Samenvatting anatomie en fysiologie

-
267 Flashcards en notities
36 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "anatomie en fysiologie". De auteur(s) van het boek is/zijn martini. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - anatomie en fysiologie

  • 1 neuronale communicatie

  • oligodendrocyten
    productie van myeline in het centrale zenuwstelsel. Schwann cellen doen dit in het perifere zenuwstelsel. 
  • MS
    conductie van het signaal in de zenuwcellen is aangedaan door ontstekingen in myeline laag
  • ependymal cellen
    bekleden het centrale kanaal en de ventrikels, waarbij ze een epitheel vormen (ependyma)
  • astrocyten
    grootste en meest voorkomende neuroglia cellen in het centrale zenuwstelsel. zorgen voor de blood-brain barrière. herstellen beschadigingen en zorgen voor neuronale ontwikkeling en voeding
  • microglia cellen
    minst aanwezig en kleinst. zorgen voor fagocytose in het centrale zenuwstelsel
  • satelliet cellen
    aanwezig in periferie en zitten om neuron cellichamen heen in ganglia. reguleren de omgeving van de neuronen
  • chemische gradiënt
    doordat er meer K ionen zijn, zullen ze naar buiten stromen. geldt ook voor Na andersom. beweging door concentratie gradiënt. 
  • elektrische gradient
    K verlaat cytoplasma sneller dan dat Na binnenkomen, doordat het lama membraan meer permeabel is voor K dan voor Na. hierdoor gaan meer positieve ionen de cel uit dan er in komen, dus een negatief rust membraan potentiaal. doordat K + is, willen die weer naar binnen stromen. dit is de elektrische gradiënt van kalium. Na stroomt al naar binnen, dus die heeft een elektrische en chemische gradiënt dezelfde kant op --> elektrochemische gradiënt  
  • absoluut refractaire periode
    duurt van periode 2 t/m einde periode 3. dus de depolarisatie en de repolarisatie. de hyperpolarisatie maakt deel uit van de relatieve refractaire periode. 
  • spatiale summatie
    meerdere presynaptische elementen zorgen voor stimuli die kleine depolarisaties veroorzaken in het post synaptisch element
  • temporale summatie
    meerdere stimuli worden afgegeven door 1 presynaptisch element en zorgen voor kleine depolarisaties in het post synoptisch element
  • continous conduction
    transporteren van een actiepotentiaal in een axon dat niet gemyeliniseerd is
  • saltatory conduction
    transporteren van een actiepotentiaal in een gemyeliniseerd axon. via de knopen van Ranvier (geen myeline aanwezig en wel kanalen). 
  • typen neurotransmitters
    aminozuren (snelle transmissie: glutamaat en GABA), biogenische amines (serotonine, (nor)adrenaline, acetylcholine en dopamine), neuropeptides (zowel snel als langzaam)
  • glutamaat
    exciterende neurotransmitter - zorgt voor demoralisatie van de cel
    40% van de neuronen. gemaakt uit glutamine (afkomstig van een gliacel).
  • GABA 
    inhibitor neurotransmitter - zorgt voor hyperpolarisatie van de cel
    30% van de neuronen. aangemaakt door glutamaat (wordt omgezet door een enzym). alle GABA neuronen kunnen glutamaat neuronen zijn, maar glutamaat neuronen kunnen geen GABA produceren als zij het enzym dat glutamaat om kan zetten in GABA niet hebben. 
  • EPSP
    exciterend post synaptisch potentiaal. dit is een post synaptisch effect, wat een exciterend effect heeft, waarbij het neuron gedepolariseerd wordt. door infuus van Na
  • IPSP
    inhiberend post synaptisch potentiaal. dit is een post synaptisch effect, wat een inhalerende werking heeft, waarbij het neuron gehyperpolariseerd wordt, door het onderdrukken van een neuron door een influx van chloride.
  • 3 soorten glutamaat receptoren
    1. AMPA receptor: binding aan glutamaat laat Na naar binnen. zorgt voor de snelle synaptische transmissie in het centrale zenuwstelsel.
    2. NMDA receptor: binding laat Ca naar binnen. zorgt voor synaptische plasticiteit en geheugen functies
    3. Kainate receptor: binding laat Na naar binnen. zorgt voor een EPSP
  • cel dood (excitotoxity)
    te veel stimulatie van glutamaat zorgt voor teveel excitatie. te veel Ca (door hyperactief NMDA receptoren) activeert enzymen, zorgt voor productie van vrije radicalen en induceert apoptose. 
  • hersenbloeding
    overmaat aan glutamaat, omdat het omliggende weefsel (=prenumbra) dood gaat. behandeling door NMDA antagonisten en Ca blokkers`
  • Ziekte van Huntington
    verlies van neuronen in het striatum doordat er te veel glutamaat wordt vrijgelaten door de cortex
  • amyotrofische laterale sclerose (ALS):
    afsterven van motor neuronen in de cortex en in het ruggenmerg
  • typen GBA receptoren
    • GABA-A
    • GABA-B
    • kan uit verschillende sub onderdelen bestaan. 
    • binding zorgt voor een influx van Cl en dus voor een IPSP
  • allosterische modulatoren
    binden op andere plaatsen dan waar het oorspronkelijke ligand zou binden
  • barbiturates
    allosterische modulatoren en zorgen voor een langere openingstijd van GABA kanalen (geen effect op de frequentie). vervangen door benzodiazipines
  • benzodiazipines
