Samenvatting Inleiding Europees recht

-
93 Flashcards en notities
0 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting Inleiding Europees recht

-

(2017)

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Inleiding Europees recht

  • 1 Hoofdstructuur van de Europese Unie

  • H1 Europa als woonplaats, de Unie als haar bestuur

    1. Definities: recht van een functionele organisatie en recht van een politiek verband

    Het Europees recht is het geheel of systeem van juridische regels betreffende doelstelling, inrichting en het functioneren van de Europese Unie. In deze definitie wordt de EU gezien als een functionele bestuursorganisatie, waarbij de verschillende instanties telkens op een andere manier zijn betrokken in besluitvorming. Deze definitie gaat echter voorbij aan de drang naar ontwikkeling die de EU vertoont. Die ontwikkeling betreft de EU niet als een functioneel samenwerkingsverband maar als een verband, een politieke gemeenschap in wording. Europees recht is dan:
    Het recht is dan het geheel van juridische regels, besluiten, feiten en structuren, ontstaan in de loop van de Europese integratie, gericht op het instandhouden, het functioneren, de doelstellingen en waarden van de Europese Unie. Deze Unie als verband van lidstaten en burgers, dient de vrede, de welvaart en de ontwikkeling van Europa tot een woonplaats van mensen met een gedeelde werkelijkheid en bestemming.

    De vraag is of de EU als maatschappelijke eenheid moet worden aangewezen. Deze optiek heeft twee grote voordelen. Het eerste voordeel is dat het beter de eenheid van het Europese recht verklaard, dit wordt één door een maatschappelijk verband, in plaats van door een organisatorisch verband. Een tweede voordeel is dat de ontwikkeling van de EU en haar recht binnen de definitie worden gehaald.

  • De rol van het recht in de Unie
    Financiële middelen en machtsmiddelen heeft de Unie maar heel weinig in vergelijking met haar lidstaten. Recht heeft ze daarentegen volop, dit recht dient ertoe:
    • politiek: de Europese landen gaandeweg sterker aan elkaar te binden door politieke processen;
    • historisch: de grote en kleine stappen vast te leggen in verdragen, wetgeving en rechtspraak;
    • instrumenteel: de gestelde doelen na te streven met regelgeving;
    • conflictoplossende: geschillen die rijzen uit bovenstaande ambities en uit crises bevredigend te beslechten;
    • sociaal-economisch: uitwisseling van goederen, diensten en andere vormen van welvaart tussen Europeanen te vergemakkelijken en welvaart en solidariteit te bevorderen;
    • individueel: ons burgers als Europeanen rechtens handelingsmogelijkheden en bescherming te bieden tegen onze overheden en tegen elkaar.
  • 2. Rechtsgeschiedenis van de Europese Unie, soevereiniteit en constitutie
    De Europese rechtsgeschiedenis kent vier grote kenbronnen: verdragen of primaire wetgeving, afgeleide of secundaire wetgeving, rechtspraak en politieke praktijk. De laatste twee zijn strikt genomen geen rechtsbronnen, maar toch zo belangrijk voor de geschiedenis en de rechtsontwikkeling dat ze hier worden benut.

    2.1 Verdragen van oprichting, wijziging, toetreding: van Gemeenschappen naar Unie
    De Europese Unie heeft haar formele of verdragsoorsprong in het Verdrag van Parijs van 1951 tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Dit verdrag was de juridische neerslag van het revolutionaire plan Schuman van 9 mei 1950. Dit plan bedoelde Duitsland, vijf jaar na de Tweede Wereldoorlog en een jaar na zijn heroprichting als staat, de soevereiniteit over zijn kolen- en staalproductie terug te geven.

    Dit EGKS-Verdrag bracht een historische omslag in de Europese verhoudingen. Traditioneel vertrouwen op een machtsevenwicht werd vervangen door vertrouwen op een stabiele juridische structuur van wederkerige duurzame concessies, eigen instellingen en een eigen ontwikkeling. Juridisch was het EGKS-Verdrag vooral origineel als vormgeving van het idee van gedeelde soevereiniteit over essentiële nationale middelen (kolen en staal). Het verdrag schiep een supranationale instantie, de 'Hoge Autoriteit'. Ook kwamen er een Raad, een Hof en een 'Vergadering'. Het begrip 'Europese rechtsorde' deed zijn intrede.
  • In de periode 1952-1954 mislukten pogingen om volgens ditzelfde recept van gedeelde soevereiniteit direct een Europese defensiegemeenschap en een Europese politieke gemeenschap op te richten, met supranationale organen.

