eindexamen

by (2014)
196 Flashcards en notities
1 Studenten

Studeer slimmer met eFaqt samenvattingen

  • Beschikbaar voor computer, tablet, telefoon en op papier
  • Vragen met antwoorden over de leerstof
  • Ongelimiteerde toegang tot 300.000 online samenvattingen
  • Tools voor slim studeren & timers voor betere resultaten

Bekijk deze samenvatting

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - eindexamen

  • 1 staatsinrichting

  • Was Nederland in de 17e en 18e eeuw ook een koninkrijk?
    Nee, een republiek
  • Wat gebeurde er in 1813
    In 1813 werd Nederland een constitutionele monarchie: het koninkrijk der Nederlanden. 
    In 1813 werden de Fransen verjaagd en de zoon van de laatste stadhouder keerde terug. Dat was Willem I. Zijn bevoegdheden werden vastgelegd in een grondwet (= constitutie).
    Nederland kreeg in 1813 een parlement en een grond, maar de koning had veel macht. Hij was niet alleen staatshoofd, maar ook regeringsleider.
  • Wie regeerde Nederland voor 1848?

    In 1813 werd Willem I koning van Nederland. Hij regeerde het land met een kleine groep bestuurders. Er was wel eenparlement, maar de Eerste en de Tweede Kamer hadden weinig invloed op het bestuur.


  • Was er voor 1848 sprake van een parlementaire democratie?
    Nee, de leden van de Eerste Kamer werden door de koning voor het leven benoemd. Zij kwamen uit de rijkste en belangrijkste families van het land.

    De leden van de Tweede Kamer werden aangewezen door de Provinciale Staten. Een echte volksvertegenwoordiging was het parlement dus niet.

    Daardoor had de koning toch nog veel macht en dat wilden de liberalen veranderen

  • Verander dat toen Willem II aan de macht kwam?
    Nee, in 1840 deed koning Willem I afstand van de troon. Hij werd opgevolgd door Willem II. In 1844 luisterden de leden van de Eerste en Tweede Kamer vol verwachting naar de troonrede van de nieuwe koning. Zij hoopten dat het parlement meer inspraak zou krijgen in het bestuur van het land. Vooral de liberalen, zij vertegenwoordigden de hogere burgerij, waren al langere tijd ontevreden.

    Waarom hield hij alle macht bij zichzelf en steunde hij alleen op de adel? Zij verwachtten dat de koning nu eindelijk zijn macht zou delen met de liberalen. Maar Willem II wilde geen veranderingen. Hij wilde de macht bij zichzelf houden, net zoals zijn vader had gedaan.

  • Wanneer werd de grondwet ingevoerd en wat was de aanleiding?

    1848 is het jaar van de revoluties. In Parijs wordt de koning verdreven. In Duitsland, Oostenrijk en Italië eist het volk meer vrijheid en democratie.

    Willem II

    De volksopstanden maken Willem II zenuwachtig. Hij heeft gehoord wat er met de koning van Frankrijk is gebeurd. Die werd afgezet en dat mag hem niet gebeuren. Maar hoe kan hij dit voorkomen?

    Van conservatief naar liberaal

    In de nacht van 12 op 13 1848 maart denkt Willem nog eens goed na. Moet hij de demonstranten met geweld uit Amsterdam verdrijven of toch toegeven aan de eisen van het volk? Willem kiest voor het laatste en op 13 maart zegt hij:

    Ik ben vannacht van zeer conservatief zeer liberaal geworden.

  • Wie werd belast met het opstellen van de Grondwet. 

    De liberaal Thorbecke.

    Willem II  geeft een commissie onder leiding van Thorbecke de opdracht om een nieuwe grondwet(constitutie) te maken. De liberaal Thorbecke gaat direct aan het werk. Binnen een week ligt er een nieuwe, moderne grondwet op het bureau van Willem II.
  • Wat staat er in een grondwet/constitutie
    De belangrijkste rechten van het volk en de regels voor het bestuur. 
  • Bestond er in Nederland een absolute monarchie?
    Nee, want de koning had geen absolute macht, maar constitutionele monarchie dat wil zeggen dat de koning aan de regels in de grondwet gebonden was.
  • Wat wilden de liberalen veranderen?
    De liberalen wilden meer macht voor het parlement en minder voor de koning. ook wilden ze vrijheden voor de burgers waaonder de vrijheid om het parlement te kiezen. 
  • Wat verstaan we onder het liberalisme?
    Dat is een politiek stroming die meer vrijheden wil zoals de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en de vrijheid van godsdienst.
  • Wat veranderde er in de grondwet van 1848?

