Class notes - Anatomie & Fysiologie

by
492 Flashcards en notities
8 Studenten
  • Deze samenvatting
  • +380.000 andere samenvattingen
  • Een unieke studietool
  • Een oefentool voor deze samenvatting
  • Studiecoaching met filmpjes
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Class notes - Anatomie & Fysiologie

  • 1443909600 Cellen, weefsels, organen, orgaanstelsels, alg. oriëntatie

  • 2.2.1. Wat wordt verstaan onder de tussencelruimte (intercellulaire ruimte)?
    Wat bevindt zich in deze tussencelruimte?
    De ruimte tussen de cellen.
    In de tussencelruimte bevindt zich vloeibaar tussencelvocht en vaak ook vaste tussencelstof zoals collageenvezels en in botweefsel kalkzouten.
  • (blauw) 2.2.2. Beschrijf twee stofwisselingsprocessen die een cel moet kunnen uitvoeren en welke basisstoffen heeft een cel daarbij nodig, alsmede welke basisproducten moet het daarbij kwijt raken?
    De cel kent de volgende stofwisselingsprocessen
    1. bouwstofwisseling: vindt plaats ten bate van opbouw, groei en    
        celvermeerdering
    2. energiestofwisseling: essentieel voor de uitvoering van allerhande
        celactiviteiten zoals voortbeweging en actief transport van stoffen.

    De basisstoffen die de cel nodig heeft zijn: EHBO, ofwel Energiestoffen, H2O (water), bouwstoffen en O2 (zuurstof). Voor beide processen zijn ook hulpstoffen nodig zoals vitamines (via voeding) en enzymen (door de cel zelf gemaakt)

    De producten die de cel moet kwijtraken zijn de afvalproducten zoals koolzuurgas (of koolstofdioxide of CO2) en overtollige warmte. Er zijn verder nog talrijke andere afvalstoffen.
  • Vraag 4 lesstof 2-8:
    Op welke manieren kan een cel geïnformeerd worden over de actuele behoeften van het lichaam?
    Via allerhande receptoren (minuscule moleculaire 'ontvangststationnetjes') waarvan de meeste zich op de celwand (celmembraam) bevinden. Dit gebeurt via up-regulatie (toename van een bepaald type receptor) als down-regulatie (afname van een bepaald type receptor). Ook de gevoeligheid van een bepaald receptortype kan in de loop van de tijd veranderen.Vooral de gevoeligheid voor diverse hormonen kan aan verandering onderhevig zijn.
    Via het hormoonstelsel laat het lichaam aan de cellen weten wat er nodig is.
  • (blauw) 2.2.3. Benoem voor elke essentiële lichaamsfunctie de bijbehorende orgaanstelsels en bij elk orgaanstelsel de bijbehorende hoofdfuncties.
    De lichaamscellen hebben zich gespecialiseerd en gegroepeerd in bepaalde weefsels en organen, die op hun beurt onderlinge samenwerkingsverbanden vormen die we orgaanstelsels noemen. 

    Essentiële lichaamsfuncties:
    1. aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen vanuit de opname organen naar de cellen en afvoer van afvalstoffen en CO2 vanuit de cellen naar de uitscheidingsorganen via het bloed en de lymfe --> circulatiestelsel

    2. opname van voedingsstoffen in het bloed en uitscheiding van afvalstoffen via de gal (die uiteindelijk op zijn beurt via de ontlasting het lichaam verlaat)
    --> spijsverteringsstelsel.

    3. opname van zuurstof in het bloed en uitscheiding van CO2 uit het bloed
    --> ademhalingsstelsel.

    4. stabiel houden van de samenstelling en druk van de lichaamsvloeistoffen door uitscheiding van overtollig water en diverse daarin opgeloste stoffen
    --> urinestelsel.

    5. bescherming van de cellen, weefsels en organen, temperatuurregulatie en zorg voor verschillende vormen van contact met de buitenwereld --> huid.

    6. zorg voor zowel stevigheid, beweeglijkheid als expressie door middel van een samenwerkend verband van botten, kraakbeen, gewrichten, pezen, banen en spieren --> houdings- en bewegingsapparaat.

    7. continue aanvoer van informatie over de stand van zaken binnen en buiten het lichaam --> zintuigen.

    8. snelle en nauwkeurige aanvoer van zintuiginformatie naar het centraal zenuwstelsel, verwerking van deze informatie en omvorming ervan tot een passende reactie --> zenuwstelsel.

    9. afgifte aan het bloed van tientallen verschillende boodschapperstoffen om het functioneren van bepaalde weefsels traag en enigszins grof bij te sturen
    --> hormoonstelsel.

    10. bescherming van het lichaam tegen mogelijke ziekteverwekkers
    --> afweerstelsel.

