Inleiding Europees recht

by (2016)
101 Flashcards en notities
0 Studenten

Studeer slimmer met eFaqt samenvattingen

  • Beschikbaar voor computer, tablet, telefoon en op papier
  • Vragen met antwoorden over de leerstof
  • Ongelimiteerde toegang tot 300.000 online samenvattingen
  • Tools voor slim studeren & timers voor betere resultaten

Bekijk deze samenvatting

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Inleiding Europees recht

  • 1 Hoofdstructuur van de Europese Unie

  • Definities: recht van een functionele organisatie en het recht van een politiek verband
    Het Europees recht is het geheel of systeem van juridische regels betreffende de doelstelling, inrichting en het functioneren van de Europese Unie. In deze definitie wordt de EU gezien als een functionele organisatie, waarbij de verschillende instanties telkens op een bepaalde manier zijn betrokken bij de besluitvorming. Deze definitie gaat echter voorbij aan de drang naar ontwikkeling die de EU vertoont. Als de EU in plaats van als functionele organisatie als een gemeenschap in wording wordt gezien, dan is er een betere definitie van Europees recht. Het recht is dan het geheel van juridische regels, besluiten, feiten en structuren, ontstaan in de loop van de Europese integratie, gericht op het in stand houden, functioneren, de doelstellingen en waarden van de Europese Unie. Deze Unie als verband van lidstaten en burgers, dient de vrede, de welvaart en de ontwikkeling van Europa als een woonplaats van mensen met een gedeelde werkelijkheid en bestemming. De vraag is of de EU als maatschappelijke eenheid moet worden aangewezen. Een voordeel hiervan is dat het beter de eenheid van het Europese recht verklaard, dit wordt één door een maatschappelijk verband, in plaats van door een organisatorisch verband. Een tweede voordeel is dat de ontwikkeling van de EU en haar recht binnen de definitie worden gehaald.
  • Zes functies van het recht van de EU:
    • Politieke functie: door politieke processen worden de landen in de Europa langzaam steeds meer aan elkaar verbonden;
    • Historische functie: er worden grote stappen gemaakt en deze worden vastgelegd in verdragen;
    • Instrumentele functie: de regels die worden opgesteld in het recht, worden gebruikt om de doelen van de EU na te streven;
    • Conflict-oplossende functie: het recht beoogt conflicten binnen de EU te beslechten en conflicten waarbij de EU betrokken is;
    • Sociaal-economische functie: uitwisseling van vormen van welvaart tussen Europeanen wordt vergemakkelijkt en de solidariteit wordt bevorderd;
    • Individuele functie: het recht biedt daarnaast ook bescherming aan de burgers uit de lidstaten tegen hun overheden en tegen andere burgers.
  • Rechtsgeschiedenis van Europese Unie, soevereiniteit en constitutie
    De Europese rechtsgeschiedenis kent vier grote bronnen:
    • verdragen of primaire regelgeving
    • afgeleide of secundaire regelgeving
    • rechtspraak
    • politieke praktijk. De laatste twee zijn dan wel geen rechtsbronnen, ze worden wel besproken, omdat ze een grote bijdrage hebben geleverd aan de rechtsgeschiedenis van de EU. 
  • Verdragen van oprichting, wijziging, toetreding: van Gemeenschappen naar Unie
    De verdragsoorsprong van de EU ligt in het Verdrag van Parijs van 1951, hierbij werd de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) opgericht. Dit verdrag was de uitvoering van het zogenaamde 'plan Schuman', waarbij Duitsland zijn soevereiniteit over kolen en staal moest gaan delen met andere landen. Dit EGKS-Verdrag bracht een historische omslag in de Europese verhoudingen. Het verving het traditionele vertrouwen op een machtsevenwicht door vertrouwen op een stabiele juridische structuur van wederkerige duurzame concessies en gedeelde soevereiniteit. De Britten hadden echter wel problemen met deze omslag, die gesymboliseerd werd met het woord 'gemeenschap'. Met de EGKS deed ook het begrip 'Europese rechtsorde' zijn intreden, er werd namelijk een supranationaal orgaan opgericht met de bevoegdheid van regelgeving en bestuur.
  • In 1957 slaagde de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). Dit is gebeurd bij de Verdragen van Rome. Hun oprichtingsverdragen stelden geen politieke, maar wel een algemene economische samenwerking in. De drie bestaande organisaties (EGKS, EEG en Euratom) waren officieel apart en heetten samen de Europese Gemeenschappen, maar op politiek gebied vormden ze al een soort van Europese Gemeenschap.

    In 1992 kwamen de organisaties voor een uitdaging te staan, Duitsland was namelijk door de val van de Berlijnse muur drie jaar daarvoor herenigd tot een eenheid. De organisaties sloten als reactie hierop het Verdrag van Maastricht. Dit verdrag wijzigde de Gemeenschapsverdragen en de Europese Unie werd opgericht als een soort overkoepelende organisatie, die alle organisaties autonoom liet bestaan. Er werd een pijlerstructuur opgericht.
    1. De eerste pijler bestond uit economische en bestuurlijke beleidsgebieden
    2. De tweede pijler uit gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
    3. De derde pijler bestond uit samenwerking op het gebied van strafrecht, vreemdelingen, justitie en politie.

    De grootste wijziging kwam met het Verdrag van Lissabon in 2009, als gevolg van dit verdrag bleven er nog twee van de vier organisaties over: de EU en Euratom. De twee belangrijkste verdragen werden het EU-Verdrag en het Werkingsverdrag. De voormalig eerste en derde pijler zijn hoofdzakelijk vastgelegd in het Werkingsverdrag. De voormalig tweede pijler is vastgelegd in het Unieverdrag.
  • Secundaire wetgeving: actualiteit en vernieuwing
    Er bestaat heel veel afgeleide, secundaire wetgeving. In 1957 was de EEG namelijk opgezet als een kaderverdrag: vrijwel alle doelstellingen moesten door nadere besluiten, dus als secundaire wetgeving, worden uitgevoerd. Als gevolg hiervan moesten de lidstaten steeds beslissingen nemen over deze nadere besluiten, daardoor moest de Gemeenschap zich constant in de actualiteit bewijzen. 

