Samenvatting Gedragsproblemen Class notes

173 Flashcards en notities
3 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Gedragsproblemen Class notes

  • 1396303200 Algemene inleiding: (ab)normaal gedrag

  • Wat is het verschil tussen jongens en meisjes m.b.t. stoornissen?
    - Jongens laten in het algemeen meer vroege (ontwikkelings)stoornissen zien gebaseerd op een problematische neurologische afwijking.
    - meisjes laten meer emotionele stoornissen zien met een piek in de adolescentie.
  • Noem de kenmerken van het trekmodel.
    • ontwikkeling door individuele karakteristieken (géén effect van omgeving).
    • Aangeboren (temperament of genetisch) of verworven (coping of angstig reageren) gedragsproblemen
    • Trek als relatief onbeïnvloedbaar (autonoom)
    • Bijv. hechting Bowlby
    • Verworpen! Teveel bewijs dat omgeving wel van invloed is.
  • Noem de kenmerken van het omgevingsmodel.
    • (externe) omgevingsfactoren beïnvloeden ontwikkeling van het kind
    • Dynamisch: actuele omgeving gedragsproblemen
    • Verandering omgeving? Verandering kind
    • Gedrag
    •  Vb Patterson: straf of beloning
  • Noem de kenmerken van het interactiemodel.
    • kind & omgeving bepalen ontwikkeling
    • Kind‐ en omgevingskenmerken in actieve wisselwerking
    • VB Goodness‐of‐fit model (Alg Ped):gedragsproblemen
    • interactie & afstemming van kind en omgeving > samen produceren ze nieuw gedrag
    • Kind en omgeving veranderen niet
    • Probleemgedrag = (mis)match tussen kind & omgeving
  • Waar is het model van Bronfenbrenner een voorbeeld van en noem de niveaus van binnen naar buiten.
    • Van een omgevingsmodel.
    • micro-niveau - mesoniveau- macroniveau.
  • Een onderdeel van het transactioneel model is het littekenmodel. Wat houdt dit in?
    Hierbij wordt verondersteld dat een kind door blootstelling aan een bepaalde situatie blijvend getekend is.
  • Wat zijn de drie factoren die Pennington onderscheid die van belang zijn bij OPP (Ontwikkelingspsychopathologie)?
    1. Etiologie (genetica)
    2. Hersenontwikkeling (werking neurotransmitters)
    3. Neuropsychologie (brug tussen hersenen en gedrag)
  • Waar houdt de klinische ontwikkelingspsychologie zich vooral mee bezig?
    De bestudering van de ontwikkeling en het voorkomen en behandelen van psychische problemen bij kinderen en jeugdigen Voegt diagnostiek, preventie en interventie toe aan de OPP.
  • Waar houdt de ontwikkelingspsychologie zich vooral mee bezig?
    Het bestudeert wat normaal gedrag is en hoe vaak het voorkomt, terwijl OPP zich vooral richt op afwijkend gedrag. 
  • Wat is een betere methode: de DSM of de ICD10?
    Een interactie van beide methoden is het beste. Je hebt dan de context, maar ook de categorieën. 
  • Wat houdt een risicofactor in?
    Een factor die een negatieve invloed heeft op de (normale) ontwikkeling van een kind en die de kans op een bepaalde ontwikkelingsuitkomst verhoogt.
    Een uitspraak hierover is altijd een kansuitspraak.
  • Noem de niveaus van risicofactoren:
    • organisch niveau: ondervoeding, neurologische defecten, genetische aanleg.
    • intrapersoonlijk niveau: onveilige hechting, temperament, intelligentie
    • interpersoonlijk: familieconflicten, stressvolle ervaringen.
    • hogere orde niveau: armoede
  • Wat is het verschil tussen een gefixeerde- en variabele marker?
    Gefixeerde markers zijn risicofactoren die niet veranderd kunnen worden, zoals ras leeftijd en sekse.
    Variabele markers zijn risicofactoren die WEL veranderd kunnen worden, zoals negatief gezinsklimaat.
  • Wat houdt een risicoperiode in?
    Het feit dat een risicofactor meer of minder impact kan hebben als hij in een bepaalde levensfase voordoet.
