Omgaan met patient/client en anderen binnen de beroepssituatie

by (2004)
ISBN-10 9041504842 ISBN-13 9789041504845
182 Flashcards & Notes
16 Students

Study smarter with eFaqt summaries

  • Available on desktop, tablet, mobile & print
  • Questions with answers about the material
  • Access to 300 000 online summaries
  • Smart study features & timers for more results

Get this summary

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Samenvatting - Omgaan met patient/client en anderen binnen de beroepssituatie

  • 1 menselijk gedrag

  • Wat is socialisatie?
    De overdracht van de in een cultuur heersende normen en waarden, kennis, opvattingen en gewoonten.
  • Welke ontwikkelingsfasen heeft een mens?
    Prenatale ontwikkeling: Al voor de geboorte spelen aanleg en omgeving beide een tol. Behalve het erfelijk materiaal is ook de geestelijke en lichamelijke conditie van de moeder verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het kind. Tijdens de eerste maanden van de zwangerschap is het kind gevoelig voor chemicaliën en drugs, zoals cafeïne, nicotine en alcohol.  
    Reflexen: Een baby heeft al een aantal noodzakelijke vaardigheden zoals: horen, zien, ruiken, proeven, en reageren op aanraking.
    Sociaal wezen: De mens is een sociaal wezen. Je hebt de behoefte om dicht bij mensen te zijn. Vooral bij een baby is dit heel belangrijk voor de ontwikkeling. Met name op emotioneel gebied en voor de veiligheid. Maar eigenlijk is het voor de gehele ontwikkeling goed.
    Ik tijdperk: Van de peuter-/kleuterleeftijd. 2 tot 4 jaar. Ze ontdekken dan wie ze zelf zijn
    Egocentrisch: Het leven begrijpen van uit hun eigen positie. Ze gaan er dan bijvoorbeeld vanuit dat wat zij mooi vinden een ander ook mooi vind
    Taalontwikkeling: Bij peuters, ze leren iedere dag nieuwe woorden en de zinnen worden daardoor steeds langer.
    Identiteit: Het ontwikkelen van je eigen ik en mogelijkheden. Je wereld wordt steeds groter.
    Opvoedingsgedrag: Het gedrag dat je als ouder overdraagt aan je kind. Leg je als ouder veel uit aan je kind heb je meestal gelukkige en sociaal vaardige kinderen. Geef je veel toe in je opvoeding , leren kinderen niet om hun gedrag onder controle te houden. Ga je over tot lichamelijke leer je je kind dat het met agressie iets bereikt. Kindermishandeling is een moeilijk sociaal probleem en op basis van de omgang een niet te onderschatten probleem.
    Fijne motoriek: Je krijgt er als basisschool kind steeds meer controle over. Het schrijven, tekenen en knutselen gaat steeds beter. De spieren worden sterker, sneller en de bewegingen worden steeds beter gecoördineerd. En ze kunnen daardoor ook beter nieuwe sporten gaan beoefenen zoals: muziekinstrument bespelen, skiën, zwemmen en ballet dansen.
    Taakhouding: lezen, schrijven en rekenen leert een westers kind op de basisschool. Om deze vaardigheden te leren moet je een bepaalde taakhouding hebben. Zoals het langer kunnen concentreren op een schoolse taak en daarvoor ook geïnteresseerd te blijven.
    Adolescentie: is de periode van 12 tot en met 18 jaar. Waarin een meisje uitgroeit tot vrouw en een jongen tot man.
    Puberteit: de eerst fase van de adolescentie waarin voor de lichamelijke groei en seksuele rijping centraal staan. De groeispurt is het eerst zichtbaar aan het hoofd, handen en voeten. Daarna pas de armen en benen en de romp als laatste. Hierdoor kan een puber wat 'uit verhouding' zijn en zich hierdoor erg onzeker over voelen. De meisjes beginnen gemiddeld op hun 11e met groeien en zijn gemiddeld op hun 16e uitgegroeid. De jongens beginnen gemiddeld op hun 13e met groeien en zijn gemiddeld op hun 18e uitgegroeid.