    Rechtspraak: de autonome rechtsorde, directe werking, voorrang, het 'leerstuk'

    De rechter is geen wetgever, maar heeft wel een impuls gegeven aan de verdere ontwikkeling van de rechtsorde. Het eerste moment was in 1963 met de uitspraak Van Gend & Loos. In dit arrest werd besloten dat het Europese recht rechtstreekse werking heeft. Particulieren kunnen dus als gevolg van deze uitspraak een schending van het Europese recht voor de nationale rechter brengen. Een jaar na Van Gend & Loos volgde de uitspraak Costa/ENEL. In deze uitspraak kwam het Europees recht als autonome rechtsorde naar boven. Op grond hiervan is het Europees recht van een hogere rang dan het recht van de lidstaten.

    De nationale rechters volgen deze voorrang, maar over het algemeen wordt deze door de rechters niet zo onvoorwaardelijk beschouwd, als hoe het Hof dat heeft bepaald. Het concept van de autonome rechtsorde is met deze uitspraak van het Hof dus geboren.
  • Constitutionele praktijk of conventie: Spitzenkandidaten
    In de constitutionele praktijk ontstaan regels zonder juridisch gekwalificeerde bron, die echter soms meer bepalend zijn voor het begrip en het functioneren van een instelling dan zuivere rechtsregels. Een recent geval is de nieuwe regel over de 'Spitzenkandidaten' voor het voorzitterschap van de Europese Commissie. Het Europees Parlement wilde meer te vertellen hebben over de kandidatuur. Alle partijen die in het Parlement vertegenwoordig waren, kozen een eigen 'Spitzenkandidat'. Nu is waarschijnlijk een nieuwe regel ontstaan dat het Europees Parlement bij zijn verkiezing altijd ook de post van voorzitter van de Commissie inzet.
  • Het rechtsgehalte van de Unie: rechtsorde, legaliteit, grondrechten, democratie
    Het recht alleen kan de aanvaardbaarheid van de EU niet verzekeren, hier zijn ook andere politieke instellingen en ontwikkelingen voor nodig, zoals de democratie. Daarom wordt hieronder ook aandacht aan de democratie besteed.

    Sinds de introductie van het begrip 'eigen rechtsorde' in het arrest Van Gend & Loos is dit een kernbegrip voor de Unie. Het begrip houdt in dat er een afzonderlijk rechtsstelsel is dat een eigen juridisch proces heeft en vooral een eigen rechter. Uit het karakter van de eigen rechtsorde volgt dat het recht van de Unie een zekere autonomie heeft tov de lidstaten en tov het algemene internationale recht. Het Hof van Justitie heeft deze eigen rechtsorde en daarmee eigen rechtsgemeenschap van de EU zelfs trekken van een rechtsstaat toegekend. De vraag is wat een rechtsstaat nu precies is. Hiervoor zijn twee kenmerken te noemen: 
    • Alle uitoefening van overheidsbevoegdheden is tot de wet te herleiden: het legaliteitsbeginsel;
    • De grondrechten en andere fundamentele vrijheden worden gerespecteerd, inclusief toegang tot een onafhankelijke rechter. 
  • Als aan deze twee kenmerken is voldaan dan heeft overheidsgezag het karakter van een rechtsstaat. Hieronder zullen deze twee kenmerken toegepast worden op de EU.

    Legaliteit: attributiebeginsel en het stelsel van bevoegdheden
    Het attributiebeginsel bepaalt dat de Unie alleen die bevoegdheden heeft tot het nemen van bindende besluiten, welke haar zijn overgedragen bij verdrag. Elk besluit moet dus een grondslag hebben in één van de verdragen van de EU. Dit attributiebeginsel is neergelegd in art. 5 VEU.

    Handelingsmogelijkheden en beperking daarvan
    - Ten eerste betekent het attributiebeginsel in principe dat beleidsterreinen die niet voorkomen in de Verdragen, niet voorwerp van bindende besluitvorming door de Europese instellingen kunnen zijn.
    - Ten tweede moeten bevoegdheden worden uitgeoefend met het oog op de vermelde doelstellingen en de van toepassing zijnde rechtsbasis.
    - Ten derde beperkt het werkingsverdrag de vrijheid van de Unie door per geval voor te schrijven welke rechtshandelingen wel en welke niet kunnen worden gebruikt. Het attributiebeginsel is ook van belang bij het bepalen van de besluitvormingsprocedure. De specifieke bepaling waarop de Europese wetgever zich moet baseren, bepaalt de rolverdeling tussen Raad, Commissie en Europees Parlement. De instellingen hebben hierin dus geen keuzevrijheid. Het attributiebeginsel is fundamenteel omdat het zorgt voor onderworpenheid van het bestuur van de EU aan de verdragen en daarmee dus aan nationale goedkeuring en democratie.
  • Het attributiebeginsel is op twee punten echter gerelativeerd:
    • Het Hof van Justitie heeft het beginsel van implied power of impliciete bevoegdheden toegekend, bevoegdheden van de instellingen kunnen niet alleen voortvloeien uit uitdrukkelijke verdragsbepalingen, maar bevoegdheden kunnen er ook uit worden afgeleid;
    • Het flexibiliteitsartikel, overeenkomstig art. 352 lid 1 VWEU. In dit flexibiliteitsartikel staan de zogenaamde doelbevoegdheden. Als een bepaalde handeling van de Unie nodig is voor het bereiken van de doelstellingen van de verdragen, zonder dat de verdragen in specifieke bevoegdheden hebben voorzien, dan kan op dit artikel een beroep gedaan worden. Deze bepaling bevat echter wel beveiligingen tegen misbruik.
  • Systematiek van bevoegdhedenverdeling aan de Unie en de restbevoegdheden van de lidstaten
    Op een zeer beperkt aantal gebieden is de Unie exclusief bevoegd, zie art. 3 VWEU. In dat artikel staan verschillende voorbeelden van onderwerpen die de Unie zelf mag regelen. De meeste bevoegdheden zijn echter gedeeld met de lidstaten, zie art. 4 VWEU. Zulke gedeelde bevoegdheden hebben wel de neiging zich te ontwikkelen tot exclusieve bevoegdheden voor de Unie. Dit wordt het blokkeringseffect genoemd. Dit effect ontstaat als de EU iets heeft geregeld, deze regeling mag dan namelijk niet meer doorkruist worden door een lidstaat. Op een aantal gebieden is dit blokkeringseffect echter uitgesloten, de Unie mag daar wel regelingen aannemen, maar deze doorkruisen niet de bevoegdheid van de lidstaten zelf om ook regelingen te treffen. De bevoegdheden op deze gebieden worden ook wel parallelle bevoegdheden genoemd. Naast exclusieve en gedeelde bevoegdheden zijn er ook nog coördinerende, ondersteunende en aanvullende bevoegdheden voor de Unie. Deze bevoegdheden laten de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de lidstaten voorop staan. Deze bevoegdheden staan in art. 5 en 6 VWEU.
  • Beperking in de uitoefening van verleende EU-bevoegdheden
    De drie bovenstaande bevoegdheden zijn weer begrensd in de mate en vorm van hun uitoefening. Elk optreden van Unie-instellingen moet subsidiair zijn en vervolgens evenredig. Beide eisen staan beschreven in art. 5 VEU. In lid 3 van dit artikel staat het subsidiariteitsbeginsel, dit houdt in dat de Unie slechts optreed voor zover deze gebieden niet door de lidstaten geregeld kunnen worden. Of wanneer de Unie beter geschikt is om op deze gebieden regelingen te treffen. Als de regeling van de Unie aan het subsidiariteitsbeginsel voldoet dan moet de regeling ook nog evenredig zijn. Dit evenredigheidsbeginsel staat beschreven in art. 5 lid 4 VEU en houdt in dat de regeling niet verder mag gaan dan noodzakelijk is. 