    1. Invoering Ministeriele verantwoordelijkheid: De koning verliest zijn politieke macht (de ministers zijn nu verantwoordelijk) 

    2. en het censuskiesrecht wordt ingevoerd. Het kiesrecht is in dat geval alleen mogelijk voor degenen die census dat wil zeggen voor de mannen die veel belasting betalen.


    Ministeriele Verantwoordelijkheid

    De ministers zijn sinds 1848 niet langer dienaren meer van de koning. Zij maken nu de wetten, zij nemen de besluiten en niet meer de koning. De koning kan niets meer doen zonder hun toestemming. De ministers zijn nu verantwoordelijk voor alles wat de koning doet. Zij hebben ministeriële verantwoordelijkheid. De koning blijft nog wel staatshoofd, maar hij verliest zijn politieke macht.


    Kamerleden

    De leden van de Eerste Kamer worden niet meer door de koning benoemd, maar door de leden van de Provinciale Staten (het parlement van een provincie). 

    De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen door de burgers, maar alleen door mannen die veel belasting (census) betalen. Dit wordt het censuskiesrecht genoemd.


  • Wat verstaan we onder ministeriele verantwoordelijkheid
    Ministers (= het kabinet/regering)kunnen alleen maar met toestemming van het parlement regeren en als de koning iets verkeerd doet dan zijn de ministers verantwoordelijk.
  • Hoe noemen wij de grondrechten uit de grondwet van 1848
    Klassieke grondrechten ook wel vrijheidsrechten genoemd. Zij garanderen belangrijke vrijheden van burgers. Zij beschermen tegen de overheid. 

    Klassieke grondrechten zijn bijvoorbeeld
    - recht op meningsuiting
    -vrijheid van vereniging en vergadering (voor vakbonden)
    - het recht op betogomng/demonstratie
    -kiesrecht
    - recht van petitie (verzoek indienen bij de overheid)
    - recht op gelijke behandeling
  • Waardoor ontstonden er na 1848 politieke partijen?

    Na de grondwetswijziging van 1848 was Nederland democratischer geworden. De liberalen hadden kiesrecht, maar ook andere partijen wilden kiesrecht. 

    Na de invoering van de grondwet waren er toch veel groepen uit de samenleving nog niet vertegenwoordigd in de volksvertegenwoordiging (parlement).

    De mannelijke, rijke burgers, die wel kiesrecht hadden, stemden meestal op de vertegenwoordiger van een liberale partij. De liberalen hadden dan ook de meeste zetels in het parlement en in de regering zaten veel liberale ministers. De liberalen waren voor een grote vrijheid van de burger. De regering moest zorgen voor rust, orde, gezag en goede wegen. 

    Andere groepen

    Niet iedereen was het eens met deze ideeën van de liberalen. Andere groepen uit de samenleving wilden ook invloed op het bestuur. Zij wilden opkomen voor hun belangen. Protestanten, katholieken, arbeiders en vrouwen kwamen voor zichzelf op. Zij gingen zich organiseren, zij streefden naar emancipatie.

  • Welke politiek organisaties kennen we in het eind van de 19e begin 20e eeuw
    1. Confessionelen
    2, Liberalen 
    3. socialisten
    4. feministen
  • Wat verstaan wel onder de confessionelen en wie was hun voorman.

    DE confessionelen zijn de Katholieken en protestanten . Zij gaan uit van het christelijk geloof. Confessie is geloof. ) 

    De voorman van de protestanten is de protestantse dominee Abraham Kuyper. Hij richtte in  1879 richtte de  Anti Revolutionaire Partij (ARP) op. Kuyper noemde zijn partij antirevolutionair om duidelijk maken dat hij tegen de ideeën van de Franse revolutie was.

  • Waarom was Abraham Kuyper tegen de ideeen van de Franse Revolutie?

    Hij vond dat de Bijbel als leidraad moest dienen en niet het verstand en de wetenschap

    Volgens aanhangers van de Franse revolutie moest men bij het maken van wetten en regels uitgaan van het verstand en de wetenschap. Dat was volgens Kuyper verkeerd: God bepaalde wat er moest gebeuren en niet de mens. Dit stond allemaal beschreven in de Bijbel en politici zouden zich daaraan moeten houden.