    11. het voortbestaan van onze soort mogelijk maken voorbij de individuele dood en het mogelijk maken van seksuele intimiteit --> voortplantingsstelsel.
  • vraag 5 lesstof 2-8
    Noem de orgaanstelsels die zorgen voor:
    1. uitscheiding van afvalstoffen en CO2
    2. vervoer van voedingsstoffen
    3. opname van benodigde stoffen uit de buitenwereld
    4. regulatie van de lichaamsfuncties
    1. ademhalingsstelsel
    2. spijsverteringsstelsel
    3. zintuigen
    4. zenuwstelsel
  • (blauw) 2.2.4. Geef in grote lijnen weer hoe een cel is opgebouwd en weet in het kort de hoofdfunctie(s) van elke celorganellen en de celwand te benoemen of te beschrijven.
    Opbouw van een cel
    Een cel:  
    - wordt omgeven door een flexibele en 'levendige' celwand, ook wel
      celmembraam genoemd.
    - is gevuld met gel-achtig celvocht of ook wel cytoplasma genoemd. 
    - bestaat uit verschillende 'celorgaantjes' of ook wel organellen genoemd,    
       waaronder het interne regulatiecentrum van de cel: de celkern.
       Overige organellen zijn receptoren, mitochondriën, lysosomen,
       endoplasmatisch reticulum, ribosomen, golgi-apparaat.

    Celkern: bezit talloze 'recepten' of 'genen' genoemd voor stoffen die het kan maken om de eigen bouw en functioneren en dat van de rest van het lichaam mogelijk te maken. Deze 'recepten' liggen in de vorm van het DNA in de kern van de cel. De kern dient niet alleen als opslagplaats voor DNA, maar ook als regulatiecentrum en plaats van aflezen van de 'recepten' met behulp van het stofje RNA.
    Functie: reguleren stofwisseling; opslag en verwerking erfelijke informatie; reguleren eiwitsynthese.

    Hoofdfuncties van de celwand en van elke celorganel:
    celwand:
    De celwand bestaat uit een dubbele laag van vetachtige stoffen met fosfolipiden, steroïden en eiwitten.
    de celwand beschermt de cel, zorgt voor opname en uitscheiden van stoffen en het handhaven van zijn elektrische lading, het bied isolatie, bescherming, gevoeligheid en stevigheid. Transport van stoffen gebeurt via diffusie. 

    Organellen:
    Receptoren (eiwitten): ontvangen van prikkels en zitten aan de buitenzijde van het celmembraam. 
    Functie: gevoelig voor specifieke extracellulaire stoffen die zich aan de eiwitten binden waardoor de activiteiten van de cel worden gewijzigd. 
    Voorbeeld: door binding van het hormoon insuline gaan cellen meer glucosemoleculen per tijdseenheid opnemen.

    Mitochondriën: halen energie uit voedingsstoffen. Ook wel de 'energiecentrale van de celkern' genoemd.
    Functie: vormen 95% van het ATP dat de cel nodig heeft.

    Lysosomen: zijn blaasjes met sterke verteringsenzymen. 
    Functie: verwijderen van beschadigde organellen en ziekteverwekkers in de cel. Sommige van de door de cel opgenomen of gevormde stofjes moeten worden vernietigd, verteerd of opgeslagen. Deze organellen kunnen beschouwd worden als 'voedsel- en afvalverwerkingsinstallaties'.

    Ribosomen: zetten eiwitten in elkaar volgens de 'receptuur' van het DNA. Een deel van ribosomen ligt vrij en vormt eiwitten in de cel. Het andere deel is verbonden met een ander celorganel: het endoplasmatisch reticulum.
    Functie: eiwit synthese

    Endoplasmatisch reticulum: netwerk van membranen die kanalen vormen. Het strekt zich door het gehele cytoplasma uit (in de cel). 
    Functie: synthese klierproducten; biedt opslag en transport in de cel.

    Golgi-apparaat: stapels afgevlakte membramen die kanalen vormen. Strekt zich door het gehele cytoplasma uit. 
    Functie: Opslag, omzetting en verpakking klierproducten (eiwitten). Het vormt lysosomen.
  • (blauw) 2.2.5. Wat is passief transport en wat is actief transport? Noem van beiden een voorbeeld. 
    Bij passieve transportprocessen (diffusie, osmose, filtratie en gefaciliteerde diffusie) worden ionen en moleculen door de celmembraam vervoerd zonder dat het de cel energie kost. 
    Voor actieve transportprocessen moet de cel energie leveren in de vorm van de energierijke bindingen in ATP-moleculen. 