    Abstract denken: Dat je nadenkt over dingen die je niet met het blote oog kunt zien, maar er wel over kunt nadenken. De bredere wereld met al de problemen komt in de belangstelling: milieu, oorlog en rassendiscriminatie. In het beging van de adolescentie is het moeilijk voor een kind om hier flexibel mee om te gaan. Ze denken vaak zwart-wit of volgens schema's.
    Ontwikkeling van eigen identiteit: ik ben dezelfde ik, zowel thuis als op school als in de omgang met leeftijdsgenoten. Jongeren moeten een antwoord vinden op de vraag 'Wie ben ik?' en daaruit voortvloeiend: 'Wat wil ik? Wat kan ik? Wat vind ik?'
    Experimenteren: uit proberen wie jezelf bent en wat je allemaal kan. Je moet  wel het gevoel hebben dat je ergens bij hoort. En leren om op eigen benen te staan. Eigen keuzes maken.
    Intimiteit-isolatie: is de tijd van jongvolwassenen tot ongeveer 40 jaar. Het is belangrijk om te weten wie je bent en dat je uniek bent en het unieke in de medemens te ontdekken.
    Generativiteit-stagnatie: om iets te creëren dat je na de dood blijft voortbestaan en wordt doorgegeven aan de volgende generatie. Maar ook met werkprestaties, bezittingen of creatieve prestaties te maken hebben.
    Midlife crisis: er komen dan vele vragen aan de orde of je alles wel goed hebt gedaan in het leven. Er kunnen ook twijfels ontstaan of teleurstellingen die kunnen lijden tot emotionele crisis.
    Lege-nestsyndroom: daar krijgen vaak moeders mee te maken als hun kinderen de deur uitgaan. De moeders moeten gaan veranderen, daardoor voelen ze zich neerslachtig en vervelen zich. Ze moeten hun energie ergens anders in gaan steken.
    Integriteitwanhoop: als het einde van je leven nadert en je gaat kijken wat je allemaal in het leven hebt. En je bijvoorbeeld teleurgesteld bent omdat er iets in je leven is waar je niet tevreden over bent ontstaat een gevoel van wanhoop. Het is dan moeilijk om de dood te accepteren, want de laatste kans om nog iets van je leven te maken wordt er door ontnomen
  • Wat zijn waarden?
    Datgene wat waardevol en nastrevenswaardig is. B.v. het hechten aan veiligheid.
  • waarin verschilt de manier van denken van peuters en kleuters met de manier waarop volwassenen denken?
    Peuters en kleuters denken egocentrisch
  • Waar bestaat immaterieel cultuurgoed uit?
    Normen en waarden vormen samen met kennis, opvattingen en gewoonten het geestelijke immateriële erfgoed
  • Welke 8 levensfasen zijn er volgens Erikson?
    Hechting
    Controle verwerven
    Doelbewust worden, leren gericht te handelen
    Ontwikkelen van sociale, fysieke en cognitieve vaardigheden
    Identiteitsontwikkeling
    Liefdes- en vriendschapsbanden
    Zorg voor komende generaties
    Terugblikken en accepteren
  • Wat zijn normen?
    Gedragsregels die horen bij waarden. B.v. wij hechten waarde aan kleding en koppelen hier gedragsregels aan. 
  • Welke reflexen heeft een baby?
    Zoek-, zuig-, slik-, loop-, grijp- en mororeflex
  • Wat wordt er verstaan onder het geestelijke (immateriele) cultuurgoed?
    Normen en waarden vormen samen met kennis, opvattingen en gewoonten het geestelijk (immateriele) cultuurgoed.
  • Welke cultuurverschillen zijn er?
    Individu (ik gericht, autochtoon) en groep (wij gericht, allochtoon)
    machtsongelijk maar wel gelijkwaardig of machtsongelijk en ongelijkwaardig
    mannelijk (hard/assertief) of vrouwelijk (teder/zorgzaam)
    statisch (vasthouden aan tradities) of dynamisch (tradities kunnen worden aangepast)

