Class notes - Humane Fysiologie

by
107 Flashcards en notities
4 Studenten

Studeer slimmer met eFaqt samenvattingen

  • Beschikbaar voor computer, tablet, telefoon en op papier
  • Vragen met antwoorden over de leerstof
  • Ongelimiteerde toegang tot 300.000 online samenvattingen
  • Tools voor slim studeren & timers voor betere resultaten

Bekijk deze samenvatting

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Class notes - Humane Fysiologie

  • 1447110000 Hoofdstuk 10: Het endocriene stelsel

  • Homeostase wordt gehandhaafd door communicatie tussen cellen. Dit gebeurt door chemische stoffen af te geven aan de extracellulaire vloeistof.
    Over grotere afstanden gebeurt dit door het endocriene stelsel en het zenuwstelsel.
    Zenuwstelsel = bron en bestemming is specifiek, effect van korte duur, via zenuwbanen
    Endocrien stelsel = langdurige communicatie, bron en bestemming specifiek, via bloedvatenstelsel
    Zenuw- en endocrien stelsel hebben beide gemeenschappelijke signaalstoffen, bijv. (nor)adrenaline.
    In het bloed afgegeven -> hormonen
    In zenuwbaan / bij synaps -> neurotransmitter
  • Hypofyse en hypothalamus werken samen, scheiden hormonen uit.
    Hormoon is een chemische signaalstof die in weefsel/cellen worden gemaakt en worden uitgescheiden in extracellulaire vloeistof. Via het bloed komt het hormoon aan bij de targetcellen -> die hebben een receptor -> effect van hormoon = targetcellen gaan reageren

    Hormoon is specifiek voor een targetcel / -weefsel. Structuur:
    - eiwit / peptiden (niet-steroïd hormoon: insuline, LH, FSH): kunnen niet door het celmembraan (tenzij door actief transport) en hebben dus receptoren op het celoppervlak van de targetcel.
    - aminozuur (adrenaline, schildklierhormoon, melatonine)
    - vetderivaten (steroïdhormoon: testosteron, cortisol): kunnen door hun vettig karakter wél in de cel komen via het celmembraan. Deze hormonen hebben dus een receptor in de cel.

    Eiwit / peptidehormoon bindt aan receptor aan het celmembraan van targetcel -> cascade van reacties -> reactie van targetcel
    Steroïd hormoon gaat door het celmembraan -> vindt in de cel zijn receptor -> reactie van targetcel
  • Beschrijf het verschil tussen niet-steroïd hormonen en steroïdhormonen in de aansturing van cellen
    Niet-steroïd hormonen (kleine eiwitten / peptidehormonen) kunnen niet door het celmembraan heen. Deze binden dus aan hun specifieke receptor op het celmembraan van hun targetcel. Deze binding zorgt voor de activatie van G-eiwitten en een cascade van reacties ín de cel, wat uiteindelijk leidt tot een reactie van de targetcel.