    Loyale samenwerking of Unietrouw
    Er bestaat ook nog het beginsel van loyale samenwerking, dit beginsel is verwoord in art. 4 lid 3 VEU. Het Hof gebruikt dit beginsel echter enkel wanneer de verplichtingen van de lidstaten niet heel precies zijn geformuleerd.
  • Grondrechten, toegang tot de rechter en de werkingssfeer van het recht van de Unie
    De rechtsstaat eerbiedigt de grondrechten van de mensen die aan zijn bestuur zijn onderworpen. De EU-verdragen bevatten vroeger echter geen grondrechtelijke bepalingen. Een Duitse rechter was het hier echter niet mee eens en als gevolg daarvan is het Hof van Justitie begonnen aan een zekere grondrechtenbescherming. Dit heeft uiteindelijk geleid tot verdragsrechtelijke erkenning van de grondrechten als deel van het EU-recht. Sinds het Verdrag van Lissabon heeft de Unie naast haar grondrechten uit rechtspraak ook een eigen Handvest van de grondrechten gekregen, als deel van het verdragsrecht.
  • Ontwikkelingen rond EU-grondrechten
    In het begin was de Europese integratie vooral een zaak van economisch bestuur en juridisch bestuursrecht. Een nieuwe relevantie kwam in de sfeer van de interne markt. Daar gelden de 'vier vrijheden' van het verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal. Het Hof heeft wel besloten dat deze economische vrijheden soms moeten wijken voor grondrechten
    Een volgende ontwikkeling is de botsing van nationale grondrechten. Deze ontwikkeling is vooral te zien in de 'rechtsruimte' en gaat over migratie, asiel en strafrecht. Wat betreft de bronnen van EU-grondrechten is met het Verdrag van Lissabon een ontwikkeling afgerond en neergelegd in art. 6 VEU,
    De laatste ontwikkeling betreft de mogelijkheid van de EU om volgens art. 7 VEU strafmaatregelen te nemen tegen lidstaten die centrale waarden schenden waarop de EU berust. Deze zijn te vinden in art. 2 VEU.
  • Bereik van EU-grondrechten; de 'werkingssfeer' van het recht van de Unie
    De hoofdregel is dat EU-grondrechten alleen gericht zijn tot de Unie. Art. 51 van het Handvest van de grondrechten van de EU drukt dit principe uit.
    EU-grondrechten kunnen worden ingezet tegen maatregelen van lidstaten, maar hun gelding uit hoofde van Unierecht is dan beperkt. De werkingssfeer waarbinnen de lidstaten kunnen handelen strekt zich volledig uit over alle gebieden waarop de Unie enige zeggingsmacht heeft gekregen. Daarbinnen gelden haar verboden en geldt de rechtsmacht van het Hof van Justitie om nationale maatregelen aan het Unierecht te toetsen.
  • Lacunes in het rechtsgehalte van de Unie en in de gedeelde rechtsorde
    Er zijn leemten wat betreft de rechtsbescherming van de Unie. Zo is op een aantal terreinen beroep op het Hof uitgesloten en op sommige terreinen is haar rechtsmacht geheel uitgesloten. Dit geldt o.a. op het terrein van het gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsbeleid, zie art. 24 VEU. Ook op strafrechtelijk terrein is het Hof nogal eens onbevoegd. Tenslotte is er niet alleen rechtsbescherming tegen besluiten van de Unie bij het Hof van Justitie. Zo is er directe bescherming op komst door het EHRM.

    Democratie
    Er zijn allerlei verbanden tussen de bescherming die het recht geeft tegen de overheid enerzijds en de betrokkenheid van de burgers, het electoraat of het publiek bij het bestuur anderzijds. Een voorbeeld is het legaliteitsbeginsel.