    Nederland kent een ikcultuur. De persoonlijke ontwikkeling en de iegen wensen en keuzes staan centraal. In wijculturen is men in de eerste plaats lid van een familiegroep. De groep bepaalt het individuele gedrag. Afwijken van wat door de groep als norm wordt gesteld leidt tot aantastingen van de familie-eer. 

    De nederlandse samenleving is een multiculture samenleving bestaande uit autochtonen ( van oorsprong nederlanders) en allohtonen ( afkomstig uit andere landen).
  • Wat zijn kenmerken van de kleuter/peutertijd?
    Ze worden steeds zelfstandiger en ontdekken meer, het ik tijdperk en de nee-fase breken aan.Ze denken egocentrisch, ze begrijpen het leven alleen vanuit hun eigen positie. Taalontwikkeling en het ontdekken van hun eigen identiteit. Ze spelen in- en met de groep.
  • Wat betekent socialisatie?
    De overdracht van de in een cultuur heersende normen en waarden, kennis, opvattingen en gewoonten. 
  • Welke afwijkende gedragsvormen zijn er?
    -ADHD (attention deficit hyperactivity disorder) hyperactiviteit

    Agressiviteit (kan duiden op gebrek aan veiligheidsgevoel, angst of gebrek aan aandacht)

    -Depressiviteit (neerslachtigheid, somberheid, uitzichtloos en voor een langere tijd)

    -Vandalisme (opzettelijk beschadigen van spullen of een ander of van de gemeenschap)

    -Verslaving

    -Dementie (geheugenverlies, desoriëntatie, persoonlijkheidsveranderingen, decorumverlies, anderen verantwoordelijk stellen)

    -Afasie (beschadigd hersenweefsel, stoornis in begrijpen en uiten van taal ( moeite hebben met het vinden van de juiste woorden)

    -Anorexia ( meisjes die heel weinig eten veel te laag gewicht).
  • Wat zijn kenmerken van de basisschool leeftijd?
    - Ontwikkeling fijne motoriek
    - Taakhouding aanmeten
    - Leren zich te verplaatsen/inleven in een ander (ontwikkelen geweten)
    - Verantwoordelijk voor de gevolgen van je eigen gedrag
    - Leren door de omgang met de groep.
  • Door wat wordt het gedrag van de mens bepaald?
    Door omgevingsfactoren en aanlegfactoren.
  • Wat zijn kenmerken van de adolescentie?
    Het is de periode tussen de 12 en de 18 jaar waarin een meisje uitgroeit tot een vrouw en een jongen tot een man. De puberteit is de eerste fase van deze ontwikkeling, gevolgd door een groeispurt en de seksuele rijping. Ze kunnen nu ook abstract denken, ze ontwikkelen hun eigen identiteit. Ze gaan experimenteren om hun grenzen op te zoeken en er achter te komen wat ze zelf willen en kunnen. Ze zijn kritisch naar de groep toe.
  • Wat is psychologie?
    De wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van het individuele gedrag van de mens.
  • Waar kan afwijkend gedrag door veroorzaakt worden?
    Door aanleg; verstandelijke, motorische, zintuigelijke of sociaal emotionele handicaps.
    Door omgeving; oorlogs- of huiselijk geweld, incest of verwaarlozing.
  • Wat is gehechtheid?
     En waarvoor is het belangrijk?
    Gehechtheid is de emotionele band die een baby voelt met de verzorgers doordat hij interactie met hen heeft. Deze band is belangrijk om het kind een gevoel van veiligheid te geven en om te zorgen voor een goede emotionele ontwikkeling.
  • Benoem de ontwikkelingsfasen die in dit hoofdstuk aan de orden zijn geweest en geef daarbij tenminste drie kenmerken voor de betreffende fase.
    1.De eerste levensjaren: volledige afhankelijkheid van de zorg van volwassenen, noodzakelijke vaardigheden als reflexen, opnemen van informatie uit zijn omgeving.
    2. De peuter/kleuterleeftijd: intensieve ontwikkeling op lichamelijk, psychisch en sociaal-emotioneel gebied, het ik-tijdperk (nee-fase), echocentrisch denken.
    3. De basisschoolleeftijd: controle over fijne motoriek, eigen maken van een taakhouding, ontwikkeling van het geweten.
    4. Adolescentie: lichamelijke groei en seksuele rijping, toegenomen vermogen om abstract te denken, ontwikkeling van eigen identiteit, experimenteren.
    5. Jong volwassenheid: behoefte om intieme relaties met anderen aan te gaan, vriendschap, diepere gevoelens voor anderen kunnen koesteren, het unieke van andere personen te kunnen zien en waarderen.
    6. Middelbare leeftijd: doorgeven aan het nageslacht van werkprestaties, bezittingen of creatieve prestaties, ouders krijgen meer tijd voor elkaar, verandering ouder-kindrelatie.
    7. Latere levensjaren: grootouder worden, pensionering, dood van mensen van je eigen generatie.
  • normen en waarden
    normen zijn gedragsregels die bij horen bij waarden. Wij hechten waarde aan kleding en koppelen hier gedragsregels aan.
  • Welke mijlpalen kunnen er nog plaatsvinden in de ontwikkeling van een volwassene?
    De mijlpalen in het leven van een volwassenen zoals trouwen, kinderen krijgen, grootouder worden en met pensioen gaan vinden niet voor iedereen plaats en zijn ze niet meer zo afhankelijk van een bepaalde leeftijd of lichamelijke rijping. In het volwassen leven zijn nog de volgende ontwikkelingen aan te merken; jong volwassen, middelbare leeftijd en ouderdom.
  • Geef kenmerken van de eerste levensjaren + uitleg.
    1. Het hebben van belangrijke reflexen: belangrijk om te overleven.
    2. Het in staat zijn om informatie uit zijn omgeving op te nemen: doordat hij al kan zien, horen, ruiken, proeven en reageren op aanrakingen.
    3. Razendsnelle ontwikkeling tot stappende peuter.
    4. Het zijn van een sociaal wezen: een baby heeft al de behoefte om dicht bij andere mensen te zijn. De emotionele band is essentieel om het kind een gevoel van veiligheid te geven en te laten ervaren  dat van hem gehouden wordt. 
    5. Een snelle ontwikkeling op cognitief gebied (het denken, de kennis).
  • abstract denken
    Op verstandelijk gebied ontstaan er een toenemend vermogen om abstract te denken. Dat wil eggen dat je nadenkt over dingen die je niet met het blote oog kunt zien, maar wel kunt denken. 

