Samenvatting Institutionele economie

-
118 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Institutionele economie

  • 1 Institutionele economie

  • Keuze worden gemaakt op institutionele gronden, dus niet puur economisch
  • Wat is een economisch probleem?
    Als een keuze moet worden gemaakt in de aanwending van schaarse goederen. Hierbij is schaarste niet een tekort of weinig, maar schaarste waarbij je keuzes moet maken, omdat je maar een beperkte hoeveelheid hebt van een grondstof. Bijvoorbeeld bij meel, je moet kiezen of je broden bakt of taartjes.
  • Vrije goederen zijn het tegenovergesteld van schaarse goederen. Deze zijn onbeperkt aanwezig, zoals wind en zonlicht.
  • Wat houdt de rationaliteitshypothese in?
    Dit is een veronderstelling binnen de neoklassieke gedachte, men gaat er van uit dat mensen rationeel (doordacht) denken
  • Wat houdt de neoklassieke theorie in?
    Ook wel de markt- en prijstheorie genoemd. Het oogmerk van deze theorie is het verklaren hoe markten werken en na te gaan hoe vragers en aanbieders reageren op prijsveranderingen en verstoringen, zoals belastingheffingen en of een hoeveelheidsbeperking. 

    Het is de hoofdstroom in de economische theorievorming die ervan uitgaat dat evenwichten op markten van economische goederen tot stand komen door aanpassingen in de relatieve prijzen (de verhouding tussen de product en de dienst). Dit prijs- en marktmechanisme bewerkstelligt idealiter ook een evenwichtige economische ontwikkeling in de tijd; een intertemporeel evenwicht. 
  • Als econoom streef je naar maximale welvaart, je wilt maatschappelijk een optimale allocatie: de schaarse goederen zijn optimaal ingezet voor de welvaart.
  • Leg optimale allocatie uit
    Er is optimale allocatie als geen enkel iemand in de welvaart vooruit kan gaan zonder dat een of meer personen in welvaart achteruit gaat. Optimale allocatie is er als er voldaan is aan het criterium van parato.
  • Leg het criterium van parato uit:
    Het Pareto-criterium houdt in dat er sprake is van een toename van de maatschappelijke welvaart indien het nut van een of meer leden van de samenleving groter wordt zonder dat het nu van enig ander lid van de samenleving kleiner wordt.
  • Economische problemen zijn vaak zo complex, daardoor moet je er vaak een deelprobleem van maken. Zoals werkloosheid in Groningen oplossen, niet in heel Eruopa. De overige laten we ceteris paribus.
  • Wat is ceteris paribus?
    Alle overige factoren veranderen niet. De ceteris paribusformule speelt een belangrijke rol in het redeneren van economen om de effecten van de verandering van een variabele te zuiveren van effecten van tal va andere veranderingen die zich tegelijkertijd voor kunnen doen.
  • Wat is de hoofdstroming van de neoklassieke gedachtegang?
    'Marktwerking is perfect en consumenten zijn rationeel.'
  • Wat is informatie assymetrie?
    Het houdt zich bezig met de beslissingen die economische agenten maken in transacties. De ene beschikt over meer of over beter informatie dan de andere partij. Dit creëert in deze transacties een onbalans in macht. Contractpartijen beschikken vaak over andere informatie, de strijd is nooit eerder (als je een huisje in Italie koopt, weet die man er veel meer van af en de buurt dan jij)
  • In welke drie dimensies van welvaart kan je optimale allocatie samenvatten? (TENTAMEN)
    De optimaliteit van allocatie, de verdeling en de duurzaamheid. "The best use, the fair use en the sustainable use of resources." --> de schaarse producten zijn op de juiste manier ingezet, je zorgt dan iedereen een beetje mee kan denken en dat er sprake is van duurzaamheid en goede werkomstandigheden.
  • Markten en overheden zijn contingent, zij vullen elkaar aan.
  • Keuzes zijn vaak afhankelijk van keuzes die je in het verleden hebt gemaakt: padafhankelijkheid en lock in. Bijvoorbeeld met de tram. Ook al zijn er problemen, je moet door omdat je die keuze hebt gemaakt voor die lijn. Als je er eenmaal in het geïnvesteerd moet je doorgaan.
  • De klassieke theorie begon bij adam smith, vanaf marshall heet het NEO klassiek
  • Waaruit blijkt dat de overheid steeds meer marktconform begint te werken?(ze proberen hun efficiency verhogen)
    - Diensten moeten hun werkzaamheden op elkaar aanpassen
    - Ambtenaren harder laten werken door bonussen.
    - Quasi contracten: korte contracten waar je na een aantal jar kan kijken hoe er gepresteerd wordt en daarop besluiten verder te gaan. 
  • Markten zijn contingent en complimentair.
  • HOOFDSTUK 2
  • Welke twee prijseffecten heb je?
    1. Het substitutie effect
    2. Inkomens effect
  • Prijseffect --> je macbook wordt €100,- duurder
    Inkomens effect --> je koopkracht daalt, want je behoud hetzelfde inkomen
    Substitutie effect --> relatief worden andere laptoppen goedkoper

