Samenvatting Class notes - Verteer en verweer II

131 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Class notes - Verteer en verweer II

  • 1454281200 Casus 1. Antibiotica

  • Welke 6 grampositieve bacteriën zijn er?
    Er zijn 2 GP coccen, de rest is staaf. 
    Coccen: Staphylococcen en streptococcen

    Staven: bacillus en clostridium (spoorproducerend) en corynebacterium en listeria (niet-spoorproducerend)
  • Clostridium dificile en bacillus cereus zijn relatief moeilijke organismen om te bestrijden, vergeleken met corynebacterium, listeria, streptococcen en staphylococcen. Al deze organismen zijn grampositief. Hoe verklaren we het verschil?
    Clostridium en bacillus vormen sporen. Dit zijn producten van bacteriën die wel levensvatbaar zijn, maar zeer inactief. Sporen kunnen grove omstandigheden, zoals blootstelling aan hitte of antibiotica, overleven. Buiten die omstandigheden kunnen sporen uitgroeien tot hun oorspronkelijke bacteriële vorm.
  • Vrijwel alle gramnegatieve bacteriën zijn staven of pleomorf. Echter, er is één groep coccen en één groep spiraalvormigen. Hoe heten die groepen?
    Coccen: Neisseria Gonorroe 
    Spirocheten: Treponema Pallidum (Syfilis)
  • Benoem drie manieren waarop bacterieel DNA in de cel wordt opgeslagen.
    - Chromosomaal (circulair dubbelstrengs DNA)
    - Als plasmiden
    - Als transposons
  • Welk celorganel van een bacterie is als het ware het bacteriële mitochondrion?
    Het celmembraan van bacteriën bevat elektronentransporteiwitten en energieproducerende eiwitten. Ook bevatten ze ionpompen en enzymen.
  • Wat is de compositie van de peptidoglycanwand en hoe dik is die bij GP en GN organismen?
    De peptidoglycanwand bestaat uit een disaccharidepolymeer. Deze is gevormd uit N-acetylglucosamine en N-acetylmuraminezuur. Aan het N-acetylmuraminezuur zijn nog tripeptides tot pentapeptides vastgehecht. Het peptidoglycan is nog gekruiskoppeld met teichoïnezuur, een structureel anionpolymeer. Bij GN organismen is de wand 8 nm dik, bij GP zo'n 80 nm.
  • Hoe noem je het lange molecuul op de bacteriewand?
    Lipoteichoïnezuur
  • De gramnegatieve periplasmatische ruimte bevat hydrolytische enzymen, virulente enzymen en transporteiwitten. Waarom is het belangrijk dat deze transporteiwitten calcium- en magnesiumionen importeren?
    Deze ionen zorgen middels divalente interacties voor een aanhechting van de fosfolipiden in het buitenmembraan van de bacterie.
  • Hoewel gramnegatieve bacteriën een beschermende buitenlaag hebben, zijn porines een zwakke plek. Penicilline heeft een molecuulgewicht 350 u en een log P < 1. Kan penicilline langs porines passeren?
    Ja, hydrofiele moleculen onder 700 u kunnen langs porines passeren.
  • Wat zijn de (vijf) stappen van een gramkleuring?
    1. Materiaal afnemen en met een entnaald afsmeren op een slide, de slide verhitten/drogen. 
    2. Slide behandelen met kristalviolet
    3. Kristalviolet neerslaan door jood toe te dienen
    4. Exces aan kristalviolet verwijderen met een decolorator (aceton in water)
    5. Safranine toevoegen als counterstain voor ongekleurde cellen      

    Paars: kristalviolet heeft gehecht aan een dikke peptidoglycanwand.
    Rood: kristalviolet heeft niet gehecht, waardoor safranine kon hechten.
  • Mycobacteriën zijn in zekere zin grampositief, omdat ze een dikke peptidoglycanwand hebben. Echter, ze hebben een vettig omhulsel dat kristal-violet buitenhoudt. Hoe kun je ze toch detecteren?
    Acid-fast stain
  • In welke van de volgende situaties is een serotypering niet aangewezen? 
    - Treponema pallidum, omdat die moeilijk te analyseren is op een andere manier
    - Francisella (tularemie), omdat groeien in een lab te gevaarlijk is
    - Staphylococcus aureus, omdat die niet goed groeit op een voedingsbodem
    - E. coli O156:H7 serotype, omdat deze gekoppeld is aan een specifiek ziektesyndroom, hemorragische colitis
    - Streptococcus pyogenes, omdat streptococcale pharyngitis snel behandeld moet worden
    Staphylococcus aureus is hier geen valide reden. Neem een andere voedingsbodem.
  • Welke vier hoofdcategorieën antibiotica onderscheiden we?
    - Celwandsyntheseremmers (beta lactam antibiotica, cefalosporines, vancomycine)
    - Eiwitsyntheseremmers (erythromycine 50S, tetracycline 30S)
    - Nucleïnezuurremmers (quinolonen, sulfonamides)
    - Competitieve remmers (clavulaanzuur tegen penicillinases)
  • Van welke structuur zijn beta-lactam antibiotica analogi, opdat zij de werking van DD-transpeptidase kunnen onderdrukken?
    Beta-lactam antibiotica zijn analogi van D-alanyl-D-alanine
  • Een beta-lactam antibioticum remt de transpeptidatie van de peptidoglycanwand. Op gronde hiervan zou men verwachten dat deze antibiotica alleen bacteriostatisch werken. Waarom werken ze toch bacteriolytisch?
    Omdat er continu lysines actief zijn die de peptidoglycanwand afbreken.
  • Welke twee actieve componenten bevat het geneesmiddel augmentine?
    Augmentine bevat amoxicilline en clavulaanzuur.
  • Net als amoxicilline heeft vancomycine een celwand-afbrekende werking. Echter, vancomycine is geen beta-lactam antibioticum. Hoe werkt vancomyine dan? En hoe verschilt het spectrum van vancomycine vergeleken met dat van amoxicilline?
    Waar beta-lactam antibiotica analogi zijn van de terminale D-alanyl-D-alanine eenheden op de uiteindes van NAM/NAG-peptides, is vancomycine een binder van D-alanyl-D-alanine. Doordat het D-alanyl-D-alanine nu geblokkeerd is, kan het transpeptidase er niet bij. 