    Naarmate de Unie een zekere autonomie ontwikkelt tov de lidstaten, is er sterker behoefte aan een dragende wetgevende functie op het niveau van de Unie. Hierbij zijn de begrippen 'wetgevende procedure' en 'wetgevende macht' geïntroduceerd in het Verdrag van Lissabon. Het is onmogelijk om de lidstaten weg te denken uit het dagelijks functioneren van de Unie. Het Verdrag van Lissabon draagt zelfs de erkenning mee dat de lidstaten in de Unie altijd een hoofdrol zullen blijven spelen.
  • Ter afsluiting - Gedeeld bestuur
    Tussen de lidstaten en de Unie is in de loop van de tijd een intensieve en ingewikkelde relatie gegroeid. Ingewikkeld omdat ze een complex van bestuurslijnen omvat, tussen alle takken van overheid op beide niveaus en door het ontbreken van een eenvoudige hiërarchie tussen Unie en lidstaten.
    Het moderne rechtsdenken gaat uit van hiërarchie: bij onverenigbaarheid van regels moet de hoogste regel, van het hoogste gezag, uitmaken welke regel geldt. Nationale rechters hebben de regel wel gerelativeerd.
    Volgens art. 4 VEU moet enerzijds de unie de lidstaten respecteren en anderzijds de lidstaten de Unie.
  • Institutionele verhoudingen in de Unie
    De EU is een internationale organisatie waarin de lidstaten onder meer als verdragspartijen het primaire recht bepalen en daarmee een fundamentele en richtinggevende rol hebben. Institutioneel gezien is de EU de verst ontwikkelde van alle bestaande internationale organisaties. Dit blijkt o.a. uit het aantal instellingen en zelfstandige bevoegdheden. Ook is er een groot aantal relaties tussen de verschillende instellingen. In tegenstelling tot andere internationale organisaties is er niet één instelling die alle macht heeft, maar is de macht verdeeld over een aantal specifieke instellingen. Door het Verdrag van Lissabon is de structuur van de organisatie overzichtelijker geworden en is er geprobeerd de legitimiteit van de EU te verbeteren. Art. 13 van dit verdrag geeft een lijst  van alle bestaande instellingen.
  • De Europese Raad en zijn voorzitter
    Grondslag en samenstelling
    De Europese Raad is het richtinggevende lichaam van de Unie en bestaat uit de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten. Op grond van art. 15 lid 1 VEU is ook de voorzitter van de Commissie, lid van de Europese Raad. Artt. 235 en 236 VWEU geven aan hoe het besluiten en stemmen plaatsvindt binnen deze instelling. Eerst was er altijd één van de staatshoofden die voorzitter was van de Europese Raad, dit roteerde steeds. Sinds het Verdrag van Lissabon is er echter een vaste voorzitter, de eerste voorzitter was Van Rompuy. Dit vaste voorzitterschap was bedoeld om de Unie een gezicht te geven en om de consensus en samenhang in de Europese Raad te bevorderen.
  • Taken en bevoegdheden
    Er wordt geen wetgevingstaak uitgeoefend door de Europese Raad, maar zij geeft de nodige impulsen voor de ontwikkeling van de Unie en bepaalt de algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten, dit blijkt uit art. 15 VEU. De belangrijkste functies zijn het bepalen van de koers van de Europese samenwerking en integratie, het vinden van politieke akkoorden en het beslechten van politieke crises. Verdere taken en bevoegdheden van de Europese Raad staan genoemd in artt. 22, 26 en 17 lid 7 VEU. Ook in art. 68 en 83 VWEU zijn taken van dit orgaan te vinden.

    Institutionele positie
    Het Verdrag van Lissabon heeft de Europese Raad een prominente basis geven binnen de juridische structuur, maar ook al hiervoor speelde deze instelling een grote rol. De wetgevende besluiten die genomen werden, waren over het algemeen uitwerkingen van politieke akkoorden. Deze politieke akkoorden werden echter vaak bereikt in de Europese Raad, als gevolg hiervan was zij dus uiteindelijk de grondlegger van de bindende besluiten. 
    Ook al vergadert de Europese Raad weinig, ze heeft toch veel invloed en dat komt omdat de vergaderingen worden voorbereid en de besluiten worden uitgevoerd door andere instellingen van de Unie, zoals de Raad en de Commissie. De eenvoudige zaken zijn dus al afgedaan voordat ze de Europese Raad kunnen bereiken.
  • De Raad van de Europese Unie
    Grondslag en samenstelling
    De Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat op ministerieel niveau, oftewel ministers van elke lidstaat. De Raad wordt dan ook wel vaak de Raad van ministers genoemd. Art. 16 VEU bepaalt de samenstelling van de Raad. Art. 13 VEU bepaalt de grondslag van de Raad. De instelling komt in verschillende vormen bijeen, afhankelijk van het te bespreken onderwerp. Met het Verdrag van Lissabon is de stemregeling gewijzigd, voor het verdrag hadden de kleine lidstaten een grotere positie, nu zijn de stemmen verdeeld naar bevolking, waardoor de grotere lidstaten juist een belangrijkere positie hebben. De Raad van Algemene zaken en de Raad van Buitenlandse Zaken worden expliciet genoemd in art. 16 lid 6 VEU, dit zijn de twee belangrijkste raden.
  • Taken en bevoegdheden
    Art. 16 VEU laat zien dat de Raad de wetgevings- en de begrotingstaak uitvoert en dat hij bepaalde beleidsbepalende en coördinerende taken uitvoert. In veel gevallen werkt de Raad bij het uitoefenen van zijn taken samen met het Europees Parlement. Tegelijk is de Raad sterk betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van allerlei beleid van de Unie. De rol van de ministers bestaat meestal uit het accorderen van een bereikt onderhandelingsresultaat of het doorhakken van een laatste knoop.

