Interne geneeskunde

by (13e, herz. dr.)
ISBN-10 9031341789 ISBN-13 9789031341788
939 Flashcards en notities
49 Studenten

Studeer slimmer met eFaqt samenvattingen

  • Beschikbaar voor computer, tablet, telefoon en op papier
  • Vragen met antwoorden over de leerstof
  • Ongelimiteerde toegang tot 300.000 online samenvattingen
  • Tools voor slim studeren & timers voor betere resultaten

Bekijk deze samenvatting

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Interne geneeskunde

  • 1 Nierziekten

  • xxx
    xxx
  • 1.1.3 Tubulaire processen

  • De samenstelling van de eindurine wordt bepaald door tubulaire transportprocessen. Over de richting van deze processen kan een indruk worden verkregen door de klaring van een stof te vergelijken met de GFR.
    In kwantitatief opzicht is de reabsorptie van natriumionen het belangrijkst. Bij de mens vindt de terugresporptie van natrium voor ongeveer 60 tot 65% in de proximale tubulus plaats, voor 25 tot 30% in het dikke opstijgende been van de lis va nHenle, en voor de resterende 10% in de pars contorta van de distale tubulus en de verzamelbuizen.
    De reabsorptie van natrium is voor het grootste deel een actief proces. Het belangrijkste enzym dat hierbij betrokken is, is het Na-K-ATP-ase dat aanwezig is in alle tubulusepitheelcellen, maar uitsluitend aan de basolaterale membraan. De richting en het type van deze transporten zijn in het geval van transcellulair transport mede afhankelijk van de doorlaatbaarheid van de celmembraan.
    In het algemeen zijn celmembranen slecht doorgankelijk voor ionen, water en hydrofiele stfooen. Transport hiervan vindt plaats via gespecialiseerde transmembraaneiwitten, die fungeren als transporters of kanalen.
    In de proximale tubuluscel is de onder invloed van de activiteit van het Na-K-ATP-ase ontstane natriumgradient de drijvende kracht voor transport van glucose, aminozuren en fosfaat (via zgn. symporters), van H+ via de Na-H-antiport, en van Cl- via een transporter die gebruikmaakt van geioniseerd mierenzuur. De uitscheiding van H+-ionen is in feite een manier om alle bicarbonaat te reabsorberen. Hierbij speelt het enzym carboanhydrase een grote rol.
    Het actieve natriumtransport zorgt niet alleen voor een chemische en elektrische gradient, maar ook voor een osmotische gradient. Deze osmotische gradient is verantwoordelijk voor het watertransprot. Dit watertransport verloopt grotendeels transcellulair door constitutief in de apicale en basolterale membraan aanwezige waterkanalen (aqueporine 1).
    De natriumreabsorptie in het dikke opstijgende been van de lis van Henle verloopt via de zgn. Na-K-2Cl-transporter. De activteit van deze transporter is mede afhaneklijk van recycling van kalium via een zgn. ROMK-kaliumkanaal in de apicale membraan en de uitscheindg van chloor via een Cl-kanaal in de basolaterale membraan.
    De Na-K-2Cl-transporter is het aangrijpingspunt van de lisdiuretica.
    In de distale tubulus vindt de reabsorptie van natrium en chloor plaats via de apicale Na-Cl-cotransporter. Deze transporter is het aangrijpingspunt voor thiazidediuretica. De distale tubulus is ook de plaats waar gereguleerd calcium-transporter plaatsvindt. Er bestaat een koppeling tussen het NaCl-transport en het calciumtransport: remming van de NaCl-reabsorptie versterkt de cacliumreabsprotie en vice versa.
    In de hoofdcellen van de verzamelbuizen wordt natrium gereabsorbeerd via het epitheliale natriumkanaal. De influx van natrium via dit kanaal is verantwoordelijk voor de elektrische gradient (lumen negatief), die in belangrijke mate bijdraagt aan de excretie van kalium. De epitheliale natriumkanalen worden gestimuleerd door aldosteron en geremd door onder andere amiloride. De hierdoor optredende veranderingen in de elektrische gradient verklaren de verhoogde respectievelijk verlaagde kaliumuitscheiding.
    De uitscheiding van H+ en HCO3- vindt plaats in de intercalaire cellen van de verzamelbuizen en is grotendeels actief en afhankelijk van H-ATP-ase en H-K-ATP-asen.
    De hoofdcellen in de verzamelbuizen zijn ook betrokken bij watertransport. Het watertransport over de apicale membraan vindt plaats door waterkanalen (aquaporine 2) die niet constitutief in de celmembraan aanwezig zijn. Deze waterkanelen zijn opgeslagen in zgn. cytoplasmatsche vesikels. Pas na stimulatie van de vasopressinereceptor vindt inbouw van aquaporine 2 vanuit de vesikels in de apicale membraan plaats. Het watertransport gebeurt dan onder invloed van een osmotische gradient die berust op hypertoniciteit van het niermerg. In de afdalende lis van Henle vindt alleen watertransport plaats, waardoor de concentratie van antrium dus zal toenemen. Het opstijgende been is niet doorlaatbaar voor water.
  • De natriumreasorptie in het medullaire gedeelte draagt in bealngrijke mate bij aan de hypertoniciteit van het niermerg. Deeze hypertoniciteit wordt mede instandgehouden door het tegenstroommultiplicatieprincipe: de lusvorm van de lissen van Henle en de vasa recta bevorderen de opbouw van een gradient en voorkomen het uitwassen daarvan. In het corticale (verdunnende) segment van de lis van Henle wordt de urine hypotoon gemaakt.
    De actieve transprotsystemen van onder andere glucose, fosfaat en aminozuren zijn alleen aanwezig in de proximale tubulus. Ook de actieve uitscheding van zwakke zuren en basen vindt alleen plaats in de proximale tubulus (secretieprocessen). Ook de actieve uitscheiding van zwakke zure en basen vindt alleen plaats in de proximale tubulus. Door middel van de laatstegenoemde transporten kunnen de niere een aantal eindproducten uitscheidne in urine. Deze transproten verlopen via zgn. anion- en kationtransporters die gelokaliseerd zijn in de basolaterale en apicale membraan van de proximale tubulusepitheelcellen.
    Ook urinezuur wordt gereabsorbeerd in de nier door de uraat-anion-antiport die zich bevindt in de apicale membraan van de proximale tubuluscel. De aanwezigheid van anionen aan de luminale zijde remt het uraattransport, terwijl de aanwezigheid van dezelfde anionen intracellulair het uraattranspoort stimuleert.
    De renale klaring van het ultrafiltreerbare ureum bedraagt 30 tot 70% van de GFR. Tijdens de passage door de tubuli wordt ureum aan de urine onttrokken. In de proximale tubulus en in de lis van Henle vindt passief transport plaats van ureum. De distale tubulus en de corticale en buitenste medullaire segmenten van de verzamelbuizen zijn impermeabel voor ureum. In het binnenste medullaire deel van de verzamelbuizen is wel transport van ureum mogelijk onder invloed van vasopressine (=ADH).
  • 1.4 Acute en chronische nierinsufficientie