    Vancomycine heeft een smaller werkingsspectrum dan amoxicilline. Amoxicilline werkt op zowel GP als GN bacteriën, maar vancomycine alleen op GP. De werking van transpeptidases is kennelijk bij zowel GP als GN vergelijkbaar (amoxicilline), maar de manier waarop ze hechten aan D-alanyl-D-alanine misschien niet (vancomycine alleen GP).
  • Ciprofloxacine is een breed-spectrum antibioticum van de fluoroquinolone klasse (nucleïnezuurremmend). Het onderdrukt DNA gyrase en topoisomerase. Wat is het belangrijkste probleem bij de toepassing van ciprofloxacine?
    Doordat ciprofloxacine veel is gebruikt in het verleden, is er wijdverspreide resistentie tegen ontstaan.
  • Welke vier manieren van resistentie-overdracht onderscheiden we? Rangschik ze van meest aselectief tot meest selectief.
    - Transposons (jumping genes): stukken in het DNA die makkelijk losgekoppeld en overgedragen kunnen worden, zelfs naar andere stammen. 
    - Conjugatie: een F-plasmide codeert voor sex pilus eiwitten, zodat er tussen en binnen stammen plasmiden kunnen worden overgedragen 
    - Transductie: virulente fagen (lytische transductie) of temperate fagen (lysogene transductie) bouwen DNA in een gastheer. Deze bacteriofagen kunnen transspecies werken. 
    - Transformatie: dit is het meest specifiek. Er komen naakte celfragmenten vrij door cellyse. Competente bacteriën, meestal van dezelfde stam, kunnen de celfragmenten (i.e. DNA) herkennen, binden en opnemen.
  • Drie bacteriën: E. coli, S. aureus, clostridium dificile. Welke van deze drie is het vaakst relevant bij urineweginfecties, huidinfecties en gastro-enterale infecties?
    Urineweginfecties: E. coli (obstructie), maar ook C. albicans (antibioticagebruik) en N. gonorroe 

    Huidinfecties: S. aureus, maar ook C. albicans en P. aeruginosa

    Gastro-enteritis: C. difficile, maar ook S. aureus voedselvergiftiging met enterotoxines in voedsel.
  • Een UWI is altijd gecompliceerd als het plaatsvindt buiten een selecte groep (gezonde, niet-zwangere, volwassen vrouwen) en als er tekenen van weefselinvasie zijn. Hoe herken je een weefselinvasie en hoe beïnvloedt deze herkenning de farmacotherapeutische overwegingen?
    Tekenen van weefselinvasie zijn hoge koorts, koude rillingen, misselijkheid en pijn in een flank of het perineum. Bij gecompliceerde UWIs voer je geen expectatief beleid uit (zoals je wel doet bij ongecompliceerde), maar stap je meteen over op farmacotherapie. De eerste keus is dan nitrofurantoïne (een krebscyclusremmer). Echter, zijn er tekenen van weefselinvasie, dan kies je voor een meer weefselpenetrant middel. In afwachting op een antibiogram geef je dan ciprofloxacine (een breed-spectrum topoïsomeraseremmer) en intramuraal aminoglycosiden (antimetabolieten) of cefalosporinen (beta-lactam).
  • Een patiënt heeft een bijtwondinfectie. Omdat er een paar centimeter breed, pijnlijk en warm erytheem rond de wond is, inclusief een purulent exsudaat en lymfangitis, stel je vast dat dit een geïnfecteerde wond is. Korter dan twee maanden geleden was die 2 dagen opgenomen in een ziekenhuis in Congo. Voor welke specifieke bacteriële streng pas je nu je farmacotherapie aan?
    MRSA. MRSA heeft PBP mutaties, waardoor penicillines niet meer kunnen binden aan transpeptidases. 