    Institutionele positie
    De Raad heeft twee taken gekregen, namelijk wetgeving en niet-wetgeving, deze zijn formeel gesplitst en de wetgevende functie is formeel openbaar, om achterkamertjespolitiek te voorkomen. Dit wordt weergegeven in art. 16 lid 8 VEU. Uit het voorgaande blijkt echter dat er geen strikte scheiding is van machten, want de Raad oefent zowel wetgevingshandelingen als uitvoeringshandelingen uit.
  • Het Europees Parlement
    Grondslag en samenstelling
    Het Europees Parlement is de volksvertegenwoordiging in het proces van Europese wetgeving en bestuur. Het vertegenwoordigt de belangen van de burgers van de Unie. De instelling bestaat uit 750 leden plus een voorzitter. Per lidstaat zijn er minimaal 6 en maximaal 96 vertegenwoordigers, zie art. 14 VEU. Er is sprake van 'degressieve' vertegenwoordiging, zodat niet alle burgers van de lidstaten gelijk vertegenwoordigd zijn. Na het Verdrag van Lissabon is de formulering zo aangepast dat er wat mee wordt verwezen naar een enkelvoudig electoraat ipv naar enkel vertegenwoordiging. In art. 223 VEU is een eenvormige procedure voor het organiseren van Europese Parlement verkiezingen vastgelegd. De verkiezingsprocedure is echter nog steeds nationaal bepaald en kan dus per lidstaat verschillen. De verkiezingen vinden plaats op basis van nationale lijsten.
  • Taken en bevoegdheden
    Het Europees Parlement heeft een wetgevingstaak en een taak van politieke controle. Op grond van art. 14 lid 1 VEU wordt samen met de Raad naast de wetgevingstaak ook de begrotingstaak uitgevoerd. Net als de Raad zijn de specifieke bevoegdheden van de instelling afhankelijk van het te behandelen onderwerp. In art. 294 van het VWEU staat de gewone wetgevingsprocedure beschreven, hierin is het Europees Parlement op gelijke voet gesteld met de Raad. 
    Ook zij kan amendementen voorstellen en een onwelgevallig besluit blokkeren. Niet altijd is de gewone wetgevingsprocedure van toepassing, zoals bv. ten aanzien van de harmonisatie van belasting. Op grond van art. 113 VWEU, is dan unanimiteit vereist in de Raad en heeft het Europees Parlement slechts een raadgevende bevoegdheid. Art. 28 VEU geeft een voorbeeld van een geval waarin het Europees Parlement geheel buiten beeld blijft. Ook heeft de instelling ten aanzien van sommige onderwerpen een instemmings- c.q. goedkeuringsrecht, zoals in art. 49 en 50 VEU.
  • Het Europees Parlement heeft ook een belangrijke toezichthoudende en controlerende taak, deze is in het Werkingsverdrag uitgewerkt. Bij vermeende inbreuken op Unierecht kan de instelling een enquetecommissie instellen, zie art. 226 VWEU. Ook kunnen burgers een verzoekschrift richten tot het Europees Parlement op grond van art. 227 VWEU. Art. 228 VWEU bepaalt vervolgens dat de ombudsman ook door de instelling wordt gekozen. De controlebevoegdheden zijn verder vooral gericht op de Commissie, zij is verantwoording schuldig aan het Europees Parlement op grond van art. 17 lid 8 VEU. De commissie kan ook weggestuurd worden door middel van een motie van afkeuring door het Europees Parlement, zie art. 234 VWEU. Het Europees Parlement kiest ook de voorzitter van de Commissie in opdracht van de Europese Raad. De controletaken van de instelling zijn niet gericht op de Europese Raad en de Raad, want deze zijn op grond van art. 10 lid 2 VEU verantwoording schuldig aan nationale parlementen.

    Institutionele positie
    De institutionele positie van het Europees Parlement is de laatste tijd versterkt en verbeterd. Dit o.a. door de gewone wetgevingsprocedure, de Raad kan nu minder makkelijk als enige oordelen over onderwerpen. Ook uit het feit dat het Europees Parlement de voorzitter van de Commissie kan kiezen en goedkeuringsrecht heeft over het voltallige college blijkt deze versterkte positie.
  • De Commissie
    De Commissie is ontstaan uit een combinatie van de 'Hoge Autoriteit' uit het EGKS-verdrag en de 'Commissie' uit het EEG-verdrag. In 1967 werden deze twee samengevoegd tot de Europese Commissie.

    Grondslag, samenstelling en benoeming

    Art. 17 VEU laat zien dat de leden van de Commissie afkomstig zijn uit de lidstaten, maar hun staat niet vertegenwoordigen; ze zijn onafhankelijk. Art. 245 VWEU laat dit ook zien door te stellen dat de lidstaten de onafhankelijkheid van de Commissieleden moeten eerbiedigen en trachten hen niet te beïnvloeden bij de uitvoering van hun taak. Elke lidstaat blijft recht houden op voordracht en benoeming van een eigen Commissaris. De benoeming van de leden vindt sinds het Verdrag van Nice plaats door een gekwalificeerde meerderheid bij de Europese Raad en de Raad. Daarna heeft het Europees Parlement goedkeuringsrecht ten aanzien van het voltallige college en kiest zij de voorzitter van de Commissie.
  • Taken en bevoegdheden
    De Commissie heeft veel specifieke bevoegdheden toebedeeld gekregen in verschillende bepalingen. In art. 17 VEU wordt de controlerende taak genoemd, die nader is uitgewerkt in art. 258 VWEU. Ook wordt in de eerste bepaling de uitvoerende rol genoemd. In art. 17 lid 2 VEU staat dat de Commissie het exclusieve recht van initiatief heeft. Dit houdt in dat zonder een voorstel van de Commissie geen besluit genomen mag worden.
    Belangrijk is tevens dat de Commissie de onderhandelingen tijdens het wetgevingsproces tot het einde dwingend kan begeleiden en haar invloed kan uitoefenen, vooral doordat ze het recht heeft haar voorstel te wijzigen, zolang de Raad geen besluit genomen heeft, zie art. 293 lid VWEU. De Commissie draagt echter enkel zorg voor de uitvoering van wetgeving voor zover die niet door de lidstaten zelf kan worden verzekerd, op grond van art. 291 VWEU.

    Institutionele positie
    De Commissie heeft eigen zware bevoegdheden, maar hier zitten duidelijk grenzen aan. Het kan namelijk zo zijn dat in de laatste fase van de procedure het Europees Parlement en de Raad met gekwalificeerde meerderheid overeenstemming bereiken over een tekst en dat deze tekst afwijkt van het oorspronkelijk voorstel van de Commissie, zie artt. 293 jo. 294 lid 10 en lid 13 VWEU. Hiermee wordt dus afbreuk gedaan aan het recht van initiatief van de Commissie.
  • Het Hof van Justitie
    De rechtsmacht van het hof is toebedeeld om geschillen te beslechten en om vragen te beantwoorden over de uitleg van het Unierecht (=prejudiciële procedure). Het Hof heeft met enkele uitspraken een grote bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de EU, o.a. door de uitspraken Van Gend & Loos en Costa/ENEL. 

    Grondslag, samenstelling en benoeming

    Deze instelling bestaat formeel uit het Hof van Justitie, het Gerecht en gespecialiseerde rechtbanken, op grond van art. 19 lid 1 VEU.

