bvj 4b havo

by (5th)
131 Flashcards en notities
2 Studenten

Studeer slimmer met eFaqt samenvattingen

  • Beschikbaar voor computer, tablet, telefoon en op papier
  • Vragen met antwoorden over de leerstof
  • Ongelimiteerde toegang tot 300.000 online samenvattingen
  • Tools voor slim studeren & timers voor betere resultaten

Bekijk deze samenvatting

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - bvj 4b havo

  • 6.1 regelkringen en homeostase

  • je lichaamstemperatuur is ongeveer 37°C. dit is de normwaarde. de temperatuur blijft constant door regelkringen in je lichaam die zorgen voor warmteproductie als je afkoelt of door warmteafgifte als je lichaamstemperatuur stijgt.
  • zintuigcellen zijn de sensoren die verandering van de normwaarde in een organisme waarnemen. ze kunnen dan een signaal geven aan de hormoonklieren en zenuwcellen. dit zijn de controlecentra die de signalen verwerken en communiceren met verschillende weefsels en organen om de normwaarde te handhaven. het inwendige milieu van een organisme blijft hierdoor min of meer constant. dit noemen we homeostase. het handhaven van homeostase vind meestal plaats door regelkringen met negatieve terugkoppeling.
  • wat is homeostase?
    zintuigcellen zijn de sensoren die de verandering van de normwaarde kunnen waarnemen. Ze kunnen dan een signaal geven aan de hormoonklieren en zenuwcellen. dit zijn de controlecentra die de signalen verwerken en communiceren met verschillende weefsels en organen om de normwaarde te handhaven. het inwendige milieu blijft zo min of meer constant. Dit proces heet homeostase
  • 6.3 het zenuwstelsel