    • De term 'supranationaal' slaat niet op een methode, maar op een internationale instelling. Supranationaal is een internationaal orgaan met een zekere autonomie en eigen bindende bevoegdheden over de lidstaten. Wanneer meerdere instellingen of organen van een organisatie van zulke bevoegdheden hebben, zoals de Commissie en het Hof van Justitie, dan noemt men die organisatie in haar geheel wel supranationaal. Ook dit is geen exacte, geen juridische term. Supranationale organen of instellingen staan tegenover meer intergouvernementele (of diplomatieke) instellingen zoals: de Raad en de Europese Raad. In de praktijk van de Unie is de dagelijkse interactie van alle instellingen, supranationaal en intergouvernementeel.
  • In 1957 slaagde de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). Dit gebeurde bij de Verdragen van Rome. Juridisch waren de drie nu bestaande organisaties apart en heetten zij 'de Europese Gemeenschappen', maar politiek gezien en gesproken vormden ze al een enkele 'Europese gemeenschap.

    Het Verdrag van Maastricht van 1992 richtte de Europese Unie op, een nieuwe organisatie, die de drie bestaande Gemeenschappen overkoepelde, als een soort holding, maar ze elk in stand liet. Met het Verdrag van Lissabon is het plan voor een enkel overkoepelend en funderend 'Grondwettelijk Verdrag' voor de EU verlaten. Wel is de EU een enkele organisatie geworden. Deze wordt geregeerd door twee grote oude verdragen: het EU-Verdrag van 1992 en het Werkingsverdrag van 1957.
  • 2.2 Secundaire wetgeving: actualiteit en vernieuwing
    De tweede juridische kenbron van ontwikkeling is 'secundaire' of 'afgeleide wetgeving'. De EEG was in 1957 opgezet als een kaderverdrag; vrijwel alle doelstellingen moesten door nadere besluiten worden uitgevoerd. Dit bleek later een kracht van de opzet, want er zaten allerlei deadlines in het Verdrag en bij elke gelegenheid werden de lidstaten gezamenlijk onder druk gezet en gedwongen tot nieuwe compromissen en uitruil van belangen, zodat de Gemeenschap zich voortdurend in de politieke actualiteit moest bewijzen.

    2.3 Rechtspraak: de autonome rechtsorde, directe werking, voorrang, het 'leerstuk'
    De derde juridische kenbron van ontwikkeling is te vinden in de grote arresten. Elke rechter heeft als eerste taak het beslechten van geschillen. Maar in belangrijke uitspraken is er vaak een 'institutioneel moment', waarin de rechter zijn eigen plaats in die rechtsorde en zelfs de verdere ontwikkeling van de rechtsorde een impuls geeft.

    Het eerste moment was in 1963 met de uitspraak Van Gend & Loos. Daarin verklaarde het de Gemeenschappen tot een 'nieuwe rechtsorde' in het internationale recht en introduceerde het de rechtstreekse werking van het Europese recht. Particulieren kunnen dus als gevolg van deze uitspraak een schending van het Europese recht voor de nationale rechter brengen.

    Een jaar na Van Gend & Loos volgde de uitspraak Costa/ENEL, waarin het Hof aan het Europees recht, op grond van die zojuist uitgeroepen eigen rechtsorde voorrang toekende boven dat van de lidstaten. Met name over de status van het EG-recht in zijn verhouding tot de regels in de lidstaten matigde het Hof zichzelf het laatste woord aan. Het concept van de autonome rechtsorde was geboren.
  • 2.4 Constitutionele praktijk of conventie: Spitzenkandidaten
    Vrijwel vanaf het ontstaan van de Unie zijn er momenten van ontwikkeling te zien die men kan noemen politieke of constitutionele praktijk. Daarin ontstaan regels zonder juridisch gekwalificeerde bron, die echter soms meer bepalend zijn voor het begrip en het functioneren van een instelling dan zuivere rechtsregels. Deze regels ontstaan vaak uit open conflict tussen instellingen. 

    Een recent vergelijkbaar en sprekend geval van zulke constitutionele praktijk of conventie in de EU is het ontstaan van een nieuwe regel over de 'Spitzenkandidaten' voor het voorzitterschap van de Europese Commissie.

