Samenvatting Introduction to Veterinary Anatomy and Physiology Textbook

-
ISBN-10 0702057339 ISBN-13 9780702057335
196 Flashcards en notities
14 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting Introduction to Veterinary Anatomy and Physiology Textbook

Victoria Aspinall; Melanie Cappello

(2015)

ISBN-10 0702057339

ISBN-13 9780702057335

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Introduction to Veterinary Anatomy and Physiology Textbook

  • 1 ?

  • Wat helpt dat dieren gemakkelijk navigeren met slingeren tussen de bomen
    het goede kortermijngeugen
  • 2 Weefsels

  • Wat is een weefsel?
    Een groep cellen waar één type cel overheerst.
  • Wat is een orgaan?
    een groep weefsels die samen een functie uitoefenen. 
  • Wat is een orgaanstelsel/ systeem?
    Een groep weefsels en organen die samen 1 functie uitoefenen.
  • Welke drie onderdelen kent een weefsel?
    - Cellen                                   (bepalen naam weefsel)
    - Vloeistof
    - Intercellulaire producten
  • Welke drie onderdelen kent een weefsel?
    - Cellen                               (bepalen naam weefsel)
    - Vloeistof                           (loopt door speciale kanaaltjes, interstitiële vloeistof)
    - Intercellulaire producten (geproduceerd door cel, in ruimte tussen cellen)
  • Wat zijn de vier belangrijkste weefseltypen? en wat zijn hun functies? 
    1. Epitheelweefsel  beschermt, soms secretie en absorptie. Epitheel zit waar je lichaam in contact is met de buitenwereld. (maag, huid, longen)
    2. Bindweefsel  verbinding, stevigheid, transport.
    3. Spierweefsel  voor beweging.
    4. Zenuwweefsel  geleid impulsen door het lichaam.
  • Welke soorten epitheel zijn er?
    Enkelvoudig epitheel --> 1 cellaag dik. (simple)
    Meerlaags epitheel -->  meerdere cellagen dik. (compound) hoe dikker hoe meer bescherming.
    Endotheel --> vorm van epitheel aan de binnenkant van de bloedvaten en het hart. 
  • Welke drie vormen epitheelcellen zijn er?
    Squamous (plaveisel), Plat van vorm.
    Cuboidal (Kubisch), kubus vormig
    Columnar (zuilvormig), hoge smalle vorm.
  • Wat is klierweefsel en welke twee soorten zijn er?
    Klierweefsel is een vorm van epitheel. Klierweefsel produceert iets. (secretie)
    Twee soorten klierweefsel:
    exocrien en endocrien. Exocrien weefsel heeft afvoerbuisjes waardoor de geproduceerde stoffen (oa hormonen) afgevoerd worden naar de bestemming. Endocrien weefsel heeft geen afvoerbuisjes, stoffen worden afgevoerd via het bloed. 
  • Wat is een matrix?
    In elk soort bindweefsel zit een matrix. Een matrix is een soort fundament waar het weefsel op gebouwd is. Matrixen in verschillende weefsels kunnen verschillende vormen hebben.
  • Welke 7 soorten bindweefsel zijn er? Noem ze van zwak naar sterk.
    1. Bloed   -->    Bestaat uit rode en witte bloedcellen, bloedplaatjes en eiwitten
    2. beenmerg (Hemopoëtisch weefsel) --> Bestaat uit stamcellen die bloed vormen.
    3. Losmazig bindweefsel (areolar weefsel) --> bestaat uit 2 soorten eiwitvezels: collageen en elastische. 
    4. Vetweefsel (adipose) --> veel vetcellen in de matrix
    5. Dicht/vezelig bindweefsel (fibreus bindweefsel) --> bestaat uit collageen en elastische vezels. 
    6. Kraakbeen  --> bestaat uit chondrocyten, calciumfosfaat en vezels.
    7. Bot. --> bestaat uit osteocyten, calciumfosfaat en vezels.
  • Noem 7 feiten over het bot.
    - Botweefsel is levend weefsel.
    - De matrix van bot bestaat voornamelijk uit collageen. 
    - Beenmatrix heet ook wel osteoid.
    - In holtes in de matrix (lamellae/ lacunae) zitten osteocyten. 
    - Er zijn twee soorten been: compact en spongieus. 
    - Bot bevat haverse kanalen, dit zijn gangen in het bot waar bloedvaten doorheen lopen. 
    - Pijpbenen zijn hol vanbinnen. 
  • Beschrijf de twee soorten beenvorming.
    - Perichondrale beenvorming. Is been vorming direct uit het bindweefsel. Er is geen kraakbeen voorloper. Dit gebeurd bij platte beenderen (schedel).
    2 soorten: osteoblast (legt nieuw bot tussen 2 lagen bindweefsel)
    en osteoclast (remodelleerd bot).
    -Enchondrale beenvorming. Is indirect, Er is eerst kraakbeen, dit wordt omgezet in bot. Diafyse: primair centrum, osteoblast legt bot neer. Epifysen: secundair centrum.  Osteoclasten vormen mergholte, diafyse. De epifysairschijf zorgt voor de lengtegroei van het bot. 
  • Noem de drie typen kraakbeen.
    - Vezelig kraakbeen (tussenwervelschijven) 
    - Elastisch Kraakbeen (oorschelp, epiglottis) 
    - Hyalien kraakbeen (gewrichten).
  • Wat is de functie van Hyalien kraakbeen?
    Het zorgt ervoor dat de gewrichten soepel en zonder wrijving kunnen bewegen. Om dit mogelijk te maken kan het hyalien kraakbeen vervormen en de piekbelasting doorgeleiden naar het onderliggende bot.
  • Hoe worden kraakbeencellen gevoed?
