Samenvatting Class notes - Bio psychologie

337 Flashcards en notities
7 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Class notes - Bio psychologie

  • 1416870000 1.3 Gebruik van dieren bij onderzoek

  • Noem 5 redenen waarom onderzoekers op dieren testen
    1 Onderliggende mechanismen zijn over bijna elke soort hetzelfde maar vaak makkelijker te onderzoeken op niet-mensen
    2 Sommige processen zijn in dieren beter te observeren dan in mensen
    3 We zijn geïnteresseerd in dieren voor hun eigen bestwil
    4 Wat we van dieren leren zegt veel over onze eigen revolutie
    5 Sommige proeven zijn ethisch en wettelijk verboden of aan banden gelegd.
  • 1416956400 bio psychologie/ the major issues/je hersenen en je ervaringen

  • Welke vier typen biologische verklaringen voor gedrag zijn er?
    - Fysiologische: relateert een activiteit aan hoe de hersenen en andere organen functioneren, zelfs op cel en chemisch niveau;
    - Ontogenetische verklaring: omschrijft hoe een structuur of gedrag zich ontwikkelt;
    - Evolutionaire ontwikkeling: relateert een structuur of een gedrag aan de evolutionaire geschiedenis van de soort;
    - Functionele verklaring: omschrijft waarom een structuur of gedrag zich ontwikkelt heeft zoals het heeft gedaan.
  • Noem twee perspectieven op het geest-brein of lichaam geest probleem.
    1) Dualisme: het geloof dat de geest en het brein twee andere soorten substanties zijn die onafhankelijk van elkaar bestaan
    2) Monisme: het geloof dat het universum bestaat uit één soort materie. Hierin zijn verschillende soorten categorieën:
    - Materialisme: het standpunt dat alles wat bestaat materiaal is of fysisch;
    - Mentalisme: het standpunt dat alleen de geest echt bestaat en dat de fysieke wereld alleen in onze verbeelding bestaat of alleen in de geest van God;
    - Identity position: het standpunt dat mentale processen hetzelfde zijn als bepaalde hersenprocessen, alleen met andere termen beschreven zijn
  • David Charmers onderscheidt makkelijke en moeilijke problemen, wat bedoelt hij hiermee?
    Makkelijke problemen: wijst op veel fenomenen waar we de naam bewustzijn aan geven, zoals het verschil tussen wakker zijn en slapen en het mechanisme dat ervoor zorgt dat we de aandacht erbij houden.

    Moeilijke problemen: dit is de vraag waarom en hoe enige vorm van breinactiviteit geassocieerd wordt met bewustzijn.
  • Wat is solipsisme?
    Extreem ik-bewustzijn. Het is de filosofische positie dat alleen ik besta of dat ik alleen van mezelf bewust ben. ( Het probleem om te weten of andere mensen bewuste ervaringen hebben is bekend als het "probleem van andere geesten. " )
  • 1417042800 1.2 De genetische component van gedrag

  • Wat zijn genen?
    Dragers van erfelijke eigenschappen. hun structurele identiteit wordt van generatie op generatie overgedragen.
  • DNA, genen en chromosomen, hoe zit het?
    In iedere cel zit een kopie van het erfelijkheidsmateriaal van je ouders , in de vorm van chromosomen. Op de chromosomen zitten de genen.

    Chromosomen kun je voorstellen als lange strengen. Ze bestaan uit een stof die we DNA ( desoxyribocleinezuur ) noemen. In het DNA zit een code waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd.

    een gen is een stukje afgebakend DNA dat informatie bevat voor de vorming van een bepaald eiwit. Eiwitten hebben meerdere functies in ons lichaam. Genen bepalen al onze erfelijke eigenschappen, bijvoorbeeld de kleur van onze ogen en ons haar.
  • 1423177200 Hoofdstuk 2 Zenuwcellen en zenuwimpulsen