    • De nieuwe voorzitter van de Europese Commissie wordt voorgedragen door de Europese Raad van regeringsleiders, de politieke leiding van de EU, na de Europese verkiezingen (art. 17 lid 7 VEU). Deze voordracht moet worden goedgekeurd door het nieuwgekozen Europees Parlement. Het Parlement wilde meer te vertellen hebben over de kandidatuur en dus meer invloed krijgen op deze functionaris. Het besloot daarom in 2012 om het voorzitterschap van de Commissie tot inzet te maken bij de volgende verkiezingen, die van 2014. Daartoe kozen alle partijen die in het Parlement vertegenwoordigd zijn, een eigen 'Spitzenkandidat', en verbonden alle fracties zich om de kandidatuur van de winnende partij af te dwingen op de Europese Raad. Zo is naar alle waarschijnlijkheid, de nieuwe regel ontstaan, dat het Europees Parlement bij zijn verkiezing altijd ook de post van voorzitter van de Commissie inzet.
  • H2 Instellingen en rechtsbronnen: overzicht en ontwikkeling
    De EU is een internationale organisatie waarin de lidstaten onder meer als verdragspartijen het primaire recht bepalen en daarmee een fundamentele en richtinggevende rol hebben en houden. In de EU-Verdragen zijn specifieke wetgevende naast uitvoerende en rechtsprekende functies steeds duidelijker gedefinieerd. Het institutionele bestel krijgt daarmee wel trekken van een staatsrechtelijke inrichting met een zekere scheiding of deling van macht, doorgaans aangeduid met 'institutioneel evenwicht', en een eigen normenhiërarchie.

    Institutioneel gezien is de EU op afstand de verst ontwikkelde van alle bestaande internationale organisaties. Zo heeft de klassieke figuur van de regeringsconferentie in het kader van de EU uiteindelijk gestalte gekregen in twee verschillende instellen: de Europese Raad en de Raad (van ministers).

    De navolgende bespreking van de instellingen houdt niet de volgorde aan van art. 13 VEU, waarin het Europees Parlement als volksvertegenwoordiger op de eerste plaats komt, maar begint bij de Europese Raad, vanwege zijn belangrijke richtinggevende functie aan het Europese integratieproces.
  • 1 Institutionele verhoudingen in de Unie
    Er is geen sprake van een strikte machtenscheiding in de Unie. Zo oefent de Raad zowel wetgevende als uitvoerende macht uit. Er is veeleer sprake van een systeem waarin een zeker evenwicht is bereikt tussen de bevoegdheden van de instellingen; het zogenoemde 'institutionele evenwicht'. Dit evenwicht is niet statisch; elke verdragswijziging raakt aan de bevoegdheden van de verschillende instellingen waardoor de politieke balans tussen de instellingen verandert. 

    Op grond van art. 13 VEU zijn de instellingen evenwel verplicht hun bevoegdheden op zo'n wijze uit te oefenen dat ze daarbij de bevoegdheden van de andere instellingen in acht nemen en respecteren. Het beginsel van wederzijdse loyale samenwerking (art. 4 lid 3 VEU), is aldus ook uitdrukkelijk van toepassing verklaard op de Unie-instellingen zelf. In art. 295 VWEU is ook een specifieke grondslag gecreeerd voor het sluiten van zogenaamde 'interinstitutionele akkoorden' tussen het Parlement, de Raad en de Commissie, die bindende werking kunnen krijgen.
  • 2 De Europese Raad en zijn voorzitter
    2.1 Grondslag en samenstelling

    De Europese Raad bestaat uit de politieke leiders (regeringsleiders en staatshoofden) van de lidstaten en de voorzitter van de Commissie (art. 15 VEU). De Europese Raad komt minstens viermaal per jaar bijeen en besluit met consensus, tenzij de Verdragen anders bepalen. De artt. 235 en 236 VWEU specificeren nader de wijze van besluiten en stemmen in de Europese Raad. De Europese Raad heeft een vaste voorzitter voor de periode van 2.5 jaar. Sinds 1 december 2014 is de Poolse oud-premier Donald Tusk de voorzitter, Herman Van Rompuy was zijn voorganger. Het voorzitterschap is niet alleen bedoeld om de Unie een gezicht te geven, maar ook om de consensus en samenhang in de Europese Raad te bevorderen.