    Steroïdhormonen zijn vettig en daardoor kunnen ze wél door het celmembraan heen (celmembraan zelf bestaat ook uit lipiden / vet; diffusie). Daardoor komen ze makkelijk in het cytoplasma. Daar binden ze aan een receptor in het cytoplasma óf in de celkern, wat leidt tot een reactie van de targetcel.
  • Hoe verschillen trofe hormonen ten op zichte van "klassieke" hormonen? Wat zijn de overeenkomsten?
    Trofe hormonen worden in de hersenen gemaakt en afgegeven. Deze hormonen hebben als doel een endocriene klier. De hypothalamus geeft altijd hormonen af die aan de hypofyse worden afgegeven. De hypofyse maakt dan weer nieuwe hormonen aan die aan het bloed worden afgegeven voor aansturing van weefsels verder weg in het lichaam. Dit zijn dan de "klassieke" hormonen.
    De overeenkomsten zijn dat alle hormonen altijd dezelfde structuur hebben (peptide, aminozuur of steroïden).
  • Beschrijf het verschil tussen positieve en negatieve feedback. Welke vorm komt het meeste voor?
    Bij negatieve terugkoppeling zorgt het hormoon ervoor dat het effect leidt tot een tegengestelde reactie (de prikkel waardoor het hormoon werd geproduceerd, wordt minder). Bij positieve feedback leidt het hormoon juist tot meer productie van een hormoon of een stimulans voor de cel / weefsel (het effect wordt sterker).
    Negatieve terugkoppeling komt het meeste voor in het lichaam.
  • Bekijk figuur 10-10 (regulering [Ca]). Is hier sprake van positieve of negatieve terugkoppeling? Leg uit.
    Er is sprake van negatieve terugkoppeling.Wanneer de [Ca] te hoog is, wordt calcitonine gevormd. Door de vorming van calcitonine, worden osteoclasten geremd, waardoor de calciumconcentratie in het bloed afneemt. Als er te weinig calcium in het bloed is, wordt het PTH hormoon afgegeven door de bijschildklier. Hierdoor wordt Calium geresorbeerd door de nieren en geabsorbeerd vanuit het spijsverteringskanaal.
  • Welke 3 soorten hormonale regulatie zijn er? 
    1. Humorale / vloeibare prikkels: er worden hormonen gevormd doordat een stof in het bloed (extracellulaire vloeistof) niet voldoende of juist te veel aanwezig is
    2. Hormonale prikkels: de hormoonconcentraties in het bloed dalen of stijgen.
    3. Neurale prikkeling: een neurotransmitter komt aan bij een verbinding tussen een zenuw en een klier. Vaak is de hypothalamus de verbinding hier tussen.
    De hypothalamus geeft altijd hormonen of prikkels af aan de hypofyse. Van daaruit gaan de hypofyse-hormonen naar andere organen (endocrien of anderzijds).
  • Wat doet de hypothalamus precies (3 functies)?
    1. De hypothalamus functioneert als endocrien orgaan naar de neurohypofyse. De neuronen in de hypothalamus produceren ADH en oxytocine.
    2. De hypothalamus scheidt 2 soorten regulerende hormonen af, richting de adenohypofyse: RH (releasing hormone = stimuleert) en IH (inhibiting hormone = inhibitie).
    3. Centra van het autonome (sympatische) zenuwstelsel, reguleren endocriene cellen in het bijniermerg. Die geeft hormonen af aan het bloed.
  • Hormonale regulatie bij de man:
    Testosteron heeft een negatieve terugkoppeling op de GnRH productie in de hypothalamus. Daardoor wordt de LH en FSH productie geremd en zal de testosteron-level lager worden. De sertolicellen worden ook geremd, waardoor de spermatogenese wordt geremd en inhibine wordt geremd. De verlaging van inhibine zorgt voor een stimulering van FSH, waardoor de spermatogenese wel wordt aangezet...?
  • Op welke manier verschillen de adenohypofyse (voorkwab) van de neurohypofyse (achterkwab) m.b.t. ontstaan en functie?
    De adenohypofyse is ontstaan uit het monddak en is als een endocriene klier gaan functioneren.
    De neurohypofyse is ontstaan uit hersenweefsel en bevat daardoor axonen. De hypothalamus communiceert met de adenohypofyse door RH en IH regulerende hormonen af te geven; En door AHD en oxytocine productie via zenuwbanen naar de neurohypofyse.
    Het lijkt erop of de neurohypofyse meer een soort doorgeefluik is, terwijl de adenohypofyse zelf hormonen maakt.
  • Wat doet ADH?
    De hypothalamus produceert ADH en wordt afgegeven aan de neurohypofyse. ADH wordt afgegeven als het lichaam te weinig water bevat (wordt door osmoreceptoren ontdekt in de hypothalamus).
    ADH zorgt voor minder uitscheiding van water in de urine.
    ADH zorgt ook voor vasoconstrictie, waardoor de bloeddruk stijgt.
    De afgifte van ADH wordt door alcohol geremd.
  • Wat doet oxytocine?
    De hypothalamus produceert OXT en dit wordt afgegeven aan de neurohypothalamus. 
    Vrouwen: OXT stuurt gladde spieren van baarmoeder en melkkklieren aan.
    Mannen: OXT stuurt gladde spieren in zaadleider en prostaat aan.
    Tevens stijgt OXT in bloed bij beide sexen tijdens orgasme.
  • Leg de werking van de anticonceptiepil uit. De bestanddelen zijn progesteron en oestrogeen.
    De bestanddelen van de pilzorgen ervoor dat de luteale fase (de fase waarin het gele lichaam aanwezig is) blijft bestaan. De levels van oestrogeen en progesteron zijn dusdanig hoog dat het endometrium dik blijft. De hoge level oestrogeen zorgt ervoor de hypothalamus weinig GnRH maakt, waardoor FSH en LH geremd worden en er geen follikel wordt gestimuleerd tot groeien. 
    Tijdens de stopweek zakken de levels van oestrogeen een progesteron, waardoor het endometrium wordt afgebroken. 
  • De pancreas:
    De pancreas is een klier met zowel endocriene als exocriene cellen.
    Exocrien, omdat de pancreas een spijsverteringsorgaan is en de exocriene cellen spijverteringsenzymen maken.
    Endocrien, omdat de pancreas ook hormonen aanmaakt.
    De endocriene cellen liggen in de eilandjes van Langerhans (1% van de pancreas). 
    Verschillende celtypen, regelen de bloedsuikerspiegel:
    1. alfacellen produceren glucagon
    2. bètacellen produceren insuline
  • Hoe zorgen insuline en glucagon ervoor dat er homeostase is voor de bloedsuikerspiegel?
    Als de bloedsuikerspiegel verhoogd is, geven de bètacellen insuline af, waardoor glucose versneld wordt omgezet in glycogeen (en toename vetsynthese). Verbruik van glucose verhoogd en vetreserves worden gevormd. Dit leidt tot homeostase.
    Als de bloedsuikerspiegel verlaagd is geven de alfacellen glucagon af waardoor er weer afbraak is van glycogeen in glucose en vetten worden afgebroken. 
  • De celmembranen van bijna alle cellen in het lichaam bevatten insulinereceptoren. Dit betekent dat insuline een ....... hormoon is. Welke soort cellen hebben géén insulinereceptoren?
    Eiwit of niet-steroïd hormoon