  • Hoe heet het opnemen en omzetten van informatie?
    Sensoriek
  • Het totaal aan informatie wat naar het brein gestuurd wordt heet....
    Afferentie
  • Hoe komt het zichtbare gedrag tot uitdrukking?
    In spieractiviteit
  • Wat is efferentie?
    Efferentie: de afvoer van impulsen vanuit het centrale zenuwstelsel.
  • Wat doen neuronen?
    Ontvangen informatie van andere cellen en sturen die informatie door naar volgende cellen.
  • Wat is de functie van het membraan?
    Controleren van de vloed aan materialen die de cel in- en uitgaan. Sommige ionen zoals natrium, kalium, calcium en chloride kunne  door speciale openingen in het membraan ( proteinekanalen ) De meeste kunnen er echter niet doorheen. Het membraan scheidt de binnenste cel van de buitenkant.
  • Welke functie hebben mitochondriën?
    Hier stofwisselingsactiviteiten plaats, dat voorziet de cel van energie voor andere activiteiten. Het heeft brandstof en zuurstof nodig om te kunnen functioneren.
  • Wat zijn ribosomen?
    Plaatsen waar de cel nieuwe proteïne moleculen maakt. Proteïne zorgt voor bouwmaterialen van de cellen en voorziet in verschillende chemische reacties.
  • Wat is endoplastisch reticulum?
    Redoplastisch reticulum is een netwerk van dunne buisjes die nieuwe gesynthesiseerde proteïnen transporteert naar andere locaties.
  • Waaruit bestaat een neuron?
    - celkern ( nucleus )
    - membraan
    - mitochondriën
    - ribosomen
    - dendrieten
    - cellichamm
    - axon
    - presynaptische terminals
  • Welke drie typen neuronen zijn er?
    - Motor neuronen
    - Sensorische neuronen/ receptor neuronen
    - Interneuronen ( meeste neuronen zijn interneuronen )
  • Wat bevat het cellichaam ( soma ) ?
    - celkern
    - ribosomen
    - mitochondriën
  • Wat is een axonheuvel?
    Een verdikking waar het axon begint.
  • Vertel het verschil tussen een axon en een dendriet
    - Neuron heeft vaak dendrieten met heel veel takjes
    - een neuron heeft geen of 1 axon, axon heeft meerdere takjes
    - dendriet is korter dan een axon
    - Dendriet is zelden bedekt met meyline
    - Axon heeft elke lengte, soms wel een meter of langer
    - Axonen zijn vaak bedekt met meyeline
  • Wat zijn glia cellen? Wat doen ze?
    Glia cellen zijn de ondersteuners van de neuronen. Ze geven geen informati door maar wel chemicaliën door aan omliggende neuronen en ze hebben elektrische activiteit die ze omliggende neuronen geven. Glia cellen vormen een laag om het axon heen, dit wordt de meyelineschede genoemd.

    De functie van gliacellen:
    - Axons van elkaar scheiden;
    - Ze halen afval weg, vooral dode neuronen;
    - Begeleiden van de groei van neuronen
  • Welke soorten glia cellen zijn er?
    Astrocytes: gewonden om de presynaptische terminals van verschillende axons. Ze halen ook afval weg, vooral van dode neuronen. Ze controleren ook de hoeveelheid bloed die naar elk hersendeel vloeit.

    Oligodendrocytes in het brein en ruggenmerg en Schwann cellen in de periferie van het gewervelde lichaam zijn gespecialeerde soorten glia die meyeline bouwen en omgeven en isoleren axons.


    Radiale glia: leidt de migratie van neuronen en de dendrieten gedurende de embryonale fase.
  • Wat is de bloed - hersenbarrière?
    mechanisme dat de meeste chemicaliën uit de hersenen houdt. Dit voorkomt dat er virussen in de hersenen komen. Als er toch een virus in de hersenen komt dan is dit vaak voor altijd, het brein kan dit proces alleen maar vertragen, niet vernietigen.