    2.2 Taken en bevoegdheden
    'De Europese Raad geeft de nodige impulsen voor de ontwikkeling van de Unie en bepaalt de algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten. Hij oefent geen wetgevingstaak uit', zo bepaalt art. 15 VEU. De functie van de Europese Raad is daarmee vergelijkbaar met die van een nationaal kabinet. De Europese Raad stelt ook de strategische belangen en doelstellingen vast voor wat betreft het externe optreden van de Unie (art. 22 VEU), en in het bijzonder ten aanzien van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (art. 26 VEU). Art. 17 lid 7 VEU bepaalt dat de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid een kandidaat voor het voorzitterschap van de Commissie voordraagt bij het Europees Parlement.
  • 3. De Raad van de Europese Unie
    3.1 Grondslag en samenstelling

    De Raad van (ministers van) de Europese Unie, kortweg 'de Raad', is scherp te onderscheiden van de juist besproken Europese Raad. De Raad is deel van de uitvoerende en wetgevende macht van de Unie, terwijl de Europese Raad uitdrukkelijk geen wetgevende rol heeft en dus uitsluitend bij de uitvoerende macht hoort.

    De Raad vindt zijn wettelijke grondslag in art. 13 VEU, terwijl art. 16 VEU zijn samenstelling bepaalt: 'de Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van iedere lidstaat op ministerieel niveau, die gemachtigd is om de regering van de lidstaat die hij vertegenwoordigt, te binden en om het stemrecht uit te oefenen'.

    3.2 Taken en bevoegdheden
    De Raad heeft twee verschillende functies. Hij oefent samen met het Europees Parlement, de wetgevings- en de begrotingstaak uit (art. 16 lid 1 VEU). Daarnaast heeft hij beleidsbepalende en coordinerende taken onder de bij de Verdragen bepaalde voorwaarden. Richtlijnen, verordeningen en andere besluiten van de Unie worden door de Raad uitgevaardigd, vaak samen met het Europees Parlement.

    3.3 Institutionele positie

    Gegeven het sterke onderhandelingskarakter van 's Raads werk en de aanvankelijk beperkte openbaarheid van Raadsvergaderingen, is zijn werk wel getypeerd als achterkamerbesluiten en koehandel. Met de uitbreiding van de bevoegdheden van het Europees Parlement is dat veranderd. De twee functies van de Raad: wetgeving en niet-wetgeving zijn formeel gesplitst en de wetgevende functie is formeel openbaar, art. 16 lid 8 VEU.
  • 4 Het Europees Parlement
    4.1 Grondslag en samenstelling

    Het Europees Parlement is de volksvertegenwoordiging in wetgeving en bestuur van de Unie, naast de Raad, die de belangen van de lidstaten, vertegenwoordigt. Het Europees Parlement vertegenwoordigt de burgers van de Unie, art. 14 VEU. In vertegenwoordigend opzicht berust de EU dus op twee fundamenten: de staten en de burgers (art. 10 VEU). 

    Overigens moet worden opgemerkt dat niet alle burgers van de lidstaten gelijk vertegenwoordigd zijn, gegeven het beginsel van 'degressieve' vertegenwoordiging. Dit brengt met zich mee dat een enkele Duitse parlementarier veel meer Europese burgers vertegenwoordigt dan een college uit Luxemburg. Zo blijven kleinere lidstaten in termen van vertegenwoordiging in het Europees Parlement een relatief voordeel behouden ten opzichte van de grotere lidstaten.