    Cellen die géén insulinereceptoren hebben: neuronen en rode bloedcellen (breken glucose af), dekweefselcellen van de nierbuisjes (resorberen glucose), epitheelcellen van het lumen van het spijsverteringskanaal (glucose uit voedsel opgenomen). 
  • Is de productie van insuline en glucagon afhankelijk van ofwel het endocriene stelsel ofwel het zenuwstelsel?
    Nee, de alfa- en bètacellen zijn erg gevoelig voor de bloedsuikerspiegel en regelen dus zelf de afgifte van de hormonen, zonder signalen van het endocriene of zenuwstelsel. Ook wordt de vorming van insuline en glucagon beïnvloed door het autonome zenuwstelsel.
  • 10.4 De schildklier

    De schildklier ligt vóór de trachea en net onder het schildkraakbeen. De schildklierkwabben zijn verbonden door de isthmus (ook schildklierweefsel). De schildklier is sterk doorbloed (rood gekleurd).
  • Schildklier bestaat uit talrijke schildklierfollikels (bekleed met kubisch epitheel).
    In de schildklierfollikels: colloïde = vloeistof met eiwitten en schildklierhormonen.
    Haarvaten tussen follikels: transport voedingsstoffen, reguleren hormonen naar kliercellen, voeren klierproducten en afvalstoffen af.
  • Welke cellen produceren schildklierhormoon en hoe doen ze dat?
    De epitheelcellen van de schildklierfollikels produceren hormonen en slaan het op in de follikels. Deze epitheelcellen worden door TSH ( uit de adenohypofyse) gestimuleerd en geven dan hormonen uit de follikels af aan het bloed. 
  • Waarom is het grootste deel van de schildklierhormonen niet beschikbaar? Hoe komen de hormonen dan tóch bij de juiste cellen?
    Omdat deze hormonen aan plasma-eiwitten van het bloed binden.
    Er zijn vrije schildklierhormonen (niet gebonden) in het bloed die wel naar cellen kunnen diffunderen.
    Wanneer de concentratie vrije hormonen afneemt, worden meer hormonen losgekoppeld van de plasma-eiwitten. De gebonden schildklierhormonen dient als reserve.
  • Waaruit is het schildklierhormoon opgebouwd?
    De basis is het aminozuur Tyrosine, waaraan jodiumatomen zijn gebonden. 
    Thyroxine bevat 4 jodiumatomen (T4). Er is ook een T3-variant die 3 jodiumatomen bevat.
  • Wat doet het schildklierhormoon precies?
    Thyroxine is een steroïd hormoon die in de cel aan receptoren op mitochondriën binden én in de celkern. Door binding aan mitochondriën wordt ATP-productie versneld. In de celkern worden genen geactiveerd die coderen voor enzymen die de stofwisselingssnelheid en zuurstofverbruik laten toenemen in de cel. Het energieverbruik van de cellen gaat omhoog.
  • Wat is het effect van het schildklierhormoon?
    De stofwisseling en zuurstofverbruik gaat omhoog. Het energieverbruik gaat omhoog. Door de hoge stofwisseling wordt er meer warmte geproduceerd, waarna de lichaamstemperatuur omhoog gaat. 
  • De snelheid van de stofwisseling wordt door het schildklierhormoon geregeld. Het effect is te zien in actieve weefsels en organen: skeltespieren, lever, hart en nieren.
    Te weinig of te veel schildklierhormoon zorgt voor ernstige stoornissen in de stofwisseling.
    Struma = een vergrote schildklier doordat de schildklierfollikels uitgerekt zijn met niet-functioneel product (te weinig jodium in de voeding).
  • Hoe wordt de schildklier aangestuurd?
    De hypothalamus geeft TRH (thyrotropine releasing hormone) af aan de adenohypofyse en deze geeft TSH (thyroïdstimulerend hormoon) af aan het bloed. Daardoor wordt de schildklier gestimuleerd om thyroxine aan te maken. Zodra er meer thyroxine in het bloed zit, is er een negatieve terugkoppeling naar hypothalamus (en hypofyse?).
Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Beschrijf het verschil tussen niet-steroïd hormonen en steroïdhormonen in de aansturing van cellen
1
Beschrijf het verschil tussen positieve en negatieve feedback. Welke vorm komt het meeste voor?
1
Bekijk figuur 10-10 (regulering [Ca]). Is hier sprake van positieve of negatieve terugkoppeling? Leg uit.
1
Welke 3 soorten hormonale regulatie zijn er? 
1
Pagina 1 van 21