    2 soorten moleculen kunnen door de bescherming heen: small uncharged molecules ( bv zuurstof ) en moleculen die oplossen in het vet van de muren ( bv sommige soorten drugs ). Om deze chemicaliën in het brein te krijgen is een actief transport nodig, een proteïne indirect proces die energie pompt door de chemicaliën van het bloed en het brein.
  • Hoe ontstaat een zenuwimpuls?
    Impulsen ontstaan doordat er een verschil optreedt in de elektrische lading van het celmembraan. Een cel in rusttoestand is negatief geladen t.o.v. de buitenkant ( elektrische gradiënt )
  • Wat is het voordeel van een rustpotentiaal?
    Het voordeel van een rustpotentiaal is dat het een neuron voorbereidt om snel te kunnen reageren op een prikkel.
  • Wat is het rustpotentiaal?
    Het celmembraan vertraagt de stroom chemicaliën tussen binnen- en buitenkant van de cel. In afwezigheid van een verstoring van buiten behoudt de cel een elektrische polarisatie; een elektrisch verschil tussen twee locaties.De neuron aan de binnenkant van het membraan heeft een negatieve lading t.o.v. de buitenkant, dit komt vooral door negatief geladen proteïnen in de cel. Dit verschil in voltage in een rustende neuron heet rustpotentiaal. Een typisch level is -70 V.
  • Wat is natrium-kalium pomp?
    Wanneer het membraan in rust is zijn de natrium kanalen dicht. Er wordt voorkomen dat natrium kan stromen. Wanneer het membraan in ruste is zijn bijna alle kalium kanalen dicht, maar niet allemaal dus kalium stroomt langzaam.

    De natrium-kalium pomp, een proteïne complex, transporteert herhaaldelijk drie natrium ionen de cel uit terwijl het twee kalium ionen de cel in trekt. De natrium-kalium pomp is een actief transport wat energie gebruikt.


    Verschillende giffen stoppen het, net zoals een interruptie in bloedtoevoer. Door de natrium- kalium pomp, natrium ionen zijn meer dan tien keer geconcentreerd buiten het membraan dan daarbinnen en kalium ionen zijn evenzo aan de binnenkant geconcentreerd.


    De natrium-kalium pomp is alleen effectief door de selectieve doorlaatbaarheid van het membraan, wat voorkomt dat natrium ionen die eruit gepompt werden niet meer terug naar binnen kunnen lekken. De natrium ionen die eruit gepompt werden, blijven eruit. Echter, sommige kalium ionen die in het neuron zijn getrokken lekken er wel uit, een positieve lading bij zch dragend. Die lekkage vergroot de elektrische gradiënt in het membraan.
  • Wanneer een neuron in rust is dan twee krachten werken op natrium, welke en wat doen ze?
    Elektrische gradiënt: Natrium is positief geladen en de binnenkant van de cel is negatief geladen. Tegenovergestelde elektrische ladingen trekken elkaar aan, dus de elektrische gradiënt wil natrium de cel intrekken.

    Concentratie gradiënt: het verschil in de verdeling ( distributie ) van ionen over het membraan. Natrium is meer geconcentreerd aan buiten- dan aan de binnenkant, dus bij de wetten van de waarschijnlijkheid, is het waarschijnlijker dat natrium de cel ingaat dan de cel verlaat. Gegeven dat beide, de elektrische en de concentratiegradiënt de neiging hebben natrium de cel in te trekken, zou natrium snel stromen. Echter, de natrium kanalen zijn dicht wanneer de cel rust en natrium stroomt bijna niet behalve de natrium die cel uit gepompt wordt door de natrium-kalium pomp.
  • Welke krachten werken er op kalium?
    Kalium is blootgesteld aan concurrerende krachten. Kalium is positief geladen en de binnenkant van de cel is negatief geladen, dus de elektrische gradiënt heeft de neiging om kalium naar binnen te trekken. Echter, kalium is meer geconcentreerd aan de binnenkant dan aan de buitenkant van de cel, dus de concentratie gradiënt heeft de neiging om het naar buiten te duwen. Als de kalium kanalen wijd open zouden staan dan zou kalium een gematigde stroom uit de cel hebben. Doordat de elektrische en concentratie gradiënt voor kalium zijn bijna hetzelfde maar niet helemaal. De natrium-kalium pomp blijft kalium naar binnen trekken, dus de twee gradiënten kunnen niet helemaal in balans komen.  
  • Wat is hyperpolarisatie?
    Een verstoring in het evenwicht, niet in de richting van de nul waarde ( meer negatief ). Hyperpolarisatie betekent toegenomen polarisatie.
  • Wat is polariseren?
    Een verstoring van het evenwicht richting de nul-waarde. Een vermindering van negatieve lading in de cel.
  • Wat is de drempelwaarde van prikkeling?
    Stimulatie boven een zeker niveau (-55 V ) Het produceert een enorme depolarisatie in het membraan. Wanneer het potentiaal de drempelwaarde bereikt, opent het membraan plotseling de natrium kanalen en laat een snelle stroom van ionen door het membraan gaan. Het potentiaal schiet veel verder dan de stimulus omhoog.
  • Wat is een actiepotentiaal?
    Elke stimulatie boven de drempelwaarde, het maakt niet uit hoeveel daarboven, produceert dezelfde respons. Die respons, een snelle depolarisatie en een geringe omkering van de normale polarisatie, wordt een actiepotentiaal genoemd.