  • Nierinsufficientie is de toestand van verminderde GFR. Valt de nierfunctie plosteseling uit, dat wil zeggen in de loop van enkele uren, dagen of weken, dan spreekt men van een acute nierinsufficientie. Een acute nierinsufficientie is vaak een medische calamiteit, waarbij snelle diagnostiek vereist is. Enerzijds treden er vaak aanzienlijk, potentieel levensbedreigende verstoringen in de water- en zouthuishouding op (hyperkaliemie, overhydratie) die directe behandeling noodzakelijk maken.
    Bij een gelijdelijke achteruitgang van de nierfunctie spreekt men va een chronische nierinsufficientie. In de meeste gevallen is herstel van de nierfunctie niet mogelijk en gaat de nierfunctie gelijkdelijk achteruit. Daat de glomerulusfiltratie on de 5 a 10 ml/min., dan spreken we van terminale nierinsufficientie.
  • Acuut nierfalen (ANI), aantekeningen college
    • prerenaal (55%)
    • renaal (35%)
    • postrenaal (10-15%)

    Prerenaal is vaak reversibel. Postrenaal vindt men de oorzaak vaak in prostaathypertrofie.
    Bij ANI is uitvoerig onderzoek essentieel
    • RR (vitale parameter), vulling, huid, gewrichten, hart en longen, abdomen
    • Lab: bloed, elektrolyten
    • urine: sediment, Na excretie, eiwit
    • ECG: pericarditis, hyperkaeliemie
    • echo: anatomische afwijkingen
    • nierbiopt

    Pre- renale nierinsufficientie
    - nier structureel intact
    - reversibiliteit
    - afgenomen nierperfusie wordt vaak gecompenseerd. Bij falen cmpensatie meer kans op ANI
    Oorzaken
    Extracellulaire volumedepletie: braken, diarree, bloeding
    • natriumretentie
    • RR omlaag
    • slechte huidturgor
    • discrepant hoog ureum (a.g.v. sterke terugresorptie)
    • compensatie: constrictie efferente arteriole
    • zoutretentie (compensatie volumdepletie)
    • niet noodzakelijk: sedimentsafwijkingen
    • vaak patient reeds bekend met nierziekte

    Intravasculaire volumdepletie
    ascitis, crush injury, peritonitis, sepsis (vocht in verkeerde compartiment)
    Verminderd hartminuutvolume (HMV): hartfalen
    • geen druk, geen filtratie, lage RR
    • beld links of rechts decompensatio cordis
    • longstuwing/ forward failure (L)
    • perifeer oedeem (R)
    • forse dosis diuretica

    Verminderde doorbloeding: nierarteriestenose, aorta dissectie
    • alleen als dubbelzijdig
    • forse hypertensie
    • diverse ziektebeelden
    • stentplaatsing mogelijk
    • stenose geeft pas bij fors beperkte diameter (80%) klachten

    Autoregulatiestoornis: medicamenteus
    • angiotensine II is een zeer sterke vasoconstrictor
    • pathofysiologie:
    • verminderde nierperfusie
    • wegvallen glomerulaire filtratiedruk
    • en ischemie
    • tubulus heeft hoogste zuurstofconsumptie a.g.v. actieve terugresorptieprocessen: meest kwetsbaar voor zuurstoftekort.

    Renale hemodynamiek en filtratiedruk
    • NSAID: afferente constrictie
    • ACE: efferente dilatatie
    • Hypovolemie: afferente dilatatie

    Differentiatie tussen renaal en prerenaal valt op te maken uit de waarden in urine en serum. Prerenaal is er vaak zoutretentie en geconcentreerde urine. Er zijn geen obligate sedimentsafwijkingen (ureum en serum kunnen iets verschillen).
Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Welke drie grootheden bepalen de kwaliteit van de circulatie?
12
Wat bepaalt het hartminuutvolume?
12
waar bevind de pijn die uitgaat van de slokdarm?
12
waar bevind de pijn die uitgaat van de maag-dupdenum-pancreas?
12
Pagina 1 van 150