    4.2 Taken en bevoegdheden

    Zoals elk parlementair orgaan heeft ook het Europees Parlement functies van wetgeving en van politieke controle. Op grond van art. 14 lid 1 VEU oefent het Europees Parlement samen met de Raad de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. Politieke controle oefent het zelfstandig uit over de Commissie.
  • Wetgeving
    Net zoals dat voor de Raad geldt, zijn de specifieke wetgevingsbevoegdheden van het Europees Parlement afhankelijk van het onderwerp en met name van de van toepassing zijnde rechtsgrondslag die bepalend is voor de besluitvormingsprocedure. Zo geeft art. 114 lid 1 VWEU aan dat voor het aannemen van Europese wetgeving voor de instelling en de werking van de interne markt, de gewone wetgevingsprocedure (art. 294 VWEU) moet worden gevolgd. Daarin is het Europees Parlement op gelijke voet gesteld met de Raad, doordat het amendementen kan voorstellen en een besluit kan blokkeren. De gewone wetgevingsprocedure is met het Verdrag van Lissabon op veel meer terreinen van toepassing verklaard, zo ook bijvoorbeeld ten aanzien van asiel- en migratiebeleid (artt. 78 en 79 VWEU) en justitiele samenwerking (artt. 81 en 82 VWEU).
  • Controle
    Dit is geregeld in het Werkingsverdrag. Zo kan het Europees Parlement een tijdelijke enquetecommissie instellen om vermeende inbreuken op het Unierecht of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht te onderzoeken (art. 226 VWEU); kan iedere burger een verzoekschrift richten tot het Europees Parlement betreffende een onderwerp (art. 227 VWEU); en is er een door het Europees Parlement gekozen Ombudsman die de bevoegdheid heeft kennis te nemen van klachten van burgers of ondernemingen (art. 228 VWEU).
    De politieke controlebevoegdheden van het Europees Parlement zijn vooral gericht op de Commissie, die immers verantwoording schuldig is tegenover het Parlement (art. 17 lid 8 VEU). Het belangrijkste controle- en sanctiemiddel vormt de motie van afkeuring die het Europees Parlement kan aannemen betreffende het beleid van de Commissie (art. 234 VWEU). 
    Controlebevoegdheden van het Parlement zijn niet gericht op de Europese Raad en de Raad. Dit is logisch. Deze zijn immers verantwoordelijk tegenover de nationale parlementen (art. 10 lid 2 VEU). Ze kunnen enkel worden 'gehoord' (art. 230 VWEU).
  • 5 De Commissie
    5.1 Grondslag, samenstelling en benoeming

    De Commissie vindt haar verdragsrechtelijke grondslag en samenstelling in art. 17 VEU. De leden van de Commissie zijn wel uit de lidstaten afkomstig, maar vertegenwoordigen niet hun lidstaat. De Commissie bevordert het algemeen belang van de Unie en oefent zij haar verantwoordelijkheden volkomen onafhankelijk uit. De benoeming geschiedt volgens art. 17 VEU in samenspel tussen de Europese Raad, de Raad en het Europees Parlement.

    5.2 Taken en bevoegdheden
    Art. 17 lid 1 VEU wijst op de belangrijke uitvoerende rol van de Commissie (de begroting), haar taak ten aanzien van de externe vertegenwoordiging van de Unie en haar controlerende taak ter zake van de toepassing en naleving van het recht van de Unie. De Commissie vervult een hoofdrol in het toezicht op de uitvoering van EU-besluiten door de lidstaten, in het bijzonder de omzetting van richtlijnen, art. 258 VWEU.   
    Art. 17 lid 2 VEU duidt de belangrijke rol die de Commissie speelt in het wetgevingsproces, door te bepalen dat wetgevingshandelingen van de Unie alleen op voorstel van de Commissie worden vastgesteld. Dit betekent dat in veel wetgevingsprocedures de Commissie het exclusieve recht van initiatief heeft; zonder voorstel van de Commissie mag er dan geen besluit worden genomen. 
    Belangrijk is verder dat de Commissie ook de onderhandelingen tijdens het wetgevingsproces tot het einde toe dwingend kan begeleiden en haar invloed kan doen gelden, vooral doordat ze het recht heeft haar voorstel te wijzigen zolang de Raad geen besluit heeft genomen (art. 293 lid 2 VWEU). De Commissie is echter geen wetgever; de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid ligt bij de Raad of bij de Raad en het Parlement samen.
    Neemt niet weg dat de Commissie een grote rol heeft zowel in het voorbereiden als in de uitvoering van EU-besluiten.
  • 8 Bronnen van Unierecht

    - Primair recht, rechtsbeginselen en grondrechten
    Onder het primair recht worden in de eerste plaats de zogeheten oprichtingsverdragen gerekend. Rechtsbeginselen werden binnen de Gemeenschappen erkend. Later zijn de grondrechten ook in het verdragsrecht erkend en vastgelegd als fundament van de Unie: zie art. 2 en 6 VEU.