    Natrium kanalen openen en natrium stroomt nu vrij door het membraan. Als de depolarisatie minder is dan de drempelwaarde, dan stroomt natrium alleen iets meer dan normaal door het membraan. Wanneer de drempelwaarde wordt overschreden, openen de natriumkanalen zich wijd. Natrium ionen komen explosief het membraan binnen, totdat het elektrisch potentiaal aan de andere kant van het membraan voorbij het nulpunt komt en zo weer omkeert tot een normale polarisatie.
  • Wat brengt, na de piek van een actiepotentiaal, een neuron weer terug in het rustpotentiaal?
    Niet de natrium-kalium pomp, die is te langzaam voor dit doel.
    Nadat het actiepotentiaal onderweg is gegaan, openen spanningsgevoelige kaliumkanalen zich. Kalium ionen vloeien uit het axon, simpel genoeg omdat ze veel geconcentreerd binnen dan buiten de cel zijn en ze niet langer binnengehouden worden door de negatieve lading. Ze brengen een positieve lading met zich mee wanneer ze uit het axon vloeien. Omdat de kalium kanalen zich wijder openen dan normaal en open blijven nadat de natriumkanalen zich hebben gesloten, verlaten genoeg kalium ionen om het membraan boven het normale rustniveau tot een tijdelijke hyperpolarisatie.

    Intussen worden negatief geladen chloride ionen niet meer afgeweerd door een negatief geladen binnenkant van het membraan en deze hebben de neiging naar binnen te vloeien.


    Aan het eind van dit proces is het membraan teruggekeerd naar een rustpotentiaal, alleen de binnenkant van het neuron heeft iets meer natrium dan kalium ionen dan daarvoor. Uiteindelijk herstelt de natrium-kaliumpomp de originele distributie van ionen, maar dat proces heeft tijd nodig.
  • Wat is de alles of niets wet?
    De omvang en snelheid van het actiepotentiaal zijn onafhankelijk van de intensiteit van de stimulus dat het heeft geïnitieerd.
  • Wat de refractoire periode?
    De periode waarin een cel weigert om opnieuw te vuren na een actiepotentiaal.
  • Wat is de absolute refractaire periode?
    De natrium openingen zijn dicht en het membraan kan geen actiepotentialen produceren, ongeacht de impuls.
  • Wat is de relatieve refractaire periode?
    De natrium openingen herstellen weer in oude staat maar de kalium openingen blijven open. Omdat kalium vrij baan heeft moet er een hogere dan normale prikkel komen om een actiepotentiaal te produceren.
  • Wat is de functie van de meyelineschede?
    Verhoogt de snelheid van het actiepotentiaal over het membraan. Vermindert herstel en bovendien isoleert hij axonen zodat er geen elektriciteit overgedragen kan worden van het ene axon naar het andere.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Welke vier typen biologische verklaringen voor gedrag zijn er?
4
Noem twee perspectieven op het geest-brein of lichaam geest probleem.
4
Noem 5 redenen waarom onderzoekers op dieren testen
4
Wat zijn genen?
4
Pagina 1 van 81