    Passief transport: uitwisseling van zuurstof en CO2 in de longblaasjes/aderen
    Actief transport: uitwisseling van vocht (hart/nieren)
                                opnemen of uitscheiden van eiwitten en vetten
  • vraag 10 lesstof 2-8
    Noem twee manieren waarop een cel een stof kan opnemen of juist uitscheiden.
    Een cel kan via actief transport (kost energie) of passief transport (via diffusie, kost de cel geen energie) een stof opnemen of uitscheiden.
  • vraag 11 lesstof 2-8
    Op welke manier is de cel afhankelijk van zijn omgeving om stoffen op te kunnen nemen en kwijt te raken?
    De cel is afhankelijk van een behoorlijke stabiliteit van de vloeistoffen binnen en buiten zijn celwand. Zowel qua temperatuur als qua hoeveelheden water, voedingsstoffen en afvalproducten.
    De cel is zelf in staat om de samenstelling van zijn binnenkant te reguleren. dit kan alleen dankzij het feit dat de celwand niet zomaar doorlaatbaar is voor alle stoffen. Opname en afgifte van stoffen gebeurt via passief transport (diffusie) en actief transport (osmose).
  • (blauw) 2.3.1.
    1. Waar en in welke vorm bevindt zich DNA?
    2. Geef ook aan om hoeveel chromosomen het per cel gaat.
    3. Geef aan wat verstaan wordt onder een 'gen'.
    4. Geef aan waarom (praktisch) alle chromosomen en genen dubbel
         voorkomen.
    1. DNA bevindt zich in elke celkern in de vorm van chromosomen.
    2. Per cel gaat het om 23 paar chromosomen.
    3. Een gen is een drager van informatie van één of meer gecodeerde erfelijke
        eigenschappen.
    4. 23 Chromosomen van vaderskant en 23 chromosomen van moederskant.
  • (rood) 2.3.2. 
    1. Geef aan hoe genetische eigenschappen tot uiting kunnen komen.
    2. Wat wordt bedoeld met de termen:
         a. dominant
         b. recessief
         c. intermediair
    1. Voor elke erfelijke eigenschap krijgt je het DNA dubbel mee: één gen van de vader en één bijpassend gen van de moeder. Omdat deze onderling op kleine punten van elkaar kunnen verschillen, zullen diverse van de door mij overgeërfde eigenschappen niet of slechts ten dele bij mij tot uiting kunnen komen. Dit heeft te maken met de vorm van de erfelijke basis: dominant, recessief of intermediair.

    2. Bedoeld wordt met:
    a. dominant: erfelijke eigenschap die een soortgelijke erfelijke eigenschap overheerst. Deze hoef je dus maar van één van je ouders te hebben overgeërfd. Zo blijkt het gen voor zwart haar dominant over het gen voor rood haar. De activiteit van het gen voor rood haar wordt dan in de haarproducerende cellen uitgeschakeld. 

    b. recessief: erfelijke eigenschap die alleen tot uiting kan komen als hij van beide ouders is overgeërfd. Bijvoorbeeld rood haar. 

    c. intermediair: de tussenvorm die een mengeigenschap oplevert. zo leidt een combinatie van blond en rood tot rossig. Beide genen zijn daarbij geactiveerd. 
  • vraag 15 lesstof 2-12
    Welke mensen hebben exact hetzelfde DNA?
    Eéneiige tweeling.
  • (rood) 2.3.3.
    1. Geef aan wat het grote genetische verschil is tussen man en vrouw. 
    2. Geef aan wat het verschil is tussen autosomale en X-chromosomale
         eigenschappen.
    1. Het grote genetische verschil tussen man en vrouw is het 23e chromosomenpaar, ofwel de geslachtschromosomen. 
    De man heeft op het 23e paar een XY-chromosoom en de vrouw heeft op het 23e paar een XX-chromosoom. De vrouw is hierdoor symmetrisch in haar chromosomenpatroon en de man asymmetrisch wat betreft het 23e chromosomenpaar.De man 'mist' als het waren een flink stuk chromosoom in elke cel. Dit verschil vormt veruit de belangrijkste aanleiding tot de zo verschillende ontwikkeling tussen het vrouwelijke en het mannelijke lichaam en psyche. 

    2. Verschil tussen autosomale en X-chromosomale eigenschappen is:
    - autosomale eigenschappen komen net zo makkelijk bij mannen als vrouwen tot uiting. Om tot uiting te kunnen komen hoeven ze slechts van één ouder te zijn overgeërfd wanneer ze dominant zijn en van beide ouders wanneer ze recessief zijn.

    - X-chromosomale eigenschappen zullen bij een man (22p + XY) al tot uiting komen wanneer hij deze van slechts één ouder overgeërfd heeft gekregen, ongeacht of deze eigenschap dominant of recessief is. dat komt doordat een man niet 'beschermd' wordt door een gezond (2e) X-chromosoom (23e paar) 
    Bij een vrouw (22p + XX) zal een X-chromosomale eigenschap alleen tot uiting kunnen komen als zij hem van allebei haar ouders heeft overgeërfd. Tenzij de eigenschap dominant is natuurlijk, want dan overheerst hij de recessieve tegenhanger op het andere X-chromosoom.