  • het zenuwstelsel bestaat uit het centrale zenuwstelsel en het perifere zenuwstelsel.
  • het perifere zenuwstelsel bestaat uit zenuwen. De zenuwen verbinden het centrale zenuwstelsel met alle delen van het lichaam
  • het centrale zenuwstelsel bestaat uit de grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg.
  • een prikkel is een invloed uit het milieu op een organisme
  • onder invloed van prikkels ontstaan impulsen. Dit zijn een soort elektrische signalen. Impulsen ontstaan in de zintuigcellen. Zintuigcellen worden receptoren genoemd. Ze vangen prikkels op en zetten het om in impulsen.
  • doordat zenuwcellen impulsen geleiden, worden zenuwcellen conductoren genoemd.
  • spieren reageren op impulsen door samen te trekken of te ontspannen. klieren reageren op impulsen door stoffen af te scheiden. Spiercellen en kliercellen worden effectoren genoemd
  • leg uit: wat zijn prikkels, impulsen, receptoren, conductoren en effectoren?
    prikkels zijn invloeden uit het milieu op een organisme. Onder invloed van prikkels ontstaan in je zintuigcellen impulsen. Dit zijn een soort elektrische signalen. Receptoren zijn de zintuigcellen. Conductoren zijn de zenuwcellen die impulsen geleiden. Effectoren zijn de organen die reageren op de impulsen.
  • wat doen zintuigcellen?
    Die vangen prikkels op uit het milieu en zetten deze om in impulsen
  • het zenuwstelsel bestaat uit zenuwcellen (neuronen). Zenuwcellen geven signaalmoleculen af die we neurotransmitters noemen. Een zenuwcel is opgebouwd uit een cellichaam met uitlopers.
  • in het cellichaam bevinden zich de kern en het grootste deel van het cytoplasma met mitochondriën, ribosomen en ER.
  • uitlopers van bepaalde zenuwcellen zijn omgeven door een myelineschede. deze bestaan uit cellen van Schwann. Tussen de twee opeenvolgende cellen van Schwann zit een kleine onderbreking, een insnoering.
  • zenuwcellen kunnen impulsen ontvangen en doorgeven. Een uitloper die impulsen ontvangt en naar het cellichaam toe geleidt, heet een dendriet. Een uitloper die impulsen van het cellichaam af geleidt heet een axon (of neuriet). De uiteinden van dendrieten en axonen zijn meestal sterk vertakt. hierdoor kan een zenuwcel contact hebben met veel andere cellen.
  • de vertakkingen van een axon eindigen in synapsen. Dat zijn plaatsen waar een impuls van de ene cel naar de andere cel wordt doorgegeven. Een synaps is een spleet tussen het uiteinde van een axon van een zenuwcel en een doelwitcel.
  • Wanneer een impuls aankomst in het uiteinde van een axon, versmelten blaasjes met neurotransmitters in het uiteinde van dit axon met het celmembraan waardoor d inhoud in de synaptische spleet wordt vrijgelaten. De neurotransmitters binden zich vervolgens aan receptoren in het membraam van de doelwitcel en kunnen daardoor een reactie in deze cel in gang zetten of stoppen. Hierna laten de neurotransmitters los en worden ze weer door het axon opgenomen of door enzymen in de synaptische spleet.  
  • er zijn drie typen zenuwcellen: gevoelszenuwcellen, schakelcellen en bewegingszenuwcellen
  • gevoelszenuwcellen geleiden impulsen van zintuigcellen naar het centrale zenuwstelsel. Een gevoelszenuwcel heeft één lange dendriet en een korte axon.
  • schakelcellen geleiden impulsen binnen het centrale zenuwstelsel. Schakelcellen kunnen impulsen ontvangen van gevoelszenuwcellen en deze doorgeven aan bewegingszenuwcellen.
  • bewegingszenuwcellen geleiden impulsen van het centrale zenuwstelsel naar klieren en spieren. een bewegingszenuwcel heeft meerdere korte dendrieten en één lang axon
  • wat zijn neurotransmitters?
    signaalmoleculen die worden afgegeven door zenuwcellen
  • wat zijn dendrieten en axonen?
    een dendriet is een uitloper die impulsen ontvangt en naar het cellichaam toe geleidt, een axon leidt impulsen van het cellichaam af
  • hoe wordt een impuls van de ene cel naar de andere cel doorgegeven?
    de vertakkingen van axonen eindigen in synapsen. Hier worden de impulsen doorgegeven naar een andere cel. Een synaps is een spleet tussen het uiteinde van een axon van een zenuwcel en een doelwitcel. Wanneer een impuls aankomt in het uiteinde van een axon, versmelten blaasjes met neurotransmitters in het uiteinde van dit axon met het celmembraan waardoor de inhoud in de synpatische spleet wordt vrijgelaten. De neurotransmitters binden zich vervolgens aan receptoren in het membraan van de doelwitcel en kunnen daardoor een reactie in deze cel in gang zetten of stoppen. Hierdoor kunnen impulsen worden doorgegeven.
  • welke 3 typen zenuwcellen zijn er en wat doen ze?
    • gevoelszenuwcellen: geleiden impulsen van zintuigcellen naar het centrale zenuwstelsel
    • schakelcellen: geleiden impulsen binnen het centrale zenuwstelsel. Ze kunnen impulsen ontvangen van gevoelszenuwcellen en doorgeven aan bewegingszenuwcellen
    • bewegingszenuwcellen: geleiden impulsen van het centrale zenuwstelsel naar spieren en klieren.
  • de uitlopers van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen liggen bij elkaar in zenuwen.
  • er zijn 3 typen zenuwen: gevoelszenuwen, bewegingszenuwen en gemengde zenuwen.
  • een gevoelszenuw bevat allen uitlopers van gevoelszenuwcellen. een bewegingszenuw bevat alleen uitlopers van bewegingszenuwcellen. Gemengde zenuwen bevatten zowel uitlopers van gevoelszenuwcellen als van bewegingszenuwcellen.
  • wat beschermt een zenuw?
    de laag bindweefsel eromheen
  • Het ruggenmerg ligt goed beschermd in het wervelkanaal, dat wordt gevormd door de gaten in de op elkaar liggende wervels. Om het ruggenmerg heen liggen drie ruggenmergsvliezen die bescherming bieden. Het ruggenmerg loopt vanaf de bovenste halswervel tot aan de tweede lendenwervel. Van de halswervels tot aan het staartbeen verlaten 31 paar ruggenmergszenuwen het wervelkanaal.
  • aan de rugkant komen uitlopers van gevoelszenuwcellen bij elkaar in gevoelszenuwen. De verdikkingen in deze zenuwen worden gevormd door een opeenhoping van cellichamen van gevoelszenuwcellen. Ze heten ruggenmergzenuwknopen of spinale ganglia. De cellichamen in de ganglia zijn door axonen verbonden met het ruggenmerg