  • Wie waren de aanhangers van Kuyper en zijn ARP?
    De aanhangers van Kuyper waren vooral arbeiders, boeren en winkeliers. Abraham Kuyper noemde ze ‘de kleine luyden’. De ARP wilde dat het geloof en de ideeën zoals deze in de Bijbel stonden ook zouden terugkomen in de politiek, in het bestuur van het land. En Kuyper wilde dat zijn ‘kleine luyden’ ook stemrecht zouden krijgen.
  • Wat was de bijdrage van Kuyper en zijn ARP een de democratisering van het politieke bestel
    Het christelijk denken in de wetgeving
  • Welke politieke partij werd door de katholieken opgericht en wie was hun voorman?
    Net als de protestanten kwamen de Rooms katholieken op voor hun rechten. Zij richtten allerlei eigen organisaties op. Onder leiding van Herman Schaepman werd in 1905 de Rooms Katholieke Staats Partij (de RKSP) opgericht.
  • Wat was de bijdrage van Schaepman aan de democratisering van het politieke bestel?
    Volgens Schaepman moesten de katholieken en de protestanten samenwerken om hun doelen te bereiken. Dus: stemrecht voor de gewone mensen en daardoor meer invloed van de protestanten en de katholieken op het bestuur van het land.
  • Wat is is de bijdrage van de liberalen aan de democratisering van bet politieke bestel?
    De liberale grondrechten
  • Wat wilden de confessionelen (katholieken en protestanten) met het oog op het onderwijs?
    beide partijen wilden dat het bijzonder onderwijs (onderwijs voor protestantse en katholieke kinderen op aparte scholen) geld zou krijgen van de overheid om eigen scholen te stichten en leerkrachten te betalen
  • In welke partij zijn de confessionele partijen uiteindelijk in 1980 opgegaan.
    CDA
  • Socialisten 
    Verbetering sociaal economische positie arbeiders
  • Wat werd verstaan onder de sociale kwestie?

    In Nederland was er tijdens de industrialisatie grote armoede ontstaan onder de arbeiders. In de regering en in het parlement werd lang gepraat wat er tegen die armoede gedaan kon worden.

    Wie moest er zorgen voor een verbetering van de slechte leef- en werkomstandigheden van de arbeiders? Dit wordt ook wel de sociale kwestie genoemd.

  • Waarom deden de liberalen niets aan de sociale kwestie?

    Regering of arbeiders?

    Volgens de liberalen was het niet de taak van de regering om dit op te lossen. Dat moesten de arbeiders zelf doen. De liberalen vonden dat de arbeiders heel goed voor zichzelf konden zorgen. Anderen vonden juist wél dat het de taak van de regering was om de arbeiders te helpen.

  • Wat is de bijdrage van de socialisten aan de democratisering van het politiek bestel. Welke partij hebben zij opgericht en wie was hun voorman?

    SDAP


    De  socialisten, wilden algemeen kiesrecht voor de arbeiders

    In 1894 werd de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) door Pieter Jelles Troelstra opgericht. .


  • Waarom wilden de socialisten algemeen kiesrecht?


    Als de arbeiders kiesrecht zouden hebben, dan zouden zij op de SDAP stemmen. En met veel stemmen zouden leden van deze partij in het parlement en misschien ook wel in de regering komen. Dan konden zij zorgen voor sociale wetten om de slechte situatie van de arbeiders te verbeteren.

  • Wat was het doel van de feministen? Wie was hun voorvrouw?
    Rond 1890 kwam er nog een emancipatiebeweging op: het feminisme. De feministen kwamen op voor de rechten van de vrouwen.

    Historisch gezien was dit de eerste feministische golf.

    Voorvrouwen:

    Aletta Jacobs en Wilhelmina Drucker 


    Toelichting:

    Vrouwen mochten niet stemmen, zij kregen voor hetzelfde werk minder betaald dan mannen en de vrouwen hadden weinig kans om na de lagere school verder te leren.

    De getrouwde vrouw moest altijd haar man gehoorzamen en volgens de wet had de vrouw niets te vertellen over haar kinderen. Alleen de vader had ouderlijk gezag.

  • Wanneer vond de eerste uitbreiding van het kiesrecht plaats en wie profiteerden daarvan?
    In 1887 werd het kiesrecht weer uitgebreid. Een kwart (25%) van de mannen mocht nu stemmen. En bij verkiezingen behaalden de socialisten voor het eerst een zetel in de Tweede Kamer. Maar vooral de confessionelen (de ARP en de RKSP) profiteerden van de uitbreiding van het kiesrecht. De 2 partijen hadden samen een meerderheid in de Tweede Kamer en zij konden nu ook de regering vormen
  • Wanneer vond de tweede uitbreiding van het kiesrecht plaats?
    In 1895 werd het kiesrecht opnieuw uitgebreid. Nu kreeg ongeveer 50% van de mannelijke bevolking stemrecht. Bij de verkiezingen van 1913 kregen de confessionelen 45 zetels, de liberalen 17 en de socialisten 18 zetels. Geen enkele partij had de meerderheid. De Tweede Kamer had toen nog 100 zetels.
  • Wat was het resultaat van die uitbreidingen van het kiesrecht?