    - Secundair recht
    Het secundaire recht moet in overeenstemming zijn met het primaire recht en dat het zoveel mogelijk in het licht van het primaire recht dient te worden uitgelegd. Secundair recht dat strijdig is met het primaire recht zal door het Hof van Justitie kunnen worden vernietigd, dan wel ongeldig worden verklaard, art. 263 VWEU.
    Uit art. 288 VWEU kan worden opgemaakt dat verordeningen en richtlijnen de belangrijkste secundaire rechtsbronnen zijn. In plaats van de 'beschikking' heeft het Verdrag van Lissabon het 'besluit' geintroduceerd.
  • - Tertiair recht; soft law          
    De Unie werkt niet alleen door middel van bindende regels, maar ook met beleidsinstrumenten als programma's, beleidsdoelstellingen, resoluties, richtsnoeren, bekendmakingen, gedragscodes, conclusies en aanbevelingen. Enkel het instrument van de aanbeveling en het advies heeft echter een Verdragsrechtelijke basis in art. 288 VWEU. Dit bepaalt slechts dat deze 'niet verbindend' zijn (ook wel: soft law). Ze hebben vaak wel bepaalde indirecte juridische effecten en zijn er ook op gericht om in de praktijk een bepaald effect teweeg te brengen.

    - Rechtsbronnen 'in-between'
    Ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen: uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat behalve het geschreven primaire en secundaire recht, ook de 'algemene beginselen van gemeenschapsrecht' deel uitmaken van de Europese rechtsorde.
  • H10 Wetgeving, uitvoering en controle: ontstaan van machtenscheiding
    De Europese Unie heeft een eigen systeem van wet- en regelgeving. In het Verdrag van Lissabon is dit systeem nader uitgewerkt. Het aparte aan het wetgevingssysteem is dat de lidstaten medeverantwoordelijk zijn voor de uitvoering hiervan. Dit hoofdstuk gaat over de totstandkoming van Europese wetten, de uitvoering van deze wetten en controle op deze uitvoering.

    1 De wetgevingsprocedures van de EU
    Een groot aantal verdragsbepalingen is voor hun praktische werking afhankelijk van uitwerking in Europese wetgevingshandelingen die de vorm krijgen van richtlijnen, verordeningen of besluiten (art. 288 VWEU).
  • 1.1 Wetgevingsinstellingen
    De officiele wetgevende macht van de Unie bestaat uit het Europees Parlement en de Raad. De onderhandelingen die leiden tot aanneming van een wetgevende handeling zijn een samenspel tussen de Commissie, de Raad en het Europees Parlement. De Commissie heeft het recht van initiatief, art. 17 lid 2 VEU. De Commissie kan een voorstel blijven wijzigen of intrekken. De Raad en het Europees Parlement kunnen weliswaar niet zelf wetgevingsvoorstellen indienen, maar zij hebben wel het recht de Commissie te verzoeken om een bepaald initiatief te nemen.
    Ligt er eenmaal een Commissievoorstel, dan zijn het de Raad en het Parlement samen die besluiten om op grond van dat voorstel een Europese wetgevingshandeling aan te nemen, art. 14 en 16 VEU. 

    1.2 De toepasselijke wetgevingsprocedure

    De toepasselijke wetgevingsprocedure is afhankelijk van het te regelen onderwerp. Dit houdt verband met het attributiebeginsel (art. 5 VEU), volgens welke de Unie alleen die bevoegdheden heeft die haar zijn overgedragen bij verdrag. In elke verdragsbepaling waarin een bevoegdheid tot het vaststellen van wetgeving voor bepaalde onderwerpen wordt toegekend, wordt derhalve ook bepaald welke wetgevingsprocedure daarbij moet worden gevolgd.
  • 1.3 Gewone wetgevingsprocedure
    Deze procedure is neergelegd in art. 294 VWEU. Omdat er drie instellingen deelnemen, kan dit ertoe leiden dat er drie rondes 'lezingen' worden doorlopen. Indien de instellingen het echter al in eerste lezing met elkaar eens zijn, dan kan de wetgevingshandeling in dat stadium al worden aangenomen. Kernelementen van de gewone wetgevingsprocedure zijn dat het Europees Parlement het voorstel tot een gewone wetgevingshandeling kan amenderen en ook een vetorecht heeft. Aan de andere kant kan het Europees Parlement geen wetgeving afdwingen tegen de wil van de Raad.
    • De eerste lezing begint met het voorstel dat de Commissie indient bij het Europees Parlement en de Raad.
    • Indien er verschillen van mening zijn, stelt de Raad een afwijkend standpunt vast, het zogeheten 'standpunt in eerste lezing'. Dit luidt de tweede lezing in. Het Parlement kan dit standpunt goedkeuren, afwijzen of amendementen voorstellen. Indien het Parlement amendementen voorstelt die niet aanvaardbaar zijn voor de Raad, komt er een bemiddelingscomite. 
    • Indien het bemiddelingscomite slaagt in zijn opdracht, volgt de derde lezing. Het Europees Parlement en de Raad moeten beide de ontwerptekst van het bemiddelingscomite goedkeuren.
  • 1.4 Bijzondere wetgevingsprocedures
    Er bestaat geen algemene bepaling voor de bijzondere procedures. Deze zijn terug te vinden in de specifieke verdragsbepalingen die de bevoegdheid tot regelgeving toekennen. Art. 289 lid 2 VWEU geeft wel een algemene omschrijving van de verschillende soorten bijzondere wetgevingsprocedures. De meeste verdragsbepalingen die een bijzondere wetgevingsprocedure van toepassing verklaren, zien op de tweede fase van het normale wetgevingsproces, oftewel de beslissingsbevoegdheid van de Raad.
  • 1.5 Stemmodaliteiten in de Raad
    De verdragen voorzien in drie stemmodaliteiten: unanimiteit, gewone meerderheid en gekwalificeerde meerderheid. De rechtsgrondslag voor de Europese handeling bepaalt welke van de stemmodaliteiten geldt. Art. 16 VEU geeft wel een hoofdregel. Deze houdt in dat tenzij in de verdragen anders is bepaald, de Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