    Adam smith en Jones --> 1776 klassieke economie (rationaliteitshypothese
  • Je kan alleen klassiek redeneren als je erop vertrouwd dat markten op de lange termijn in evenwicht komen, vanuit zichzelf, zonder hulp van de overheid.
  • Wanneer heb je de overheid nodig om het weer in evenwicht te brengen?
    Bij labiel evenwicht
  • Stabiel evenwicht wil niet zeggen dat je in evenwicht bent. Er is een onevenwicht die de tendens heeft om evenwicht te worden.
  • Stichting van de Arbeid (hoort bij het poldermodel). Hier vind centraal loonoverleg plaats tussen werkgevers, werknemers en de overheid. En die sluiten een centraal akkoord. Dit akkoord is het platform voor 250.000 cao’s die per bedrijfstak gelden. 
  • Overleg met werkgevers en werknemers à prairiemodel
  • Als een contract niet volledig is en alle mogelijke dingen dekt kan het heel duur uitpakken, maar om volledige contracten op te stellen is ook heel duur. Je moet hier een keuze maken.
  • externe effecten zijn onbedoelde bijwerkingen van productie of consumptie die door anderen dan de veroorzaker worden ervaren.
  • Ronald Coase: 'Overheid jij moet je niet bemoeien met de externe effecten, dat moet de vervuiler en de vervuilde samen met elkaar regelen.' Het wordt civielrechtelijk opgelost. De vervuilde moet gecompenseerd worden door de vervuiler. Het moet worden opgelost met sociale kosten.
  • producten zijn bijna altijd heterogeen, consument heeft keuzevoorkeur.
  • Uit welke drie onderdelen bestaan transactiekosten?
    1. Informatiekosten: zoekkosten om aan relevante informatie te komen
    2. Onderhandelingskosten
    3. Bekrachtigingskosten: je eigendom bewaken
  • Waarom bestaan er naast markten ook bedrijven en andere organisaties?
    Dat is een besparing op de transactiekosten
  • Waarom wordt op de arbeidsmarkt de arbeid als regel niet per uur gekocht en verkocht, maar via vaste, langlopende contracten?
    Dergelijke listed prices dragen bij aan een betrouwbare kwaliteit van het geleverde aanbod en besparen zo op de informatie kosten.
  • Waarom kan de overheid een efficiente institie zijn om het aanbod van bepaalde goederen en voorzieningen te garanderen?
    Dat is met name het geval bij goederen met relatief omvangrijke externe effecten die veel transactiekosten tussen partijen met zich mee zouden brengen wanneer geprobeerd zou worden om de optimale hoeveelheid ervan door middel van vrijwillige onderhandelingen en ruil te bepalen.
  • Waarom kan een samenleving als geheel baat hebben bij macro instituties, zoals bijvoorbeeld werkgevers en werknemerskoepels die met elkaar op nationaal niveau overleggen over loonmatiging?
    Dergelijke instanties generen vertrouwen en kunnen daarmee transactiekosten verlagen in een economie; in dit geval de transactiekosten die de overheid moet maken om partijen te overtuigen dan loonmatiging gewenste is ter wille van werkgelegenheidscreatie. Dit is het voordeel van het poldermodel.
  • Waarom kunnen bestaande instituties ook gan disfunctioneren?
    Wanneer de ananlyse van instituties wordt gedynamiseerd, kan blijken dat ze niet meer goed passen in een veranderende economische omgeving of dat ze met het klimmen der jaren fricties en vertragingen in de hand gaan werken. Dan worden ze juist een bron van transactiekosten in plaats van transactiekosten te verminderen.
  • Loonmatiging > minder loon stijging dan de arbeidsproductiviteit stijging.
     