    Introvert ( naar binnen gekeerd)
  • Waar kan afwijkend gedrag door veroorzaakt worden?
    Door aanleg; verstandelijke, motorische, zintuigelijke of sociaal emotionele handicaps.
    Door omgeving; oorlogs- of huiselijk geweld, incest of verwaarlozing.
  • Geef zes kenmerken van de peuter/kleuterleeftijd + uitleg.
    1. Intensieve ontwikkeling op lichamelijk, psychisch en sociaal-emotioneel gebied. 
    2. Ik-tijdperk (nee-fase): het ontdekken dat ze zelf iemand zijn met een eigen wil.
    3. Leren van ervaringen: doordat ze dingen kunnen onthouden en zich een voorstelling ergens van kunnen maken.
    4. Egocentrisch denken: ze kunnen het leven alleen begrijpen vanuit hun eigen positie. Ze gaan er van uit dat datgene wat zij mooi vinden, ook door anderen mooi wordt gevonden. Dit in tegenstelling tot volwassenen.
    5. De invloed van het opvoedingsgedrag van de ouders op het zelfbeeld van het kind mag niet onderschat worden. Ouders die duidelijke regels stellen en hun kinderen uitleggen hoe en waarom ze zich op een bepaalde manier moeten gedragen hebben meestal gelukkige en sociaal vaardige kinderen. 
    6. Identiteit: door om te gaan met anderen ontwikkelt het kind zijn eigen identiteit en mogelijkheden.

  • Welke afwijkende gedragsvormen zijn er?
    -ADHD (attention deficit hyperactivity disorder)

    Agressiviteit (kan duiden op gebrek aan veiligheidsgevoel, angst of gebrek aan aandacht)

    -Depressiviteit (neerslachtigheid, somberheid, uitzichtloos en voor een langere tijd)

    -Vandalisme

    -Verslaving

    -Dementie (geheugenverlies, desoriëntatie, persoonlijkheidsveranderingen, decorumverlies, anderen verantwoordelijk stellen)

    -Afasie (beschadigd hersenweefsel, stoornis in begrijpen en uiten van taal)

    -Anorexia
  • Geef zes kenmerken van de basisschoolleeftijd + uitleg.
    1. Ontwikkeling van de fijne motoriek: schrijven, tekenen en knutselen gaan steeds beter. 
    2. De grote spieren worden sterker, sneller en bewegingen worden beter gecoördineerd. Daardoor kan het kind allerlei nieuwe vaardigheden leren, zoals een muziekinstrument bespelen, zwemmen, skiën, ballet dansen en allerlei soorten sport beoefenen.
    3. Sociale ontwikkeling: door lid te zijn van een vereniging of club. Kinderen leren op deze manier om onder verschillende omstandigheden met andere kinderen en volwassenen om te gaan. 
    4. Een taakhouding eigen maken: om te leren lezen, schrijven en rekenen op de basisschool moet het kind zich op school een taakhouding eigen maken: gedurende langere tijd geïnteresseerd blijven en zich kunnen concentreren op een schoolse taak. 
    5. Het leren van om zich te verplaatsen in iemand anders: dit leren ze vooral in de omgang met leeftijdsgenootjes. 
    6. De ontwikkeling van het geweten: van belang is de omgang met leeftijdsgenootjes en een warme gezinssituatie waarin ouders en kinderen met elkaars belangen rekening houden. 