    Taken en bevoegdheden
    Art. 19 lid 1 VEU bepaalt dat het Hof de eerbiediging verzekert van het recht bij de uitlegging en toepassing van de verdragen. Hierin wordt de 'verplichte rechtsmacht' van het Hof beschreven. Het artikel wijst daarna ook expliciet naar de plicht van de lidstaten om 'te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren'. Naast het Hof spelen dus ook gerechtelijke instanties van lidstaten een rol, net als het EHRM. De taakverdeling tussen het Gerecht en het Hof staat in artt. 267 en 258 VWEU. Het Hof doet uitspraak in prejudiciële procedures en verdragsinbreukprocedures. Ten tweede fungeert het Hof, al naargelang kwesties en vragen die het voorgelegd krijgt, op verschillende rechtsgebieden en terreinen.
  • Bronnen van het Unierecht
    Rechtsbronnen van de EU zijn verdeeld in primaire en secundaire bronnen, de groep waartoe een bron behoort, bepaalt de plaats die de bron in de juridische rangorde inneemt.

    Primair recht, rechtsbeginselen en grondrechten
    Onder het primaire recht vallen alle oprichtingsverdragen (EGKS-Verdrag, EEG-Verdrag en Euratom-Verdrag), ook de verdragen waarbij de oprichtingsverdragen aangevuld of gewijzigd zijn liggen op hetzelfde niveau (Verdragen van Maastricht, Amsterdam, Nice en Lissabon), daarnaast vallen de verdragen gesloten bij de toetreding van nieuwe lidstaten ook onder dezelfde categorie. De regels van het EVRM werden gezien als rechtsbeginselen, zodat het Hof ze vrij kon uitleggen. Later zijn de grondrechten ook in het verdragsrecht erkend en vastgelegd. In het jaar 2000 kwam een eigen 'Handvest van de grondrechten van de EU' tot stand. Het primaire recht staat bovenaan de rangorde, het Unieverdrag en het Werkingsverdrag vormen een grondslag van bevoegdheden en een kader voor de uitoefening hiervan.
  • Secundair recht
    Het secundaire recht is het afgeleide recht uit de rechtshandelingen die de Unie in de loop der tijd heeft genomen. Deze rechtshandelingen worden genomen op grond van het primaire recht. Het secundaire recht wordt door het Hof ondergeschikt verklaard aan het primaire recht. Als er een strijd is met het primaire recht dan wordt het secundaire recht buiten beschouwing gelaten of nietig verklaard. In art. 288 VWEU worden verordeningen, richtlijnen en besluiten als secundaire rechtsbronnen genoemd.
  • Verordeningen hebben de volgende kenmerken:
    • Algemene strekking;
    • Verbindend in al haar onderdelen;
    • Rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat, de verordening hoeft dus niet te worden omgezet in nationale regelgeving. Verordeningen mogen zelfs niet omgezet worden, wel moeten lidstaten waar nodig uitvoeringsmaatregelen treffen.

    Besluiten hebben andere kenmerken:
    • Verbindend in al haar onderdelen;
    • Indien er adressanten worden vermeld, dan is het besluit alleen voor hen verbindend.

    Voor richtlijnen geldt vervolgens:
    • Verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij is bestemd, maar aan de nationale instanties wordt bij het nakomen van hun verplichtingen de bevoegdheid gelaten om vorm en middelen te kiezen;
    • Het belangrijkste verschil met een verordening is dat een richtlijn niet bedoeld is om burgers en ondernemingen rechtstreeks te binden, maar de lidstaten. De richtlijnen moeten dus nog omgezet worden in nationale regelgeving.
  • De instellingen zijn niet geheel vrij in de instrumentkeuze. Verdragsbepalingen waarop een bevoegdheid is gebaseerd, kunnen bijvoorbeeld voorschrijven welk instrument gekozen moet worden. Dit voorgaande sluit aan bij het eerder genoemde attributiebeginsel. In andere gevallen wordt de keuze open gelaten en moet uit de aard van de te regelen materie worden opgemaakt welk instrument wel of niet geschikt is voor de uitoefening van een bepaalde bevoegdheid.

    Uit het voorgaande blijkt dat de rechtsinstrumenten voor secundair recht dus verschillen in hun aard en juridische strekking. Er is echter geen rangorde binnen de secundaire instrumenten, een verordening is dus niet hoger dan een besluit. Het Verdrag van Lissabon heeft hier enkele veranderingen in aangebracht door onderscheid te maken in wetgevingshandelingen en uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen. Art. 289 VWEU maakt duidelijk dat bij gewone of bijzondere wetgevingsprocedure vastgestelde rechtshandelingen aan te merken zijn als wetgevingshandelingen. Daarnaast voorzien art. 290 en 291 VWEU in gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.
  • Rechtsbronnen 'in-between'
    De vraag rijst in hoeverre ongeschreven recht deel uitmaakt van het Europees recht. Uit de rechtspraak blijkt dat ook de algemene beginselen van gemeenschapsrecht deel uitmaken van de Europese rechtsorde. Het Hof heeft ook enkele nationale rechtsbeginselen gekwalificeerd als algemene beginselen van gemeenschapsrecht, zoals het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het beginsel van het verbod op terugwerkende kracht. Soms worden deze beginselen gebruikt als toetsingskader en soms wordt het primair recht aan de hand daarvan uitgelegd.
    Dan is er de rechtspraak en het (inter)nationale recht. De rechtspraak van het Hof van Justitie schept in de praktijk soms nieuw recht. Regels van nationaal recht zijn echter geen bron van Europees recht. Dit komt omdat nationale regels per land verschillen en door het voorrangsrecht dat aan het Europees recht is toegekend.
  • Het acquis communautaire ofwel de 'gemeenschappelijke verworvenheden' betreft de hele verzameling van Europese verdragen, geldende secundaire rechtshandelingen en relevante rechtspraak die de lidstaten en de instellingen in de loop van de tijd hebben voortgebracht. Een voorbeeld dat acquis communautaire nog invloed heeft in de huidige EU blijkt uit het feit dat nieuwe lidstaten het hele bestand van regels vanaf de stichting van de EEG moeten opnemen in hun rechtsorde. Het is te beschouwen als een fundament voor verdere integratie. Ook soft law handelingen worden daartoe gerekend.  