    Verschil tussen autosomale en X-chromosomale eigenschappen is, dat erfelijke eigenschappen dominant, recessief of intermediair, zich op een 'gewoon' chromosoom (autosoom) bevindt of op een geslachtschromosoom (en dan praktisch altijd op het X-chromosoom). In het eerste geval spreken we van een autosomale eigenschap en in het tweede van een X-chromosomale eigenschap.
  • (blauw) vraag 2.3.4.
    Geef globaal aan hoe DNA wordt afgelezen en de code ervan wordt uitgevoerd.
    Een gen, en klein stukje DNA in een celkern (gen = drager van informatie van één of meer gecodeerde erfelijke eigenschappen) , wordt alleen afgelezen als de cel daartoe een opdracht geeft of krijgt. Het aflezen van het gen vindt plaats in de celkern door kleine hoeveelheden van een op DNA gelijkende stof: het RNA. 
    Moleculen hiervan dringen de celkern binnen, nemen de volgorde van de basen in het betreffende stukje DNA exact over en vervoeren deze als een soort DNA-kopie naar de ribosomen in het celplasma. Op de ribosomen wordt vervolgens het bijbehorende eiwit in elkaar gezet door de bijpassende aminozuren in de volgorde die het RNA dicteert aan elkaar te rijgen. De op deze wijze nieuw gevormde eiwitten worden nu hetzij in de cel zelf gebruikt, dan wel naar buiten de cel getransporteerd. 
  • (blauw) vraag 2.3.5. 
    1. Noem het verschil in uitkomst tussen ongeslachtelijke celdeling (mitose)
        en geslachtelijke celdeling (meiose). 
    2. Geef globaal aan waar versmelting van ei- en zaadcel toe leidt qua
        aantallen chromosomen.
    1. Het verschil tussen mitose en meiose is dat er bij:
        de ongeslachtelijke celdeling (de mitose) sprake is van vermeerdering of
        vervanging van lichaamscellen en dat hier twee genetisch gelijke
        dochtercellen worden gevormd. Vlak voor de celdeling zijn alle 46
        chromosomen in de cel verdubbeld en zichtbaar als een X-vorm, zodat na       het uit elkaar trekken daarvan, verdeling over twee helften en gelijkelijke
        insnoering van de cel en opdeling in twee dochtercellen, in elke daarvan
        weer 46 enkelvoudige chromosomen zitten. 
        de geslachtelijke celdeling (de meiose) alle 23 chromosomen gesplitst
        worden zodat er uiteindelijk in elke geslachtscel maar 23 chromosomen
        komen te zitten. 

    2. Bij een geslaagde bevruchting smelten een ei- en zaadcel dan weer samen
        tot 46 chromosomen. 

    pagina 2-13/2-14 
  • (blauw) vraag 2.4 
    1. Leg uit wat verstaan wordt onder een weefsel. 
    2. Geef aan waar een weefsel, naast cellen, nog meer uit bestaat. 
    1. Weefsel is een groep cellen met dezelfde bouw en functie(s).
    2. Weefsel bestaat ook uit tussencelstof zoals kalkzouten en collageenvezels
        in de botten en tussencelvloeistof.
  • (blauw) vraag 2.4.1.
    1. Wat betekent celdifferentiatie?
    2. In welke vier hoofdrichtingen kunnen cellen differentiëren?
    3. Welk mechanisme zorgt er voor dat cellen differentiëren?
    1. Uit één bevruchte eicel ontstaan door celdeling steeds meer cellen, die in
        eerste instantie nog een exacte replica of kloon lijken van de 
        oorspronkelijke cel gaan zich al gauw differentiëren. Dit gebeurt door 
        activeren en inactiveren van genen, afhankelijk van de plaats van elke cel 
        in de zich ontwikkelende celklomp, waar bepaalde chemische stoffen in
        meerdere of juiste mindere mate voorkomen. 