    Speltheorie > jouw economische keuzes laat je afhangen van de verwachtingen omtrent de keuzes van je concurrent consument. 
  • Wat houdt het prisoners dilemma in?
    De situatie waarin acteren door gebrek aan informatie, communicatie en vertrouwen in elkaars gedrag niet in de vanuit het gemeenschappelijke belang gezien de optimale situatie terecht komen.
  • Allocatie > economische goederen zijn op de beste manier aangewend
  • HOOFDSTUK 3
  • De klassieke theorie:
    De markt werkt perfect, op de lange termijn komt de markt altijd in evenwicht. Klassiek econoom: 'blijf met je vingers van de markt af.' Adam Smith
  • De neo-klassieke theorie
    Marshall: wat is een model? een beperking van de werkelijkheid. als je model abstracter wordt, staat die verder af van de werkelijkheid (plausibiliteitsprobleem). Hangt van je veronderstellingen af hoe groot je model is. Samenhangend geheel tussen veronderstellingen en conclusies.
  • Veronderstellingen (zijn niet altijd waar) van het neo klassiek model:
    1. Consumenten zijn een holistische eenheid, ze zijn rationeel. 
    2. Er heerst methodologisch individualisme; vooral eigenbelang, als jij werknemers hun eigen gang laat gaan dan zullen zij hun inkomen steeds meer maximaliseren door mensen onder zich aan te nemen. Dit zorgt dus voor groei van de overheid..
    3. Er is een maximeringsgedrag. Consumenten streven zoveel mogelijk welvaart na en ondernemingen streven zo veel mogelijk winst na. 
    4. Markten zijn transparant.
    5. Transacties zijn kosteloos.
    6. Producten zijn homogeen.
  • Kritiekpunten op het neo klassieke model
    1. Er zijn deelmarkten
    2. Er is sprake van monopolistiche concurrentie (heterogeniteit)
  • Het neo klassieke model slaat dus eigenlijk op het methodologisch individualisme, het gaat hier vooral om het eigenbelang, hierdoor ontstaan verschillende situaties.
  • Leg de privaatrechtelijke oplossing van Ronald Coace uit.
    Er wordt geproduceerd en dan heb je vaak negatieve externe effecten, zoals geluidsoverlast, milieuvervuiling. Ronald Coace zegt; vroeger was het zo als er veel externe negatieve effecten waren dan werd een bedrijf gesloten, maar volgens Ronald moet de overheid daar niet tussen gaan staan. Het probleem moet privaatrechtelijk worden opgelost (met een geldbedrag). De vervuilde moet gecompenseerd worden door de vervuiler, met sociale kosten.
  • Coace: Bedrijven en organisaties moeten zich constant aanpassen aan de omgeving. Alle oplossingen die je kiest, zijn plaats en tijd gebonden. Wat je vroeger goed vond op een bepaalde plek, vind je nu niet meer goed (of omgekeerd) > moving equillibrium. Bedrijven moeten zich continu reshapen. Bedrijven moeten contingent zijn > passen in hun omgeving.
  • Coace zei ook dat je sociale kosten veel meer moet internaliseren (in de kostprijs opnemen). Coace vind dat sigaretten €1 per sigaret moeten kosten, de echte maatschappelijke prijs betalen.
  • Wat zijn beloningsprikjels?
    Mensen krijgen bonussen als ze goed presteren, zo niet dan niks. Jij hebt een onderneming en je gaat een nieuwe manager aanstellen die je taken gaat overnemen. Hoe moet ik hem dan belonen, hoe moet de beloningsstructuur eruit zien.
  • Leg doelencongruentie uit
    De eigenaar (principle) en agent hebben hetzelfde doel.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Wat is een economisch probleem?
1
Wat houdt de rationaliteitshypothese in?
1
Wat houdt de neoklassieke theorie in?
1
Leg optimale allocatie uit
1
Pagina 1 van 14