    'Tertiair' recht; soft law

    De Unie werkt niet alleen door middel van bindende regels, maar ook met beleidsinstrumenten als programma's, beleidsdoelstellingen, resoluties, richtsnoeren, bekendmakingen, gedragscodes, conclusies en aanbevelingen. Dit wordt soft law genoemd en kan als 'tertiair' worden aangemerkt, omdat zij als laatste in de rangorde komen en niet kunnen afwijken van normen van primair en secundair recht.
  • De wetgevingsprocedures van de EU
    Het aparte aan het wetgevingssysteem van de EU is dat de lidstaten medeverantwoordelijk zijn voor de uitvoering hiervan.
    Veel verdragsbepalingen zijn voor hun werking afhankelijk van de uitwerking in wetgevingshandelingen die de vorm krijgen van richtlijnen, verordeningen of besluiten, zie hiervoor art. 288 VWEU.

    Wetgevingsinstellingen
    Het aannemen van wetgevende handelingen gebeurt in samenspel tussen drie instellingen: de Commissie, de Raad en het Europees Parlement. Het basisbeginsel is dat de Commissie het recht van initiatief heeft, zie art. 17 lid 2 VEU. De Commissie kan een voorstel blijven wijzigen of intrekken. De Europese Raad kan de Commissie wel verzoeken een bepaald initiatief te nemen. Ligt er eenmaal een Commissievoorstel, dan zijn het de Raad en het Europees Parlement samen die besluiten om op grond van dat voorstel een Europese wetgevingshandeling te nemen, zie art. 14 VEU. De Raad kan enkel bij unanimiteit van een Commissievoorstel afwijken. Dit wordt met de toename van het aantal lidstaten echter een steeds hogere drempel, maar een steeds grote rol voor het Europees Parlement relativeert dit weer.
  • De toepasselijke wetgevingsprocedure
    Er bestaan de gewone en de bijzondere wetgevingsprocedures. Welke procedure gevolgd moet worden om een bepaalde bevoegdheid uit te oefenen, is te vinden in de bepaling die voor dat besluit de bevoegdheid opent. De toepasselijke wetgevingsprocedure is afhankelijk van het onderwerp, wat verband houdt met het attributiebeginsel (art. 5 VEU).

    De gewone wetgevingsprocedure
    Deze procedure is neergelegd in art. 294 VWEU. Kernelementen zijn dat het Europees Parlement het voorstel tot een wetgevingshandeling kan amenderen en ook een vetorecht heeft. Er bestaan drie fasen/lezingen:
    • De eerste lezing begint met het indienen van een voorstel van de Commissie bij het Europees Parlement en Raad.
    • Als er verschillen van mening zijn, leidt deze eerste ronde tot de vaststelling door de Raad van zijn standpunt in eerste lezing. Met dit standpunt wordt de tweede lezing gestart. Het Europees Parlement kan dit standpunt goedkeuren, afwijzen of amendementen voorstellen. Indien het parlement amendementen voorstelt die niet aanvaardbaar zijn voor de Raad, komt er een bemiddelingscomité.
    • Als derde fase moeten het Europees Parlement en de Raad beide bij meerderheid de ontwerptekst van het bemiddelingscomité goedkeuren.
  • Bijzondere wetgevingsprocedures
    Er is geen precieze algemene bepaling die de verschillende bijzondere wetgevingsprocedures beschrijft. Een soort van algemene omschrijving is wel terug te vinden in art. 289 lid 2 VWEU. De meeste verdragsbepalingen die een bijzondere wetgevingsprocedure van toepassing verklaren, zien op de tweede fase van het normale wetgevingsproces, oftewel de beslissingsbevoegdheid van de Raad.

    De stemmodaliteiten in de Raad van de Europese Unie
    Er zijn drie stemmodaliteiten binnen de Raad: unanimiteit, gewone meerderheid en gekwalificeerde meerderheid. De rechtsgrondslag voor de Europese handeling bepaalt welke van de stemmodaliteiten geldt. Art. 16 VEU geeft wel een algemene regel. Deze houdt in dat tenzij in de verdragen anders is bepaald, de Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
  • Met het systeem van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid is vooral gezocht naar een balans tussen de belangen van de grotere landen en die van de kleinere. Sinds het Verdrag van Lissabon is er een nieuw systeem met twee criteria: één voor het minimum aantal lidstaten dat nodig is en één gebaseerd op het percentage van de totale Uniebevolking dat minimaal vertegenwoordigd moet zijn door de voorstanders van het voorstel. Het oude systeem hield in dat elk land een eigen stemgewicht heeft, dit is een ruwe afspiegeling van de omvang van zijn bevolking.
    Unanimiteit betekent eenparigheid van de stemmen en daarmee zijn alle lidstaten formeel gelijk. Dit kan leiden tot enorme vertragingen. Een voordeel daarentegen is dat er wel een grote legitimiteit van deze stemmodaliteit uitgaat. Deze stemmodaliteit wordt vooral toegepast bij het buitenlands beleid, veiligheids- en defensiebeleid en het aannemen van anti-discriminatiewetgeving. Stemming bij unanimiteit kan worden omgezet in stemming bij gekwalificeerde meerderheid op grond van art. 48 lid 7 VEU. De Europese Raad heeft het recht hiervoor te kiezen en het wordt ook wel aangeduid als 'vereenvoudigde herzieningsprocedure'.
    De gewone meerderheid houdt in dat de Raad besluit bij meerderheid van zijn leden. Deze modaliteit wordt vooral gebruikt bij procedurele kwesties.
  • Stemmodaliteiten in het Europees Parlement
    Het Europees Parlement kent drie stemmodaliteiten:
    • Volstrekte meerderheid van stemmen: hierbij moet er een meerderheid van de uitgebrachte stemmen zijn. Dit is de normale meerderheidseis die geldt voor alle besluiten waaraan geen andere eis is gesteld.
    • Volstrekte meerderheid van leden: hierbij gaat het om een gekwalificeerde meerderheid. Er wordt rekening gehouden met lidstaten die niet aanwezig zijn.
    • Verzwaarde meerderheid van leden: dit is een tweederde meerderheid en geldt onder andere in de derde fase van de begrotingsprocedure. 
  • Niet-wetgeving, uitvoering en bestuur
    De uitvoerende macht in de EU valt te onderscheiden in de uitvoering van EU-wetgeving enerzijds en politiek bestuur anderzijds. De Europese Commissie is in het politiek bestuur het hoogste orgaan en het is niet ondergeschikt aan de wetgevende macht. Het bestuur werkt wettelijke regels uit en past ze toe. Onder 'niet-wetgeving' wordt uitvoering en bestuur verstaan, zoals in art. 290 VWEU.
    Niet-essentiële onderdelen van een regeling mag de Europese wetgever delegeren aan het bestuur. Lagere regelgeving bestaat nu uit twee vormen: gedelegeerde handelingen (art. 290 VWEU) en uitvoering (art. 291 VWEU).
  • Gedelegeerde handelingen
    Het Werkingsverdrag introduceert in art. 290 de mogelijkheid om aan de Commissie de bevoegdheid toe te kennen om gedelegeerde regelgeving vast te stellen. Materiële voorwaarden zijn dat de doelstellingen, inhoud, strekking en duur van de delegatie uitdrukkelijk vermeldt moet zijn in de wetgevingshandeling die de delegatiebevoegdheid toekent. De Raad en het Parlement moeten toezicht houden op de uitoefening, zoals door middel van call back mechanismen (intrekken).
  • Uitvoering van Unierecht
    Wetgevings- en gedelegeerde handelingen moeten worden uitgevoerd om hun beoogde doelstellingen te bereiken. De uitvoering van Unierecht is geregeld in art. 291 VWEU.