    Voor de uitbreiding van het kiesrecht hadden de ARP en de RKSP (de confessionelen) en de SDAP (de socialisten) eindelijk genoeg zetels in de Tweede Kamer. Zij hadden nu invloed op het bestuur en konden hun ideeën verder uitbouwen.

    Nu konden ze aan de slag met 2 punten:
    • Het openbaar onderwijs kreeg wel voldoende geld om scholen te stichten en leerkrachten te betalen. Dat wilde het bijzonder onderwijs ook: gelijke behandeling openbaar en bijzonder onderwijs.
    • Uitbreiding van het kiesrecht: algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen.

  • Wat waren de belangrijkste twee redenen voor de grondwetswijziging in 1917?
    1. De confessionele partijen (van protestanten en katholieken) wilden dat het bijzonder onderwijs net zo veel geld zou krijgen als het openbaar onderwijs. Deze strijd om gelijke betaling wordt de schoolstrijd genoemd. 
    2. De socialisten wilden uitbreiding van het kiesrecht. Alle mannen en vrouwen moesten actief en passief kiesrecht krijgen. Om beide doelen te bereiken moest eerst de grondwet gewijzigd worden.
  • Wat wordt bedoeld met de scholenstrijd?
    De confessionele partijen (van protestanten en katholieken) wilden dat het bijzonder onderwijs net zo veel geld zou krijgen als het openbaar onderwijs. Deze strijd om gelijke betaling wordt de schoolstrijd genoemd
  • Wat is de relatie tussen de grondwetswijziging van 1917 en de pacificatie:

    Voor een wijziging van de grondwet is in de Tweede Kamer een tweederde meerderheid nodig. De socialisten hadden deze meerderheid niet. Ook de confessionelen hadden niet genoeg zetels voor een tweederde meerderheid. Maar samen (confessionelen en socialisten) zouden ze het wel redden.

    De socialisten en de confessionelen gingen met elkaar samenwerken om hun doelen te bereiken. Geen onderlinge strijd, maar samenwerking. Even was er vrede (in het Latijn: pax) tussen de partijen. Dit wordt de pacificatie genoemd.

  • Wat wordt bedoeld met pacificatie
    De samenwerking tussen de confessionelen en de socialisten om een grondwetswijziging tot stand te brengen.
  • Wat was het gevolg van de grondwetswijziging van 1917?
    Toen er eenmaal een tweederde meerderheid in de Tweede Kamer was om de grondwet te kunnen wijzigen kreeg  het bijzonder onderwijs nu evenveel geld als het openbaar onderwijs en alle mannen, ouder dan 23 jaar kregen kiesrecht. De vrouwen kregen passief kiesrecht. In 1919 kregen ook zij actief kiesrecht.
  • Wat veranderde er nog meer bij de grondwetswijziging van 1917
    Het districtenstelsel werd omgezet in een stelsel van evenredigen vertegenwoordiging.
  • Wat is een districtenstelsel en wat is het nadeel daarvan?

    Tot 1917 had Nederland een districtenstelsel. Het land was verdeeld in 100 districten.

    Een kandidaat van een politieke partij die in een district de absolute meerderheid had behaald kwam in de Tweede Kamer. Door dit districtenstelsel was het voor kleine partijen onmogelijk om in de Tweede Kamer te komen

  • Wat houdt een stelsel van evenredige vertegenwoordiging in en wat zijn de voor en nadelen?
    n 1917 werd het stelsel van evenredige vertegenwoordiging ingevoerd. Voor een zetel in de Tweede Kamer moet een politieke partij tenminste de kiesdeler halen. De kiesdeler bereken je door het aantal uitgebrachte stemmen te delen door het aantal kamerzetels

    Als een partij bij dit stelsel weinig stemmen krijgt, dan krijgt de partij ook weinig zetels. Bij veel stemmen veel zetels. De partij moet dan wel eerst de kiesdeler gehaald hebben.


    Voordeel: Door dit stelsel van evenredige vertegenwoordiging hebben de kleine politieke partijen een kans om ook in de Tweede Kamer te komen. Maar er zijn ook nadelen. E

    Nadeel: Een nadeel is dat er veel politieke partijen zijn. Als je als partij de kiesdeler haalt, levert dat 1 zetel op. Dit nadeel valt vooral op als er na de verkiezingen een nieuwe regering gevormd moet worden. Er is nooit 1 partij die meer dan 75 zetels heeft gehaald. Verschillende partijen moeten met elkaar overleggen of ze willen en kunnen samenwerken. Vaak duurt het erg lang voordat er een nieuwe regering is.