  • de ruggenmerg: in het buitenste gedeelte ligt de witte stof. Hierin liggen veel uitlopers van schakelcellen. Ze geleiden impulsen van en naar de hersenen, dus omlaag en omhoog. De witte kleur wordt veroorzaakt door de myelinescheden die om de uitlopers heen liggen. In het midden bevindt zich een vlindervormig gedeelte dat donkerder van kleur is, dit wordt de grijze stof genoemd. In het midden en aan de rugzijde in de grijze stof liggen de cellichamen van schakelcellen. Aan de buikzijde liggen de cellichamen van bewegingszenuwcellen
  • wat doen ruggenmergsvliezen?
    die bieden bescherming voor het ruggenmerg
  • wat zijn ruggenmergszenuwknopen of spinale ganglia?
    Aan de rugkant van de ruggenmerg komen uitlopers van gevoelszenuwcellen bij elkaar in gevoelszenuwen. De verdikkingen in deze zenuwen worden gevormd door opeenhoping van cellichamen van gevoelszenuwcellen. dit zijn spinale ganglia of ruggenmergszenuwknopen
  • de hersenen bestaan uit de grote hersenen, de kleine hersenen en de hersenstam
  • 12 paar hersenzenuwen verbinden de hersenen met receptoren en effectoren in hoofd en hals
  • de hersenen zijn omgeven door drie hersenvliezen. Deze beschermen de hersenen

  • in de schors (het buitenste gedeelte) van de grote en kleine hersenen ligt de grijze stof. Hierin liggen cellichamen van schakelcellen. In het merg (binnenste gedeelte) ligt de witte stof. Hierin liggen de uitlopers van schakelcellen.
  • de hersenstam ligt in het verlengde van het ruggenmerg, Ze geleidt impulsen van het ruggenmerg naar de grote en kleine hersenen en omgekeerd. Op de overgang van ruggenmerg naar hersenstam kruisen de impulsbanen zich waardoor impulsen van de rechterkant van het lichaam naar de linkerhersenhelft worden geleidt en van de linkerkant van het lichaam naar de rechterhersenhelft.
  • in de grote hersenen komen zeer veel impulsen aan van receptoren die prikkels hebben opgevangen. Pas als deze impulsen zijn verwerkt in de grote hersenen word je je bewust van een prikkel. De plaats waar impulsen in de grote hersenen aankomen en worden verwerkt, bepaalt de aard van de waarnemingen die je doet.
  • de cellichamen van de schakelcellen liggen in groepen bij elkaar in de hersenschors: de hersencentra. de linkerhersenhelft heeft een gevoelscentrum en een bewegingscentrum voor alle lichaamsdelen aan de rechterkant van het lichaam en andersom
  • de meeste gevoelscentra liggen bij elkaar in de hersenschors achter de centrale groeve. In een gevoelscentrum worden binnenkomende impulsen verwerkt. In het centrum voor zien (gezichtscentrum) komen bv impulsen aan die afkomstig zijn van je ogen.
  • de meeste bewegingscentra liggen bij elkaar in de hersenschors vóór de centrale groeve. Een bewegingscentrum voor een bepaald lichaamsdeel ligt vlak voor het gevoelscentrum voor dat lichaamsdeel.
  • de kleine hersenen coördineren alle bewegingen van je lichaam.
Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

wat is homeostase?
1
leg uit: wat zijn prikkels, impulsen, receptoren, conductoren en effectoren?
1
wat doen zintuigcellen?
1
wat zijn neurotransmitters?
1
Pagina 1 van 10