  • Wat is een risicomechanisme?
    Dat zijn voorafgaande en volgende problemen bij een risicofactor. Bijvoorbeeld scheiding, een vader die aan de drank is, moeder depressief etc.
  • Wat is het verschil tussen een bottom-up en top-downbenadering?
    Bij een bottom-up benadering wordt via een empirische weg de risicofactoren in grotere gehelen geplaatst --> dit noemt men trajecten. 
    Bij een top-down benadering wordt op grond van theoretische overwegingen een model geconstrueerd dat een begrip moet opleveren aan de complexiteit van de factoren die met een probleem samenhangen.
  • Leg uit wat distale- en proximale factoren zijn en wat voor invloed ze op elkaar hebben.
    Distale factoren zijn factoren zoals armoede.
    Proximale factoren zijn factoren zoals negatieve opvoedingsstijl als gevolg van financiële gevolgen voor het gezin. 
    De distale factoren verhogen de kans op het voorkomen van proximale factoren.
  • Wat is veerkracht?
    Een goede externe en interne aanpassing aan omstandigheden.
    Factoren die de veerkracht versterken zijn:
    1. adequaat ouderschap
    2. contacten met andere sociaal competente volwassenen
    3. intelligentie
    4. talenten en prestaties die door anderen gewaardeerd worden
    5. aantrekkelijk zijn
    6. goede probleemoplosser
    7. financiële zekerheid en een hogere SES
    8. positieve schoolervaring
    9. religieus vertrouwen
    10. zelfwaardering, besef van controle
  • Wat is een beschermende factor? Hoe kan je deze meten?
    Een factor die een risicovolle situatie de negatieve invloed van de risicofactoren op de ontwikkeling geheel of gedeeltelijk teniet doet.
    Deze is alleen te meten in aanwezigheid van een risicofactor.
  • Wat houdt longitudinaal onderzoek in?
    Onderzoek over langere tijd; bijvoorbeeld over de hele kinderjaren. 
    Dit kost veel tijd en geld. Proefpersonen haken soms af omdat ze verhuizen of proefpersonen overlijden.
  • Wat houden follow-back studies in en wat is het nadeel hiervan?
    Mensen die een stoornis hebben, worden geïnterviewd over de oorzaken, zodat behandelaars deze kunnen signaleren bij kinderen.
    Nadeel: informatie vaak onbetrouwbaar.
  • Wat houdt het fast-track project in?
    Families and schools together.  
    Antisociaal gedrag bij adolescenten kan verklaard worden uit storend gedrag op jonge leeftijd. 
    Op basis van een dubbele screening (ouders en leerkracht) worden de risicokinderen geselecteerd in de laatste klas van de kleuterschool (groep 2). 
  • Wat zijn de 5 preventie-maatregelen bij het fast-track project?
    1. -        Oudertraining
    2. -        Huisbezoeken en casemanagment
    3. -        Sociale vaardigheidstraining voor het kind.
    4. -        Bevorderen van leesvaardigheden
    5. -        Leerkrachtgebaseerde klasinterventie. 
  • Wat is equifinaliteit?

    Eenzelfde uitkomst (probleemgedrag) wordt door meerdere risicofactoren verklaard.

  • Wat is multifinaliteit?

    Eenzelfde combinatie van risicofactoren leidt tot verschillende uitkomsten (probleemgedrag) .

  • Welke soort problemen zijn er volgens de Transactionele visie?

    Type I problemen:
    Problemen voornamelijk veroorzaakt door de omgeving 
    (zoals gezin)

    Type II problemen:

    Problemen veroorzaakt door mismatch van individuele verschillen en kwetsbaarheden (interactie van omgeving en de persoon) 

    Type III problemen;
    Problemen voornamelijk veroorzaakt door factoren (pathologie) binnen de persoon.

Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Wat is het verschil tussen jongens en meisjes m.b.t. stoornissen?
1
Noem de kenmerken van het trekmodel.
1
Noem de kenmerken van het omgevingsmodel.
1
Noem de kenmerken van het interactiemodel.
1
Pagina 1 van 44