    2. Vier hoofdrichtingen waarin cellen zich kunnen differentiëren:
        a. dekweefselcel 
        b. bindweefselcel
        c. spiercel
        d. zenuwcel

    3. het activering of inactiveren van genen
  • (groen)
    1. Wat wordt verstaan onder stamcellen?
    2. Van welke weefsels zijn er in het volwassen lichaam géén stamcellen
        meer aanwezig?
    1. Stamcellen zijn cellen waaruit zich door deling 'verse' gedifferentieerde
        cellen kunnen ontwikkelen.  Bijvoorbeeld van de meeste dek- en
        bindweefselcellen.
    2. Van spier- en zenuwcellen blijven geen stamcellen over, zodat spier- en
        zenuwcellen na vernietiging niet meer terug kunnen keren. 
        Omnipotente (of universele) stamcellen verdwijnen al vroeg in het
        embryonale leven. 
  • (blauw) Leg d.m.v. een voorbeeld uit op welke manier verschillende weefsels voorkomen in een orgaan.
    Als je kijkt naar de baarmoeder, een hol orgaan, kom je in het orgaan van binnen naar buiten de volgende soorten weefsels tegen:
    1. dekweefsel:
        a. slijmvliesepitheel: aan de binnenzijde van de baarmoeder, omdat het
            in verbinding staat met de buitenwereld.
        b. endotheel: in de bloedvaten die door de baarmoeder lopen.

    2. bindweefsel:
        a. ligt dicht onder het dekweefsel. Bij slijmvliezen liggen exocriene
            klieren hierin ingestulpt.

    3. glad spierweefsel (onwillekeurig):
        a. kringspierweefsel: waardoor de baarmoeder kan samentrekken en 
            ontspannen.
        b. spierweefsel in de lengterichting en/of schuine richting, dat om het
            kringspierweefsel ligt. Aanspanning hiervan maakt actieve verkorting en
            kronkeling van het orgaan mogelijk. 

    4. bindweefsel:
        a. mesotheel bindweefsel (vorm van dekweefsel), als het orgaan of de
            structuur heel vrij moet kunnen bewegen
  • (blauw) Leg d.m.v. een voorbeeld uit op welke manier orgaanstelsels met elkaar samenwerken binnen een organisme.
    In onderstaand voorbeeld laat ik zien dat Vloeistof in ons lichaam
    blijft stromen en zijn werk kan doen door samenwerking van
    alle orgaanstelsels.
    zintuigen en spijsverteringsstelsel:
     door het zien van voedsel en drank prikkelen wij ons lichaam. Door inname van voedsel en vloeistoffen kan ons lichaam voeding beter verteren. Aan voeding in de mond en maag wordt via slijmvliezen, vocht toegevoegd. In de maag spreken we dan van spijsverteringsstappen.

    ademhalingsstelsel en bewegingsapparaat: zorgt ervoor dat met enige regelmaat aanspannen en ontspannen van spieren de goede circulatie van vochtstromen ondersteunt. Dit gebeurt bijvoorbeeld door lichaamsbeweging.

    bloedcirculatie: om het vocht in het lichaam goed te kunnen voortbewegen is het hart een belangrijke motor. Zonder hartwerking stopt de circulatie in een paar seconden tijd. 

    lymfestelsel: neemt het overtollige vloeistof dat tussen de weefsels terechtkomt op via de lymfenknopen, die te vinden zijn aan rondom elk orgaan. Dit stelsel zorgt ervoor dat deze vloeistoffen via het hart weer in de bloedbaan terecht komt.

    urinewegstelsel: door de uitscheidingsfunctie kan de overtollige vloeistof, waaronder ook afvalstoffen, via vochttransport via het urinestelsel ons lichaam weer verlaten. 

    zenuw- en hormoonstelsel:
     zorgen ervoor dat informatie over onze vochthuishouding kenbaar gemaakt wordt aan ons centraal zenuwstelsel, waarna deze informatie wordt verwerkt in een passende reactie. Het hormoonstelsel zorgt ervoor dat er extra stofjes in het bloed wordt afgegeven om de juiste vochtbalans te houden dan wel te creëren in het lichaam. Denk hierbij aan de werking bij een hoge bloeddruk: het hart geeft hormonen af zodat de nieren harder gaan werken om vocht afgedreven wordt en  er meer geplast moet worden. 

    huid: als het lichaam te warm wordt zorgt de huid dat vocht via de poriën het lichaam kan verlaten. Dit is een normale reactie van het lichaam. 

    afweerstelsel: door vocht rond te laten stromen kunnen afweerstelsel ook beter hun werk doen. Door vloeistofstroming kunnen de afvalstoffen vanuit dit stelsel via de overige stelsels (huid, ademhalingsstelsel, lymfestelsel, urinestelsel, zenuw- en hormoonstelsel) het lichaam weer verlaten. 

    voortplantingsstelsel: vloeistof is noodzakelijk bij voortplanting. Zonder vloeistoffen gebeurt er weinig. Zaadcellen hebben vloeistof nodig om (dmv seksuele intimiteit) bij een eicel te komen. Daarna hebben samensmelting van deze cellen vloeistof nodig om het voortplantingsproces in gang te zetten. Cellen bestaan uit vloeistof, namelijk cytoplasma. Cellen hebben vloeistof nodig om hun werkt te kunnen doen. 
  • (blauw) vraag 2.4.2.
    1. Wat wordt verstaan onder dekweefsel?
    2. Benoem welke eigenschappen alle dekweefsels gemeen hebben.
    1. Onder dekweefsel wordt verstaan een bedekkend weefsel:
        a. de opperhuid
        b. bekledende laag van de slijmvliezen en van alle klieren.
        Ook wel epitheel genoemd.