    Kraakbeencellen worden gevoed door gewrichtsvloeistof (synovia). Synovia wordt gemaakt in het synovia membraan, dit ligt om het gewricht heen. 
    (Botcellen worden gevoed door bloed maar in kraakbeencellen kunnen geen bloedvaten groeien, hierdoor is er een andere oplossing gekomen.)
  • Beschrijf de drie soorten spierweefsel.
    -Dwarsgestreepte spieren. Deze spieren kan je bewust bewegen. Hieronder vallen de skelet spieren. Als je ze onder de microscoop bekijkt zijn ze gestreept.
    - Gladde spieren. Bewegen onbewust. Zitten in organen en wanden van bloedvaten. Ze zijn lang en spoelvormig.
    - Hartspieren. Dit is wel een dwarsgestreepte spier maar je kan hem niet bewust bewegen. Er lopen heel veel bloedvaten doorheen. Dwarsgestreepte cellen kunnen meerdere kernen per cel hebben. Hartspieren kunnen maar 1 kern per cel hebben. 
  • Waaruit is een spier opgebouwd?
    Uit spierbundels met bindweefsel ertussen. 
    Een spierbundel is weer opgebouwd uit een groot aantal spiervezels (myofibril). Spiervezels zijn draadvormige cellen (vaak met veel kernen). Om de spier heen zit een fascie die uitloopt in de pees. 
  • Wat is een motor unit?
    Een groep spiervezelcellen die door 1 zenuwuitloper worden aangestuurd
  • Uit welke twee eiwitten bestaat myofibril?
    Uit actine (dun) en myosine (dik). Bij contractie (samentrekken spier) schuiven actine en myosine in elkaar, de spier wordt hierdoor dikker en korter. Hier is ATP en calcium voor nodig. Contractie wordt aangestuurd door zenuwuitlopers.
  • Noem de drie manieren waarop een spier kan werken.
    - Extensie - Flexie (Buigen- strekken)
    - Adductie- abductie (naar je toe- van je af)
    - retractie- protractie (terug trekken- uitstrekken)
  • Wat is spieratrofie?
    Het afnemen in omvang van een spier door weinig gebruik. 
  • Wanneer is de spiertonus aanwezig?
    De spiertonus is altijd aanwezig. Dit bepaald je lichaamshouding (zonder spiertonus zou je niet kunnen staan). Als je slaapt neemt de spiertonus sterk af, je bent dan een soort verlamt. Als je wakker wordt is de spiertonus weer actief. 
  • Noem de 2 groepen skeletspieren.
  • Wat is de linea alba?
    Een pees die aan het borstbeen vast zit en waar alle buikspieren aan zitten. 
  • wat is de centrale reactie bij zure en base
    CO2 + H2O -><- H2CO3 -><- H+ + CHO-3
  • wat zijn de kenmerken van epitheel?
    1. staat in verbinding met buiten.
    2. beschermt de onderliggende organen.
    3. 1 cellaag dik -> darmepitheel
    4. meerlaags dik -> voetzool
  • wat produceert het klierweefsel?
    zweet, melk, glijmiddel, darmsap
  • wat is het verschil tussen exocrien en endocrien?
    exocrien hebben een afvoerbuisje -> zweetklier, uier
    endocrien hebben geen afvoerbuisje, produceren hormonen, via bloed naar "target" orgaan. -> eierstok, pancreas
  • benoem de onderdelen A tot en met F
    a. collageen vezels
    b. grond substantie
    c. fibroblast
    d. mastcel
    e. vetcel
    f. macrofaag
    g. elastische vezels
  • welke cellen zijn het hoofdbestanddeel van de matrix bij bot en kraakbeen?
    osteocyten (bot)
    chondrocyten (kraakbeen) 
    vezels en calciumfosfaat
  • welke cellen zijn het hoofdbestanddeel van de matrix bij fibreus en losmatig bindweefsel?
    collageen en elastische vezels
  • welke cellen zijn het hoofdbestanddeel bij bloed en bij beenmerg?
    bloed: rode en witte bloedcellen, bloedplaatjes en eiwitten.
    beenmerg: stamcellen die bloed vormen
  • uit welke onderdelen bestaat het been?
    collageen, kalkzouten, haverse kanalen, botvlies, spongieus been, compact been, osteocyten in holtes botweefsel en beenmatrix
  • wat zijn de kenmerken van perichondrale beenvorming (direct)?
    - uit bindweefsel
    - geen kraakbeen voorloper
    - in platte beenderen (schedel)
    - osteblast (legt bot neer tussen 2 lagen bindweefsel)
    - osteoclast (vernietigen of remodelleren bot)
  • benoem de stappen van de groei van het bot bij enchondrale beenvorming (indirect) en waar komt het voor?
    - komt voor bij pijpbeenderen.
    1. in de jonge foetus bestaan de pijpbeenderen alleen uit kraakbeen.
    2. vanuit het beenvlies rondom het bot wordt kraakbeen vervangen door been.
    3. groeilagen in de uiteinden van het bot zorgen voor de lengtegroei
    4. bloedvaten groeien het botje binnen. Er wordt een holte gevormd. ook in de uiteinden ontstaan holtes.
    5. het delend kraakbeen wordt omgezet in beenbalkjes
    6. beenderen zijn volgroeid, kraakbeen rondom de gewrichtsknobbel blijft over. holtes in de uiteinden zijn samengesmolten met de mergholte
  • waarvoor zorgen chondroblasten en chondroclasten bij kraakbeen?
    chondroblasten voor opbouw en chondroclasten voor afbraak
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Wat helpt dat dieren gemakkelijk navigeren met slingeren tussen de bomen
6
Wat is anatomie?
5
wat is fysiologie?
5
Wat is classificatie en waar is het op gebaseerd?
5
Pagina 1 van 48