    Met het systeem van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid is vooral gezocht naar een balans tussen de belangen van de grotere landen en die van de kleinere. Sinds het Verdrag van Lissabon is er een nieuw systeem met twee criteria: een voor het minimum aantal lidstaten dat nodig is en een gebaseerd op het percentage van de totale Uniebevolking dat minimaal vertegenwoordigd moet zijn door de voorstanders van het voorstel. Het oude systeem hield in dat elk land een eigen stemgewicht heeft, dit is een ruwe afspiegeling van de omvang van zijn bevolking.
  • Er bestaan nog steeds belangrijke terreinen en onderwerpen waarop de Raad alleen bij unanimiteit mag besluiten. Unanimiteit betekent eenparigheid van de stemmen en daarmee zijn alle lidstaten formeel gelijk; elk Raadslid heeft feitelijk een veto. Dit kan leiden tot enorme vertragingen. Aan de andere kant zorgt unanimiteit ervoor dat geen enkele lidstaat gepasseerd kan worden in het besluitvormingsproces en dat de uiteindelijke wetgevingshandeling een grote mate van legitimiteit geniet. Een belangrijke bepaling die unanimiteit eist is art. 352 VWEU, dat de bevoegdheid geeft om buiten de verdragsbevoegdheden te handelen wanneer dat nodig is voor het bereiken van de doelstellingen van de Verdragen. Stemming bij unanimiteit kan worden omgezet in stemming bij gekwalificeerde meerderheid op grond van art. 48 lid 7 VEU. Op grond van deze bepaling heeft de Europese Raad het recht om voor een specifiek terrein voor deze verandering van stemmodaliteit te kiezen en wordt aangeduid als 'vereenvoudigde herzieningsprocedure'.

    De gewone meerderheid houdt in dat de Raad besluit bij meerderheid van zijn leden. Deze modaliteit wordt vooral gebruikt bij procedurele kwesties.
  • 1.6 Stemmodaliteiten in het Europees Parlement
    Het Europees Parlement kent drie stemmodaliteiten:
    • Volstrekte meerderheid van stemmen: hierbij moet er een meerderheid van de uitgebrachte stemmen zijn. Dit is de normale meerderheidseis die geldt voor alle besluiten waaraan geen andere eis is gesteld. Deze meerderheid is bijvoorbeeld vereist tijdens de derde lezing van de gewone wetgevingsprocedure, art. 294 lid 13 VWEU.
    • Volstrekte meerderheid van leden: hierbij gaat het om een gekwalificeerde meerderheid. Er wordt rekening gehouden met lidstaten die niet aanwezig zijn.
    • Verzwaarde meerderheid van leden: deze vindt onder andere toepassing in de laatste fase van de begrotingsprocedure en wanneer het Parlement een motie van afkeuring ten opzichte van de Commissie wil aannemen.
  • 2. Niet-wetgeving, uitvoering en bestuur
    De uitvoerende macht in de EU valt te onderscheiden in de uitvoering van EU-wetgeving enerzijds en politiek bestuur anderzijds. De Europese Commissie is in het politiek bestuur het hoogste orgaan en het is niet ondergeschikt aan de wetgevende macht. Het bestuur werkt wettelijke regels uit en past ze toe. Onder 'niet-wetgeving' wordt uitvoering en bestuur verstaan, zoals in art. 290 VWEU.
    Niet-essentiele onderdelen van een regeling mag de Europese wetgever delegeren aan het bestuur. Lagere regelgeving bestaat nu uit twee vormen: gedelegeerde handelingen (art. 290 VWEU) en uitvoering (art. 291 VWEU). Zie boek blz. 415 voor schema.
  • H11 Gedeeld gezag: recht, bestuur, democratie in federaal perspectief
    Een van de grote thema's van dit vak is dat van gedeeld gezag tussen de lidstaten en de Unie. De lidstaten delen een Europese 'eigen rechtsorde', die op zijn beurt 'deel is van de nationale rechtsorde'.