    Als eerste is er de uitvoering door de lidstaten. De hoofdregel hierbij is dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering, toepassing en handhaving van het Unierecht. Deze hoofdregel is te vinden in art. 291 lid 1 VWEU.

    In dit opzicht kan de Unie gezien worden als coöperatief federaal. Dit in verband met het feit dat lokale of nationale omstandigheden verschillen. De algemene verplichting die op lidstaten rust, wanneer zij handelen binnen het kader van het Unierecht, is verwoord in art. 4 lid 3 VEU. Dit is het beginsel van loyale samenwerking.
  • De Commissie houdt globaal toezicht op de uitvoering van Unierecht door de nationale autoriteiten. Mochten eenvormige voorwaarden nodig zijn, dan kan in de wetgevingshandeling de bevoegdheid tot het vaststellen van uitvoeringsmaatregelen aan de Commissie worden toegekend. Zie art. 291 lid 2 VWEU. 

    Soms vindt de uitvoering plaats met behulp van agentschappen. Een agentschap is een orgaan naar Europees recht dat zich van de instellingen van de Gemeenschap onderscheidt en dat rechtspersoonlijkheid bezit. Deze agentschappen verrichten zeer specifieke technische, wetenschappelijke of beheerstaken.
  • Ter afsluiting
    Uit het voorgaande blijkt dat de wetgeving van de Europese Unie tot stand komt volgens de in de Verdragen voorgeschreven procedures. De uitvoering van deze wetgeving gebeurt grotendeels door de lidstaten. De Commissie heeft hier eveneens een rol in, zij moet ervoor zorgen dat de uniformiteit blijft bestaan.

    Een van de grote thema's voor dit vak is dat van gedeeld gezag tussen de lidstaten en de Unie. De lidstaten delen een Europese 'eigen rechtsorde', die op zijn beurt deel is van de nationale rechtsorde. Het concept 'federalisme' kan gebruikt worden om dit uit te leggen. Bij een federaal systeem is het delen van gezag tussen centraal (federaal) niveau en de aangesloten staten een vast element. Het kan worden gezien als een systeem waarin gezag wordt opgedeeld in eigen gezag (self rule) en gedeeld gezag (shared rule) van twee niveaus van gezag. Er is dus altijd een verdeling van bevoegdheden. Sinds het Verdrag van Lissabon bevat ook het Unierecht lijsten met bevoegdheden, opgedeeld in 3 categorieën:
    • exclusieve Unie bevoegdheden (art. 3 VWEU)
    • bevoegdheden die de Unie en de lidstaten delen (art. 4 VWEU)
    • bevoegdheden voor de Unie om te coördineren en te ondersteunen (art. 6 VWEU).
    Als alternatief voor het federale karakter wordt de EU gezien als entiteit sui generis: de EU is geen internationale organisatie en geen staat.
  • Gedeeld recht
    Grondrechten, beginselen en regels
    Het verband tussen gedeeld recht en de grondrechten komt naar voren in art. 6 lid 3 VEU. Ook in de interne markt is gedeeld recht een terugkerend element. Via de rule of reason biedt het Unierecht de mogelijkheid voor vele uitzonderingen op de economische vrijheden. De kern van iedere rule of reason is een belang van nationaal recht.
  • Leerstukken
    Het gedeelde recht verbindt de rechtsontwikkeling van de Unie met die van de lidstaten. Het Hof van Justitie heeft de EU als autonome rechtsorde afgekondigd in Van Gend & Loos en Costa/ENEL. Er is dus autonomie van het Unierecht uit eigen hoofde. Dit is ook een federaal aspect. Hoewel het Hof van Justitie de voorrang als absoluut beschouwt, is dat in de praktijk een stuk genuanceerder. Als lidstaten vinden dat het Hof te ver gaat in het toekennen van directe werking kunnen zij ingrijpen via een verdragswijziging.
    Met de gelding uit eigen hoofde eiste het Hof van de lidstaten en hun rechters een 'monistische' bejegening op van het Europese recht. Monisme houdt in dat een land sommige regels van bovennationaal recht directe gelding toekent in zijn eigen rechtsorde. Dit is het tegenovergestelde van dualisme, waar de bovennationale regels pas gelding krijgen na doorvoering in nationale regels.

    Het legaliteitsbeginsel
    Het legaliteitsbeginsel is in elke democratische rechtsorde fundamenteel. Het optreden van de lidstaat autoriteiten moet gebaseerd zijn op een grondslag in het nationale recht en dat van de EU autoriteiten op een grondslag in het EU-recht. In een coöperatief federaal systeem kan de bevoegdheid ook kruislings zijn wettelijke basis vinden. Een bestuursorgaan in een lidstaat kan zijn optreden bijvoorbeeld rechtstreeks baseren op een wettelijke grondslag uit de Europese rechtsorde of het Unierecht.
Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.