Het lichamelijk functioneren / druk 3 / ING

by (1997)
ISBN-10 9031322733 ISBN-13 9789031322732
190 Flashcards en notities
9 Studenten

Studeer slimmer met eFaqt samenvattingen

  • Beschikbaar voor computer, tablet, telefoon en op papier
  • Vragen met antwoorden over de leerstof
  • Ongelimiteerde toegang tot 300.000 online samenvattingen
  • Tools voor slim studeren & timers voor betere resultaten

Bekijk deze samenvatting

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Het lichamelijk functioneren / druk 3 / ING

  • 1 Spijsvertering

  • Voedingstoffen zijn in 6 groepen verdeeld, benoem ze alle zes?
    eiwitten, koolhydraten, vitaminen, mineralen, water en vetten
  • Wat zijn de functies van voedingstoffen?

    Bouwstof

    energieleverende stof (brandstof)

    Regulerende stof

  • Welke voedingstoffen dienen als bouwstof?
    Water, eiwitten en mineralen
  • Welke voedingsstoffen dienen als energieleverende stof (brandstof)?
    vetten, koolhydraten en soms eiwitten
  • Welke voedingstoffen dienen als regulerende/beschermende voedingstof?

    vitaminne en mineralen
  • Waar wordt het reservevet opgeslagen?
    onder de huid en rondom enkele organen zoals nieren
  • Waar worden koolhydraten opgeslagen?
    spieren en in de lever
  • Dergelijke reserves komen goed van pas in tijden waarin om welke reden dan ook te weinig wordt opgenomen of wanneer de behoefte aan voedingsstoffen is verhoogd
  • Waar moet een cel over beschikken om naast brandstof om energie te leveren?
    Zuurstof
  • Waar dienen enzymen voor?
    maken het mogelijk dat de het voedsel in de cellen op een rustige manier kan verbranden
  • Wat voor een taak hebben de spijsverteringsorganen?
    1.Het voedsel zodanig te bewerken dat het in het bloed wordt opgenomen 2.Om via de dikke darm de onverteerbare en de niet verteerde voedselresten uit het lichaam te verwijderen
  • Hoe wordt dit bewerkingsproces genoemd?
    Vertering
  • Wat voor een proces komt er na de vertering?
    Resorptie
  • Wat betekend resorptie?
    De opname van voedingsstoffen in bloed/en lymfevaten
  • Waar bestaat het verteringskanaal uit?
    Mondholte, keel, slokdarm, maag, dunne darm )twaalfvingerige darmkronkeldarm, nuchtere darm),
  • Hoe komt het dat voedsel tijdens het inslikken niet door de luchtpijp gaat?
    Wanneer er vast voedsel of vocht achter in de mondholte komt, voeren we automatisch een slikbeweging uit. De lippen en tanden worden op elkaar gehouden, de tong wordt tegen het harde gehemelte geduwd en het zachte gehemelte  met de huig wordt omhoog getrokken zodat de inwendige neusholte wordt afgesloten. Het strotklepje gaat naar beneden waardoor de luchtpijp wordt afgesloten. De spijsbrok glijdt hierdoor vanzelf in de slokdarm
  • Wat voor een functie heeft de slokdarm?
    fungeert als transportbuis
  • Wat voor functie heeft de maag?

    1. tijdelijke opslagplaats voor voedsel zodat de dunne darm niet teveel voedsel tegelijk hoeft te verwerken.

    2.door de peristaltische bewegingen zorgt de maag voor mengen, kneden en het transport van voedsel

    3. belangrijke rol bij de vertering doordat de maagsapklieren maagsap afscheiden

  • Maagsap bevat de volgende stoffen

    Water  Dit doet dienst als oplosmiddel en transportmiddel

    Slijm   Dit verhoogd de glijbaarheid maar het dient vooral om de maagwand te beschermen tegen de inwerking van zoutzuur. Overmatige zoutzuursecretie of een te dunnen slijmlaag geeft dan ook gemakkelijk aanleiding tot het ontstaan van een maagzweer.

    Zoutzuur HCI    zorgt voor een zuur milieu, een vereiste voor het eiwitsplitsend enzym pepsine. Het zoutzuur doet tevens de eiwitten zwellen waardoor het oppervlak ervan wordt vergroot. Bovendien heeft het zoutzuur een desinfecterende werking doordat vele bacteriën en schimmels door het zuur worden gedood.

    Enzymen  maagsapklieren produceren het eiwitsplitsende enzym pepsine, zorgt dat grote eiwitmoleculen worden afgebroken tot kleinere moleculen

    Intrinsic factor   Deze stof zorgt voor de bescherming van vitaminne B12 tijdens het transport vanaf de maag tot het einde van de dunne darm, waar het wordt opgenomen in het bloed. Vitaminne B12 is nodig voor de vorming van de rode bloedcellen in het rode beenmerg.

  • Waar wordt de rode bloedcellen gevormd?
    In het rode beenmerg
  • Maagportier is een kringspier. Nadat de zure spijsbrok in de twaalfvingerige darm, eerste gedeelte van de dunne darm, geneutraliseerd is  door de stof natriumbicarbonaat uit het pancreas sap, ontspant de kringspier weer waardoor het maagportier weer open kan.
  • Waar gaat het voedsel doorheen voordat het de twaalfvingerige darm ingaat?
    Maagportier
  • Waar bestaat de dunne darm uit?