    De eerste keus bij een wondinfectie is een penicilline, flucloxacilline 10 dagen.  Bij een bijtwond is dit amoxicilline/clavulaanzuur (augmentine) 7 dagen. Mupirocine, een eiwitsyntheseremmer speciaal voor MRSA, is hier geschikter.
  • Tot welke groep antibiotica behoort vancomycine? Hoe werkt het en welke bijwerkingen zijn er?
    Vancomycine is een glycopeptide celwandantibioticum. Na i.v. injectie bedekt vancomycine de D-ala-D-ala verbindingen van peptidoglycan, zodat transpeptidasen niet kunnen werken. Vancomycne werkt alleen op GP. Bijwerkingen zijn red man syndroom (erythrodermie, rode kringen onder ogen etc.), nefrotoxiciteit en toxiciteit aan de oren. Vancomycine doodt niet zo snel als beta-lactam antibiotica, maar is wel bactericide.
  • Onder de eiwitsyntheseremmers kennen we drie belangrijke categorieën. Welke zijn dat?
    Macrolides (50S), tetracyclines (30S), aminoglycosides (suffix -mycine)
  • Erytromycine, azitromycine en claritromycine zijn voorbeelden van macroliden. Hoe werkt elk?
    Alle macroliden werken op de 50S subunit.

    Erytromycine bindt aan 50S r-RNA en voorkomt beweging van het mRNA.   
    Azitromycine bindt aan t-RNA anticodon (met aminozuur) en verstoort daardoor het lezen van het mRNA.  
    Claritromycine bindt aan 50S r-RNA en onderdrukt de vorming van een peptidebinding tussen twee t-RNA's.
  • Tetracyclines werken op de 30S eenheid. Hoe werken ze?
    Het aminoacyl tRNA kan door binding van tetracyclines niet langer aan de ribosoom binden. Bijwerkingen zijn misselijkheid, braken, diarree en aanslag van botten en tanden.
  • Hoe werken aminoglycosides (e.g. gentamicine)?
    Ze worden actief de bacterie in getransporteerd waar ze aan de 30S eenheid binden van ribosomen en de peptide elongatie verstoren. Hierdoor ontstaan er veranderde eiwitten. Dit werkt vooral op sneldelende bacteriën.
  • Antibiotica met het suffix -floxacin behoren tot welke groep? Hoe werken deze en wat is hun spectrum?
    Deze behoren tot de (fluoro)quinolonen (e.g. ciprofloxacin). Die onderdrukken DNA gyrase en topoisomerase IV. Voor spectrum: zie figuur
  • Veroorzaakt ETEC voral niet-invasieve of invasieve diarree?
    Niet-invasieve
  • Onder E. coli bacteriën onderscheiden we ETEC, EHEC, STEC, EICEC, EPEC en EAEC. Waar staat elke voor?
    ETEC: enterotoxische e. coli. Meest voorkomende verwekker reizigersdiarree. De symptomen van deze infecties beginnen een dag of langer na inname van besmet voedsel of drinken. 

    EHEC: enterohemorragische E. coli. Hier zit bloed bij.

    STEC: shigatoxine producerende E. coli. Antibiotica beïnvloeden de infectieduur niet

    EICEC: enteroinvasieve E. coli, koorts, kramp, dysenterie, diarree

    EPEC: enteropathogene E. coli: voornamelijk bij kinderen in 3e wereld landen, nooit bloed

    EAEC: entero-aggregerende hechtende E. coli, langdurige diarree met uitdroging en koorts
  • Een patiënt heeft acute diarree met veel vochtverlies. Met welk farmacon kun je kortdurend de diarree remmen?
    Loperamide
  • Noem een aantal verwekkers van traumatische wondinfecties. Kies je voor breedspectrum of kortspectrum antibiotica?
    S. aureus, S. epidermis, S. pyogenes, C. dificile

    Deze zijn allen GP, dus werk met smalspectrum antibiotica (bijv. flucloxacilline, vooral GP)
  • Welke lichaamseigen bacteriën kunnen postoperatieve wondinfecties veroorzaken? Voor welke moet je echt vrezen met het oog op antibiotica?
    Enterobacteriën en P. aeruginosa. Omdat er maar selectieve antibiotica zijn tegen P. aeruginosa, is dit ongunstig.
  • We onderscheiden UWIs door primaire pathogenen en opportunistische. Geef het verschil?
    Bij primaire pathogenen is er altijd een onderliggende infectie geweest, bijvoorbeeld met mycobacterium tuberculosis of met N. gonorroe. Bij opportunistische pathogenen hebben we te maken met S. aureus en E. coli die commensaal zijn.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Welke 6 grampositieve bacteriën zijn er?
1
Clostridium dificile en bacillus cereus zijn relatief moeilijke organismen om te bestrijden, vergeleken met corynebacterium, listeria, streptococcen en staphylococcen. Al deze organismen zijn grampositief. Hoe verklaren we het verschil?
1
Vrijwel alle gramnegatieve bacteriën zijn staven of pleomorf. Echter, er is één groep coccen en één groep spiraalvormigen. Hoe heten die groepen?
1
Benoem drie manieren waarop bacterieel DNA in de cel wordt opgeslagen.
1
Pagina 1 van 33