  • wat was het gevolg van de invoering van een stelsel van evenredige vertenwoordiging?
    Door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging en het algemeen kiesrecht kregen veel meer burgers invloed op het bestuur van het land.
  • Wanneer ontstond de parlementaire democratie in Nederland
    Bij de invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen
  • Door wie worden de wetten in Nederland gemaakt?
    Door de wetgevende macht. Dat is de regering in samenwerking met het parlement.
  • Geef de procedure aan waardoor een wetsvoorstel tot een wet wordt?

    stap 1.Minister maakt wetsvoorstel

    stap 2 Stuurt dit naar de ministerraad
    stap 3 Als de ministerraad akkoord gaat, gaat het voorstel naar de tweede kamer
    stap 4 het voorstel gaat naar de eerste kamer
    stap 5 ondertekening door de koning


    Wetsvoorstel

    De meeste wetsvoorstellen worden door ministers gemaakt. Soms komt een lid van de Tweede Kamer met een wetsvoorstel. Het kamerlid maakt dan gebruik van het recht van initiatief.

    Bespreken en wijzigen

    Als de minister het wetsvoorstel geschreven heeft, wordt het voorstel met de andere ministers besproken. Als het kabinet (de ministerraad), akkoord gaat met het wetsvoorstel, dan stuurt de minister zijn voorstel naar de Tweede Kamer. De leden van de Tweede Kamer bespreken met elkaar en met de minister het wetsvoorstel. De kamerleden kunnen ook wijzigingen aanbrengen in het voorstel, zij maken dan gebruik van het recht van amendement (wijziging).

    Stemmen

    Na de behandeling van het wetsvoorstel en de eventuele wijzigingen stemt de Tweede Kamer over het plan van de minister. Bij een meerderheid (tenminste 76 stemmen) van stemmen wordt het wetsvoorstel aangenomen. Daarna zal het wetsvoorstel worden besproken in de Eerste Kamer.


    Eerste Kamer

    Het wetsvoorstel wordt ook in de Eerste Kamer besproken. Als de leden van de Eerste Kamer ook het voorstel goedkeuren, dan moet nog het staatshoofd zijn handtekening onder het wetsvoorstel zetten. Dan is het wetsvoorstel een wet geworden.

  • Wat kan een minister doen als hij bij zijn wetsvoorstel geen steun krijgt van de tweede kamer?

    • De minister trekt zijn wetsvoorstel in, dit betekent dat zijn plannen niet doorgaan.
    • De minister kan zijn voorstel zo veranderen dat hij wel een meerderheid van stemmen krijgt.
    • Als hij toch echt zijn plannen wil doorzetten, kan hij dreigen met aftreden. Dan moeten de kamerleden kiezen: het wetsvoorstel goedkeuren of de minister laten aftreden en misschien treedt dan wel het hele kabinet af. Dan is er een kabinetscrisis.
  • Wat is het gevolg van een kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging
    Een gevolg van ons kiesstelsel (evenredige vertegenwoordiging) is dat er altijd veel partijen meedoen aan de verkiezingen. Het gevolg daarvan is weer dat het nog nooit gebeurd is dat er één partij de meerderheid heeft behaald in de Tweede Kamer.
  • Wat is een coalitie en waarom is dat nodig?
    Een regering kan alleen regeren als het de steun heeft van de meerderheid van de Tweede Kamer. Daarom moeten politieke partijen met elkaar samenwerken om een regering te vormen. Deze samenwerking noemen we een coalitie.
  • Wat is een informateur en door wie door die benoemd?

    Informateur

    Meestal duurt het wel een tijdje voordat duidelijk wordt welke partijen met elkaar willen en kunnen samenwerken. Eerst benoemt de koning(in) een informateur. Deze persoon informeert en onderzoekt welke partijen met elkaar kunnen samenwerken. Hebben de partijen ongeveer dezelfde ideeën en plannen voor de nieuwe regering en hebben samen ze de meerderheid in de Tweede Kamer, dus 76 of meer Kamerzetels, dan kan de volgende stap genomen worden: dan wordt er een formateur benoemd.

Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Van wanneer tot wanneer duurde de WO I
1
Wat was de oorzaak van WO I
1
Wat verstaan we onder nationalisme en wanneer speelde dit een groete rol?
1
Rond 1900 bestonden er twee vormen van nationalisme. Welke waren dat en waarin uitte zich dit?
1
Pagina 1 van 49