  • Wat is etnocentrisme?
    Als men zijn eigen cultuur meer waarde vind hebben dan andere culturen.
  • Geef vijf kenmerken van de adolescentie + uitleg.
    1. Lichamelijke groei en seksuele rijping: meisjes groeien uit tot vrouw en jongens tot man.
    2. Een toenemend vermogen om abstract te denken: je denkt na over dingen die je niet met het blote oog kunt zien, maar wel kunt denken. De bredere wereld met al haar problemen komt in de belangstelling: milieu, oorlog, rassendiscriminatie. Denken vaak zwart-wit of volgens schema's. Adolescenten worden erg kritisch ten opzichte van de mensen om zich heen.
    3. Ontwikkeling van de eigen identiteit: ik ben dezelfde ik, zowel thuis, op school als in de omgang met leeftijdsgenoten. Antwoord krijgen op de vraag: "Wie ben ik? Wat wil ik? Wat kan ik? Wat vind ik?"
    4. Experimenteren: al experimenterend met verschillende rollen en door reacties van anderen, ontdekt de puber zichzelf en zo komt een stukje identiteitsontwikkeling op gang.
    5. Vriendenclubs spelen een grote rol in het leven van een adolescent. Het gevoel dat je iemand bent en ergens bij hoort geeft zelfvertrouwen, waar in deze verwarrende ontwikkelingsfase veel behoefte aan is.
  • Op basis van welke elementen kun je culturen met elkaar vergelijken?
    Op basis van taal, religie, eten, kleding, rituelen en bestuurlijke systemen.
  • Wat wordt verstaan onder midlife crisis?
    Tijdens de middelbare leeftijdfase maken sommige mensen een midlifecrisis door. Vragen als "Wat heb ik gedaan met mijn leven? Hoe is het gesteld met de doelen die ik had, de idealen die ik vroeger had?" kunnen twijfels en teleurstellingen veroorzaken en soms zelfs tot een emotionele crisis leiden. 
  • Welke cultuurverschillen zijn er?
    Individu (ik gericht, autochtoon) en groep (wij gericht, allochtoon)
    machtsongelijk maar wel gelijkwaardig of machtsongelijk en ongelijkwaardig
    mannelijk (hard/assertief) of vrouwelijk (teder/zorgzaam)
    statisch (vasthouden aan tradities) of dynamisch (tradities kunnen worden aangepast)
  • Wat zijn de 8 levensfasen volgens Erik Erikson?
    a. 0 - 1,5 jaar
    b. 1,5 - 3 jaar
    c. 3 - 6 jaar
    d. 6 - 12 jaar
    e. 12 - 20 jaar
    f. vroege volwassenheid
    g. middelbare leeftijd
    h. latere levensjaren.
  • Wat is generativiteit?
    De behoefte iets te creëren dat ook na je dood blijft voortbestaan. Als dit niet lukt ontstaat stagnatie, een gevoel van verveling een ontevredenheid.
  • Welke ontwikkelingstaak (volgens Erikson) en psychosociale keuze hoort bij de leeftijdsfase van 0 - 1,5 jaar?
    Hechting:       Vertrouwen - wantrouwen.
  • Leg uit wat het laatste stadium van psychosociale ontwikkeling, integriteit
    versus wanhoop, is.
    Dit begint als mensen zich bewust worden van de eindigheid van het leven en het
    dichterbij komen van de dood. Er wordt teruggekeken op het leven. De crisis vindt
    een oplossing als iemand tot de conclusie komt dat zijn leven betekenis heeft
    gehad en tot iets waardevols heeft geleid. Als iemand tevreden op zijn leven terug
    kan kijken en klaar is om de onvermijdelijke dood te accepteren.
  • Welke ontwikkelingstaak (volgens Erikson) en pscychosociale keuze hoort bij de leeftijd 1,5 tot 3 jaar?
    Controle verwerven:   Autonomie - schaamte, twijfel over zichzelf en omgeving.
  • De peuter/kleutertijd (2 tot 4 jaar) kenmerkt zich door een intensieve
    ontwikkeling. Beschrijf 4 kenmerken van deze ontwikkeling en leg
    deze uit.
    Ik tijdperk; ze ontdekken dat ze zelf iemand zijn met een eigen wil.

    Egocentrisch; ze kunnen het leven alleen begrijpen vanuit hun eigen positie.

    Taalontwikkeling; gaat snel, ieder dag leert men nieuwe woorden.