    allosterische modulatoren en zorgen voor een hogere frequentie van het openen van het GABA kanaal (geen effect op de openingstijd). 
  • neurosteroïden
    verhogen zowel de frequentie als de tijd van het openen van de GABA kanalen. gebruikt als sedatieve, hypnotische en axiolyticym (remt angst en onrust) drugs.
  • ionotrofische receptoren
    ligand-gated receptoren. LGIC, GABA en glutamaat receptoren. snelle neurotransmissie
  • metabotrofische receptoren
    G-eiwit gekoppelde receptoren (GPCR). transmissie via een intermediair eiwit: G-eiwit. conformatie verandering bij binding ligand. G eiwit heeft drie onderdelen: alfa, beta en gamma. in inactieve staat heeft het alfa deel een GDP gebonden. wanneer de receptor geactiveerd wordt, wordt het G eiwit geactiveerd, doordat het alfa onderdeel GDP->GTP omzet. dit zorgt ervoor dat het alfa onderdeel weggaat. beide delen van het G eiwit (alfa en beta+gamma) kunnen andere eiwitten activeren. 
  • lange termijn effect van G protein coupled receptors
    G eiwit kan adenyl cyclase activeren (Target eiwit) dat vervolgens cAMP (second messenger) produceert. dit activeert PKA, die vervolgens CREB fosforyleert. dit is een transcriptiefactor en reguleert de genexpressie van genen die coderen voor eiwitten die de signaal transmissie beïnvloeden
  • GPCR en LGIC zitten presynaptisch, post synaptisch en extra synaptisch:
    • pre synaptisch: moduleren en vrijlaten van presynaptische neurotransmitters
    • postsynaptisch: snelle synaptische transmissie
    • extra synaptisch: moduleren postsynaptische responsen
  • wat voor kanalen heeft glutamaat allemaal?
    LGIC: NMDA AMPA, kainate
    GPCR: mGluR
  • wat voor kanalen heeft GABA allemaal?
    LGIC: GABAa, GABAc
    GPCR: GABAb
  • wat voor kanalen heeft acetylcholine allemaal?
    LGIC: nictonine alfa, beta, gamma, delta, epsilon
    GPCR: muscarine (MI-4)
  • wat voor kanalen heeft serotonine allemaal?
    LGIC: 5-HT3
    GPCR: 5-HT1,2,4-7
  • wat voor kanalen hebben (nor)adrenaline?
    GPCR: alfa1-2, beta1-3
  • wat voor kanalen heeft dopamine allemaal?
    GPCR: D1-5
    eiwitten hebben ook veel GPCR
  • presynaptische inhibitie
    GABA inhibeert de opening van voltage-gated calcium kanalen in het presynaptisch element.
  • presynaptische facilitatie
    serotonine bindt presynaptisch, waardoor de voltage-gates calcium kanalen langer open staan. 
  • acetylcholine (Ach) transmissie
    vindt plaats in de motor neuronen in het ruggenmerg en ook in de meeste neuronen in het autonoom zenuwstelsel. gemaakt uit choline en acetyl CoA en vervolgens vrijgelaten door het fuseren van blaasjes met het membraan. bindt postsynaptisch aan zijn receptor en wordt afgebroken door acetylcholinesterase in acetaat en choline. choline kan heropgenomen worden presynaptisch.
  • nicotine receptoren (nAChR)
    acetylcholine receptor. ligand-gated ion kanalen en zitten vooral in het perifere zenuwstelsel. 
  • muscarine receptoren (mAChR)
    acetylcholine receptor.G-eiwit gekoppelde receptoren vooral in het centrale zenuwstelsel. 
  • Ach produceert
    lange termijn synaptische veranderingen (facilitatie) in de cortex en hippocampus. neuronen hier worden gevoeliger voor excitatoire inputs. ook betrokken bij leer en geheugen processen tijdens je slaap. 
  • behandeling van Alzheimer
    met cholinesterase inhibitors (Donezepil en neostigmine)
  • (nor)adrenaline transmissie
    vindt plaats in sommige neuronen van het autonoom zenuwstelsel. worden beide gemaakt uit tyorsine -> omgezet in dopamine. dopamine omgezet in noradrenaline. bindt aan G-gekoppelde receptoren en betrokken bij opwinding en slaap. in de locus corelus zijn neuronen minder actief tijdens slaap en meer bij opwinding. zorgt voor inhibitie van pijn, doordat ze het vrijlaten van presynaptische excitatoire neurotransmitters van een nocireceptor (pijn receptor) tegen gaan
  • serotonine transmissie
    vooral in de hersenstap (dorsale raphe nuclei). wordt gemaakt uit tryptofaan en bindt aan 5-HT3 ligand-gated ion kanaal (snelle transmissie voor pijn) of aan andere 5-HT receptoren (G eiwit gekoppeld). betrokken bij: slaap, pijn, biologische klok (serotonine is precursor van melatonine in epifyse)
  • tricyclis antidepressant
    serotonine is betrokken bij stemmingsaandoeningen. tricyclis antidepressant blokkeert het heropenen van serotonine (dopamine en nor-adrenaline), waardoor transmissie verhoogt wordt van monoamines
  • selectieve serotonine reuptake inhibitors
    SSRIs; prozac blokkeren alleen serotonine, waardoor transmissie van alleen serotonine wordt verhoogd.
  • dopamine transmissie
    80% van alle dopamine neuronen aanwezig in de pars compact van de substantia nigra (SNpc). deze neuronen projecteren naar het striatum. dopamine gemaakt uit tyrosine en kan dan binden aan bijvoorbeeld D2 (inhibitor dopamine receptor in de VTA, target voor Parkinson, G gekoppeld)
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

oligodendrocyten
6
MS
6
ependymal cellen
6
astrocyten
6
Pagina 1 van 67