    1. Gedeeld gezag in een coöperatief federaal systeem
    Om gedeeld gezag uit te leggen kunnen we teruggrijpen op een vertrouwd concept: federalisme. Bij een federaal systeem is het delen van gezag tussen centraal (federaal) niveau en de aangesloten staten een vast element. Hun pragmatisch doel is om door het bundelen van krachten betere resultaten te boeken. Hun ideologisch doel is om als waarborg te dienen voor vrede, rechtstaat en de mensenrechten. Federalisme kan worden gezien als een systeem waarin gezag wordt opgedeeld in eigen gezag (self rule) en gedeeld gezag (shared rule) en twee niveaus van gezag. In ieder federaal systeem vind men dus een verdeling van bevoegdheden. Sinds het Verdrag van Lissabon bevat ook het Unierecht lijsten met bevoegdheden, opgedeeld in drie categorieën: exclusieve bevoegdheden (art. 3 VWEU), bevoegdheden die de Unie en de lidstaten delen (art. 4 VWEU) en de bevoegdheden voor de Unie om te coördineren en te ondersteunen (art. 6 VWEU).

    De gedeelde soevereiniteit kwalificeert de afzonderlijke soevereiniteiten van lidstaten, zonder deze op te heffen.
    Als alternatief voor het federale karakter wordt vaak voorgesteld de EU te beschouwen als een entiteit sui generis: de EU is geen internationale organisatie en geen staat.
  • 2. Gedeeld recht
    Gevallen van gedeeld recht, en vooral rechtsontwikkeling, zijn te vinden in grondrechten en beginselen, in die van de leerstukken en in die van de bevoegdheden.

    2.1 Grondrechten, beginselen en regels
    Het verband tussen gedeeld recht en de grondrechten komt duidelijk naar voren in art. 6 lid 3 VEU waar het nationale recht de bouwstenen levert voor het ontwikkelen van primair Unierecht. Ook in de interne markt is gedeeld recht een terugkerend element. Via de rule of reason biedt het Unierecht de mogelijkheid voor vele uitzonderingen op de economische vrijheden. De kern van iedere rule of reason is een belang van nationaal recht.
  • 2.2 Leerstukken
    Het gedeelde recht verbindt de rechtsontwikkeling van de Unie met die van de lidstaten. Het Hof van Justitie heeft de EU als autonome rechtsorde afgekondigd in Van Gend & Loos en Costa/Enel. Er is dus autonomie van het Unierecht uit eigen hoofde. Dit is ook een federaal aspect. Hoewel het Hof van Justitie de voorrang als absoluut beschouwt, is dat in de praktijk een stuk genuanceerder. Als lidstaten vinden dat het Hof te ver gaat in het toekennen van directe werking kunnen zij ingrijpen via een verdragswijziging. Met de gelding uit eigen hoofde eiste het Hog van de lidstaten en hun rechters een 'monistische' bejegening op van het Europese recht. Monisme houdt in dat een land sommige regels van bovennationaal recht directe gelding toekent in zijn eigen rechtsorde. Dit is het tegenovergestelde van dualisme, waar de bovennationale regels pas gelding krijgen na doorvoering in nationale regels.

    2.3 Het legaliteitsbeginsel
    Het legaliteitsbeginsel is in elke democratische rechtsorde fundamenteel. Het optreden van de lidstaatautoriteiten moet gebaseerd zijn op een grondslag in het nationale recht en dat van de EU autoriteiten op een grondslag in het EU-recht. In een cooperatief federaal systeem kan de bevoegdheid ook kruislings zijn wettelijke basis vinden. Een bestuursorgaan in een lidstaat kan zijn optreden bijvoorbeeld rechtstreeks baseren op een wettelijke grondslag uit de Europese rechtsorde of het Unierecht.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.