    1.1. Soorten epitheel: 
        - slijmvormende epitheelbekleding: voorkomen van uitdroging van de
           onderliggende weefsels, zorgt voor transport, bevat afweerstoffen, bevat
           soms ook verteringsstoffen (enzymen)
        - trilhaarepitheel: komen voor op sommige slijmvliezen (bijv. luchtwegen,
           eileiders). Het zijn cellen die aan het oppervlak bizar veel kleine
           uitstulpinkjes hebben, die zweepslagachtige bewegingen maken in één
           bepaalde richting, waardoor slijm getransporteerd kan worden. 

        Bijzonder: epitheel is niet doorbloed. Wordt gevoed vanuit de
                          onderliggende doorbloede bindweefsellaag, via de
                          tussencelruimte. Epitheel is in de regel heel dun, daardoor
                          herstelt het desondanks snel. 
        Voorbeeld: blaar
        
    Op sommige plaatsen is het epitheel ingestulpt in het omgevende bindweefsel. Het vormt daar dan klieren. De cellen in deze klieren zijn gespecialiseerd in het produceren van een bepaald afscheidingsproduct, zoals zweet, talk, speeksel, darmsap etc. Het klierproduct staat in contact met de buitenwereld. Dit zijn de exocriene klieren
       
    Op sommige plaatsen is het epitheel ingestulpt in het omgevende bindweefsel maar waarbij de verbinding met de buitenwereld is verbroken. Het vormt daar dan klieren. De cellen in deze klieren geven hun klierproduct af aan het bloed te weten hormonen. Dit zijn de endocriene klieren

    1.2. Ander bedekkend weefsel:
    Endotheel: binnenste bekledende laag van alle bloed- en lymfevaten en
                        het hart.
    Mesotheel: de bekledende laag van de meeste overige holten en spleten,
                        de zogeheten weivliezen:
                        - hartzakje (rondom het hart)
                        - buikvlies (rondom diverse buikorganen)
                        - long- en borstvlies (rondom de longen)

    Endotheel en mesotheel bekleden holle structuren die niet in open verbinding met de buitenwereld staan. 

    2. Alle dekweefsels hebben gemeen dat zij een bedekkende/bekledende
        eigenschap hebben. Ze bieden;
        a. bescherming
        b. zorgen voor transport
        c. opname (voedingsstoffen, O2)
        c. uitscheiding (urine, CO2, gal)
        d. afscheiding naar de buitenwereld (exocrien: slijm, afweerstoffen,
            verteringssappen)
        e. afscheiding naar de bloedbaan (endocrien: hormonen)  
  • (rood) vraag 2.4.2.-15
    Benoem het verschil tussen exocriene en endocriene klieren en geef van elk een voorbeeld.
    Op sommige plaatsen is het epitheel ingestulpt in het omgevende bindweefsel. Het vormt daar dan klieren. De cellen in deze klieren zijn gespecialiseerd in het produceren van een bepaald afscheidingsproduct, zoals zweet, talk, speeksel, darmsap etc. Het klierproduct staat in contact met de buitenwereld. Dit zijn de exocriene klieren
       
    Op sommige plaatsen is het epitheel ingestulpt in het omgevende bindweefsel maar waarbij de verbinding met de buitenwereld is verbroken. Het vormt daar dan klieren. De cellen in deze klieren geven hun klierproduct af aan het bloed te weten hormonen. Dit zijn de endocriene klieren
  • (blauw) vraag 2.4.2.-14
    Noem een aantal voorbeelden en functies van epitheel, mesotheel en
    endotheel weefsel
    Epitheel: bekleedt de buitenzijde van het lichaam én alle instulpingen 
                    daarvan: de huid en slijmvliezen.
                    vormt alle klieren: exocrien:     uitwendige afscheiding 
                                                                        zweet, speeksel, alvleeskliersap
                                                    endocrien:  inwendige afscheiding
                                                                        alleen hormonen

      Endotheel: bekleedt de binnenzijde van alle bloed- en lymfevaten en 
                         het hart.

