie op.
    Bij totstandkoming van de bindingen tussen actine en myosine heb je
    calciumionen nodig
  • Motorische eenheid
    De motorische eenheid is de motorische zenuwcel, samen met alle spiervezels
    die hij bestuurt. In de meeste spier zijn altijd enkele motorische eenheden actief,
    deze leiden niet tot een contractie. Er is daardoor een zekere mate van
    trekspanning in de spier; de spiertonus of rustspanning. De spiertonus essentieel
    voor het handhaven van de lichaamshouding.
    Spieratrofie: afbraak spiercellen, spier wordt slap.
    Spierhypertrofie: spier neemt in massa toe, spier wordt dikker en sterker
  • Langzame en snelle spierezels
    Snelle spiervezels kunnen na prikkeling binnen minder dan 0.01 seconde krachtig
    samentrekken. Er wordt in korte tijd veel ATP verbruikt, en de cellen zijn snel
    uitgeput.
    Langzame spiervezels trekken ongeveer drie keer zo langzaam samen, maar
    kunnen een contractie langer volhouden. Door een aangepaste
    energiestofwisseling raken ze minder snel vermoeid. Langzame spiervezels zijn
    beter doorbloed, omdat ze meer zuurstof nodig hebben.
    Spieren die nodig zijn voor de lichaamshouding hebben veel langzame
    spiervezels. Skeletspieren hebben vaak meer snelle spiervezels.
  • Pezen en peesscheden
    Een tendo (pees) bestaat uit straf bindweefsel met parallel lopende collagene
    vezels en is niet samentrekbaar. Veel pezen zijn beschermd tegen
    wrijvingskrachten door een vagina tendinis (peesschede), dit is een
    dubbelwandige koker van straf bindweefsel rond de pees.
  • Antagonisten en synergisten
    Antagonisten zijn spieren die een tegengesteld effect hebben op de beweging.
    Bijvoorbeeld in de arm de biceps (een flexor; buigspier) en de triceps (een
    extensor; strekspier).
    Spierantagonisme is wanneer de ene spier aanspant, de andere zal ontspannen.
    Synergisten zijn spieren of spiergroepen die bij contractie het zelfde effect
    veroorzaken; ze versterken elkaar. Een voorbeeld hiervan is het buigen van de
    knie, waarbij meerdere spieren in de kuit samenwerken.
  • Spieren van hoofd en hals - Hoofd

    Mimische spieren
    Deze spieren brengen de gelaatsuitdrukking tot stand.

    Kauwspieren
    Bewegen de onderkaak ten opzichte van de rest van de schedel.
    - m. masseter; kauwspier
    - m. temporalis; slaapspier
    - m. buccinator; wangspier

    Tongspieren
    Zijn bekleed met tongslijmvlies, en zitten vast aan het os hyoideum. Speelt een
    rol bij kauwen, slikken en praten.

    Oogspieren
    De musculi bulbi (oogspieren) zorgen voor de beweging van de oogbol. De
    musculi bulbi bestaan uit:
    - 4x rechte oogspieren; voor de bewegingen naar beneden, boven, links en
    rechts.
    - 2x schuine oogspieren; voor draaiing rond de optische as.
  • Hals

    Rugstrekker

    De m. erector spinae is nodig voor het rechtop houden van het hoofd.

    Monnikskapspier
    De m. trapezius is nodig voor het draaien van het hoofd en het optrekken van de
    schouders.

    Schuine halsspier
    De m. sternocleidomastoideus is nodig voor het buigen van de nek en rotatie van
    het hoofd.
  • Rugspieren: oppervlakkig gelegen
    worden niet tot de rompwandspieren gerekend.
    - m. trapezius
    - m. deltoideus
    - m. latissimus dorsi
    - m. gluteus minimus
    - m. gluteus maximus
  • Borstwandspieren
    - m. intercostales interni (binnenste tussenribspieren)
    - m. intercostales externi (buitenste tussenribspieren)
  • Middenrifspier
    Het diafragma heeft in het midden een hartvormige peesplaat, die het centrum
    tendineum wordt genoemd. Er zitten drie doorgangen in het middenrif, waarvan
    een in de peesplaat voor de doorgang van de onderste holle ader. De andere
    twee zitten in het spiergedeelte en zijn voor de aorta en slokdarm.
Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Axiale skelet
1
Pagina 1 van 1