    Twaalfvingerige darm

    Nuchtere darm

    De kronkeldarm

  • Wat is de functie van de dunne darm?
    Verteringsproces wordt beëindigd met behulp van pancreassap, de gal, darmsap. Resorptie van het verteerde voedsel en het transport naar de dikke darm van het onverteerbare en onverteerde voedsel
  • pancreassap bevat behalve water en slijm ook nog natriumbicarbonaat en een aantal enzymen. het natriumcarbbonaat zorgt voor de neutralisatie van de zure spijsbrij in de twaalfvingerige darm. Dit is belangrijk voor het maagportierreflex. Bovendien kunnen de enzymen goed functioneren, dit kan alleen in een neutraal milieu


    Gal wordt voortdurend door de lever geproduceerd. Gal bestaat uit water, slijm cholesterol, galzouten, en galkleurstof bilirubine. De gal heeft een emulgerende werking op de vetten. Hierbij worden grotere vetdruppels verdeeld in een groot aantal kleinere vetdruppels


    Darmsap bevat water, slijm, en een aantal enzymen. Deze zetten de laatste stap in de vertering van de eiwitten en de koolhydraten. In het darnsap bevindt zich een mengsel van eiwitsplitsende enzyme. Deze enzymen zorgen ervoor dat de reeds grotendeels verteerde eiwitten worden gesplits in enkelvoudige suikers

  • Wat kan er na het verteringsproces beginnen?
    resorptie
  • Enkelvoudige suikers en aminozuren worden door de haarvaten van de darmvlokken opgenomen. Via de poortader worden ze vervolgens naar de lever getransporteerd. De lever is dus het eerste orgaan waar deze stoffen en de andere opgenomen stoffen arriveren.
  • Waarom is bovenstaande kennis belangrijk?
    geneesmiddelen die via de mond zijn ingenomen komen ook in de lever terecht, dit is van belang bij het bespreken van leverfuncties.
  • Na de dunne darm komt de dikke darm. In de dikke darm wordt het onverteerbare materiaal verder ingedikt doordat er ongeveer ,05 to 1 liter water wordt terug geresorbeerd. De dunne darm heeft ook al veel geresorbeerd. In de dikke darm leeft een groot aantal bacteriën. Ze zorgen voor het rottings/ gistingsproces.
  • Slikken is een reflex achterin de keel. Totdat het voedsel in de maag is noemen ze het proces slikken.

  • Risicofactoren/risicogroepen voor verslikken is:

    • Parkinson
    • demente (kan maar hoeft niet)
    • Slikspieren werken niet goed  bijv.: bij Spasme of MS
    • plat liggen
    • terminale patiënten
    • bij benauwdheid
    • verlamming van slikspieren bijv. na beroerte
    • verminderd bewustzijn
    • gestoord gevoel in mond/keel



  • Wat observeer je na het verslikken?

    • Kleur gezicht
    • bewustzijn
    • gaat de benauwdheid over, hoe lang duurt de benauwdheid
    • symptomen van longontsteking
  • Symptomen van longontsteking kunnen zijn:

    • koorts
    • snelle pols= snelle hartslag
    • snelle ademhaling
    • benauwdheid
    • hoesten
    • transpireren
    • soms grauw of blauw: weinig o2 en erg ziek

  • Klachten van reflux:

    • zuur komt omhoog tot in de keel
    • zuur beschadigd het slijmvlies van de slokdarm, dat raakt geïrriteerd=  ontstoken
    • pijn door ontsteking, vooral als er zuur of voedsel langskomt
  • Wat kan helpen bij reflux?

    • Anti-trendelenburg ( zuur loopt niet zo gauw de slokdarm in
    • Niet roken ( roken maakt dat spiertjes slapper worden)
    • Minder alcohol (alcohol irriteert)
    • Proberen welke voedingsmiddelen de klachten verminderen


  • Bloed bij braaksel:

    Rood bloed= betekent afkomstig uit slokdarm, kan ook uit de maag maar dan is het snel naar boven gekomen.

    Donkerbruin bloed= oud/verteerd bloed is afkomstig uit de maag of verder.

  • Bloed bij ontlasting:

    Rood bloed= afkomstig uit laatste stukje darm (rectum of colon), aambeien.

    Zwart bloed met weeïge geur= afkomstig uit de maag of hoog in de dunne darm


    Bij groot bloedverlies kan het wel vanuit de maag komen, het gust er dan uit waardoor het nog niet verteerd is en dus rood bloed is.


    Valkuil= iedere keer een beetje bloedverlies bij de ontlasting zie je niet maar zorgt wel na lange tijd voor veel bloedverlies. Dit noemen ze occult bloedverlies

  • Tekenen van dehydratie zijn:

    • Droge huid (moeilijk te meten door zweten van koorts)
    • Droge slijmvliezen (in de mond)
    • Lage turgor van de huid ( huidplooi blijft staan op buik)
    • diepliggende ogen
    • suf worden, trager reageren, in de war raken
    • pols wordt sneller
    • bloeddruk wordt lager ( er zit minder in je vaten)
  • Circulerend vermogen kun je testen door op je nagel te drukken:

    Rood na indrukken = Goed

    Wit na indrukken= niet goed

Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Voedingstoffen zijn in 6 groepen verdeeld, benoem ze alle zes?
1
Wat zijn de functies van voedingstoffen?
1
Welke voedingstoffen dienen als bouwstof?
1
Welke voedingsstoffen dienen als energieleverende stof (brandstof)?
1
Pagina 1 van 14