       Mesotheel: bekleedt de meeste overige holten en spleten en dus 
                           alle buik-, long- en hartvliezen. 
  • Vraag 42 lesstof 2-22
    Noem 5 of meer plekken in het lichaam waar zich epitheel bevindt.
    1. huid
    2. slijmvliezen in de mond,
    3. keel
    4. maag
    5. baarmoeder
    6. galblaas
    7. darmen
  • Vraag 43 lesstof 2-22
    Waaruit bestaat de bekledende laag van de slijmvliezen?
    Uit endocriene en exocriene klieren.
  • Vraag 44 lesstof 2-22
    Hoe wordt het (ondoorbloede) epitheel genoemd?
    Opperhuid, bekleding van de slijmvliezen en van alle klieren.
  • Vraag 45 lesstof 2-22
    1. Noem 2 of meer plekken in het lichaam waar zich endotheel bevindt. 
    2. Noem 3 of meer plekken waar zich mesotheel bevindt. 
    1. Endotheel: bloed- en lymfevaten
    2. Mesotheel: hartzakje, buikvlies, long- en borstvlies.
  • Vraag 46 lesstof 2-22
    Noem één of meer verschillen tussen epitheel, endotheel en mesotheel.
    Epitheel: verbinding met de buitenwereld en vormt alle klieren.
    Endotheel: bevindt zich alleen aan de binnenzijde van bloed- en lymfevaten
                        en het hart
    Mesotheel: bevindt zich in de weivliezen.
  • Vraag 47 lesstof 2-22
    Noem 5 of meer functies die epitheel kan vervullen.
    1. bescherming
    2. transport langs het oppervlak
    3. opname van vooral voedingsstoffen en O2
    3. uitscheiding (zoals urine, CO2 en gal)
    4. afscheiding naar de buitenwereld (exocrien: slijm, afweerstoffen,
        verteringssappen).
    5. afscheiding naar de bloedbaan (endocrien: hormonen).
  • Vraag 49 lesstof 2-24
    Noem van de volgende eigenlijke bindweefselsoorten één of meer plaatsen in het lichaam waar ze zich bevinden:
    a. collageen bindweefsel
    b. elastisch bindweefsel
    c. losmazig bindweefsel
    d. reticulair bindweefsel
    a. collageen: rondom spieren, pezen, banden en het buitenste deel van de
        gewrichtskapsels.
    b. elastisch: wand van de grotere slagader.
    c. losmazig: onderhuids bindweefsel tussen lederhuid en spieren,
        bindweefsel tussen diverse organen bijv hartzakje en slokdarm.
    d. reticulair: bloedcelvormend weefsel (rood beenmerg) en afweerweefsel
        (vooral milt en lymfeklieren).
  • Vraag 50 lesstof 2-24
    Uit welke drie componenten bestaat botweefsel?
    1. botcellen
    2. buigbare collageenvezels
    3. kalk
  • Vraag 51 lesstof 2-24
    Noem drie eigenschappen van botweefsel.
    1. is goed doorbloed
    2. kan zich aanpassen aan de zwaarte waarmee het belast wordt.
    3. herstelt relatief snel van beschadiging en breuk
  • Vraag 52 lesstof 2-24
    Noem van de volgende kraakbeensoorten een plaats in het lichaam waar ze zich bevinden:
    a. glasachtig kraakbeen
    b. vezelig kraakbeen
    c. elastisch kraakbeen
    a. glasachtig kraakbeen:
        - op alle gewrichtsoppervlakken. Het bedekt de botten daar waar ze ten
           opzichte van elkaar kunnen bewegen. 
        - in de verbindingen tussen de ribben en het borstbeen
        - in de neusvleugels

    b. vezelig kraakbeen (waar botten hechter met elkaar verbonden zijn):
        - schaambeenderen
        - tussenwervelschijven van de wervelkolom.

    c. elastisch kraakbeen:
        - in strotteklepje
        - oorschelp
  • Vraag 53 lesstof 2-24
    Wat kun je zeggen over de mate van doorbloeding van kraakbeenweefsel?
    Kraakbeenweefsel is niet doorbloed. De stofwisseling in kraakbeenweefsel is traag en herstelmogelijkheden zijn matig tot slecht. 
    Het bevat ook geen lymfevaten en zenuwen. De voeding van het kraakbeen wordt wel bevorderd door het hoge gehalte aan tussencelvloeistof.
  • Vraag 54 lesstof 2-26
    Noem het belangrijkste kenmerk dat spierweefsel onderscheidt van andere weefsels.
    Spierweefsel kan zich actief verkorten. Geen ander weefsel kan dat. 
  • Vraag 55 lesstof 2-26
    Waar vinden we skeletspierweefsel?
    Skeletspierweefsel is snel, krachtig, precies en willekeurig te besturen. 
    Dit is weefsel dat gebruikt wordt voor houding en beweging. 
    Alle skeletspieren en de willekeurige kringspieren (zoals plasbuis, anus, lippen) zijn opgebouwd uit skeletspierweefsel.
  • Vraag 56 lesstof 2-26
    1. Waar vinden we glad spierweefsel?
    2. Geef drie voorbeelden. 
    1. Glad spierweefsel is traag, minder krachtig en weinig nauwkeurig en wordt
        bestuurd door autonoom zenuwstelsel en hormoonstelsel. 
        het bevindt zich in de wand van holle organen en structuren.
    2. darmen, baarmoeder, blaas, bloedvaten, urineleiders, galblaas.
  • Vraag 57 lesstof 2-26
    Noem drie verschillen in functioneren tussen skeletspierweefsel, glad spierweefsel en hart spierweefsel.

    (rood) 2.4.4.-17 (vraag = idem):
    Benoem van de drie soorten spierweefsel de belangrijkste eigenschappen en weet van elk soort spierweefsel een voorbeeld in het lichaam te geven en te herkennen.
    skeletspierweefsel:
    -is snel (samentrekken), is willekeurig beïnvloedbaar en vermoeibaar.
    glad spierweefsel:
    -is traag (samentrekken), autonoom beïnvloedbaar en onvermoeibaar.
    hartspierweefsel:
    -is snel (samentrekken), autonoom beïnvloedbaar en onvermoeibaar.
  • (groen) vraag 2.4.5.
    1. Geef op hoofdlijnen weer op welke manier zenuwweefsel signalen
        vervoert en overdraagt aan andere cellen. 
    Zintuiglijke signalen worden naar de hersenen vervoerd, daar verwerkt en vervolgens in een reactie omgezet naar spieren, klieren of andere zenuwcellen. Overdracht van signalen van zenuwcel op spiercel, kliercel of andere zenuwcel vindt plaats met behulp van chemische stofjes. In grote hoeveelheden opeengepakt bevindt het zenuwweefsel zich in het centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg). Lange uitlopers ervan (de zenuwen) inden we terug in alle weefsels, op kraakbeen na. 
  • Vraag 62 lesstof 2-26
    In welk weefsel inden we geen (uitlopers van) zenuwweefsel?
    Kraakbeen.
  • (blauw) vraag 2.5.1.
    1. Geef aan wat de grens is tussen borst- en buikholte.
    2. Benoem alle romporganen en geef aan of deze in de borstholte, buikholte
        of in het bekken liggen. 
    1. De grens tussen borst- en buikholte wordt gevormd door het
        koepelvormige middenrif. 

    2. Organen die liggen in de borstholte zijn:
        - longen
        - mediastinum (het gebied in de borstholte tussen de longen), met daarin
           de volgende organen:
            * hart, aorta en bovenste holle ader
            * slokdarm
            * luchtpijp
            * zwezerik

        Organen die liggen in de buikholte zijn:
        - lever en galblaas
        - maag
        - milt
        - twaalfvingerige darm
        - dunne darm
        - dikke darm
        - alvleesklier
        - nieren
        - aorta en onderste holle ader

        Organen die in het bekken liggen:
        - baarmoeder, eierstokken en eileiders (alle op de grens van buik en bekken)
        - blaas
        - endeldarm
        - prostaat
  • (groen) vraag 2.5.2.
    1. Wat wordt verstaan onder een hol orgaan?
    2. Geef op hoofdlijnen aan hoe een hol orgaan is opgebouwd.
    3. Geef een aantal voorbeelden van een hol orgaan. 
    1. Een hol orgaan is een orgaan dat ruimte heeft voor opslag, verwerking en
        transport van voedingstoffen of vloeistoffen.

    2. Het hol orgaan bekeken van buiten naar binnen:
        1. bindweefsel: - losmazig bindweefsel als het orgaan tamelijk vast ligt
                                     ingebed.
                                  - mesotheel als het orgaan of de structuur vrij moet kunnen
                                     bewegen. 
        2. gladspier weefsel: lengte spierweefsel
        3. gladspier weefsel:kringspierweefsel
        4. bindweefsel
        5. dekweefsel: slijmvliesepitheel met daarin slijmvliesklieren
                                 endotheel voor hart, bloed- en lymfevaten

    3. Voorbeelden van een hol orgaan zijn:
        luchtwegen, maag, galblaas, galwegen, hart, blaas, baarmoeder, darmen,
        urineleiders, ei- en zaadleiders, bloed- en lymfevaten.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

2.2.1. Wat wordt verstaan onder de tussencelruimte (intercellulaire ruimte)?Wat bevindt zich in deze tussencelruimte?
6
Vraag 4 lesstof 2-8:Op welke manieren kan een cel geïnformeerd worden over de actuele behoeften van het lichaam?
6
vraag 5 lesstof 2-8Noem de orgaanstelsels die zorgen voor:1. uitscheiding van afvalstoffen en CO22. vervoer van voedingsstoffen3. opname van benodigde stoffen uit de buitenwereld4. regulatie van de lichaamsfuncties
6
vraag 10 lesstof 2-8Noem twee manieren waarop een cel een stof kan opnemen of juist uitscheiden.
6
Pagina 1 van 123