    Identiteit; door omgaan met andere kinderen ontwikkeld men een eigen identiteit
    en mogelijkheden.

    Opvoedingsgedrag; opvoedgedrag van ouders heeft invloed op het zelfbeeld.
  • Welke ontwikkelingstaak (volgens Erikson) en psychosociale keuze hoort bij de leeftijd van 3 tot 6 jaar?
    Doelbewust worden, leren gericht te handelen:    Initiatief - schaamte
  • Beschrijf hoe jij zelf gesocialiseerd bent in onze samenleving.
    In het antwoord moeten duidelijk de volgende begrippen naar voren komen:
    Overdracht van normen en waarden, kennis en opvattingen, dit gebeurd in eerste instantie in het gezin en/of samenlevingsverband, later vindt de socialisatie plaats vanuit andere kringen; familie, vrienden,school
  • Welke ontwikkelingstaak (volgens Erikson) en psychosociale keuze hoort bij de leeftijd 6 tot 12 jaar?
    Ontwikkelen van sociale, fysieke en cognitieve vaardigheden:  Competentie - minderwaardig voelen.
  • Tijdens de levensfase “Jongvolwassenheid” schrijft E. Erikson, psycholoog, over “intimiteit versus isolatie”.
    Wat wordt hiermee bedoeld?
    Dit is een crisis die gekenmerkt wordt door de behoefte om intieme relaties aan te
    gaan met anderen. Seksuele intimiteit, vriendschap, diepere gevoelens voor
    anderen koesteren en het unieke van andere personen
    kunnen zien en waarderen zijn verschillende aspecten hiervan.
    Wanneer aan deze behoefte niet tegemoet gekomen kan worden, wordt iemand
    eenzaam en raakt geïsoleerd.
  • Welke ontwikkelingstaak (volgens Erikson) en psychosociale keuze hoort bij de leeftijd 12 tot 20 jaar?
    Identiteitsontwikkeling:    Identiteit - rolverwarring.
  • Benoem de verschillende ontwikkelingsfasen en geef drie kenmerken.
    Eerste twee levensjaren
    -afhankelijk van verzorging
    -reflexen
    -reageren op omgeving
    -hechting

    Peuter
    -ontwikkeling eigen wil
    -leren uit eigen ervaring
    -egocentrisch denken

    6-12 jaar
    -verbreding interesse
    -meer beheersing fijne motoriek
    -toename concentratievermogen

    Adolescentie
    -geslachtsrijp (pubertijd)
    -abstract denken
    -ontwikkeling identiteit

    Jong volwassene
    -behoefte aan intimiteit
    -uniekheid van anderen waarderen
    -kans op isolement

    Middelbare leeftijd
    -behoefte om iets te creëren en door te geven
    -mogelijke midlife crisis
    -gericht op dingen waar voorheen geen tijd voor was

    Latere levensjaren
    -afnemende keuzevrijheid
    -terugkijken en aanvaarden
    -terugkijken en verbittering
  • Welke ontwikkelingstaak (volgens Erikson) en psychosociale keuze hoort bij de vroege volwassenheid?
    Liefdes- en vriendschapsbanden:     Crisis: Intimiteit - isolement.
    1. Deze fase duurt tot ongeveer 40 jaar. 
    2. Deze crisis wordt gekenmerkt door de behoefte om intieme relaties met anderen aan te gaan: 
         a. Seksuele intimiteit is hiervan slechts een aspect. 
         b. Het gaat ook om vriendschap, diepere gevoelens voor anderen koesteren.
         c. Het unieke van andere personen te kunnen zien en waarderen. 
    3. Wanneer aan deze behoefte niet tegemoetgekomen kan worden, wordt iemand eenzaam en raakt geïsoleerd. 
  • Geef voor elke fase aan wat de betekenis is van de groepen waarvan de betrokkene deel uit maakt
    Eerste levensjaren
    -Afhankelijk van groep

    Peuter
    -Spelen in en later met de groep

    6-12
    -Leren door omgang met de groep

    Adolescentie
    -Kritisch naar de groep

    Middelbare leeftijd
    -Vragen rond eigen betekenis voor komende generatie

    Latere levensjaren
    -Confrontatie met eindigheid van het leven binnen de eigen groep
  • Welke ontwikkelingstaak (volgens Erikson) en psychosociale keuze hoort bij de middelbare leeftijd?
    Zorg voor komende generaties:    Crisis: Generativiteit- stagnatie.
    1. De oplossing van deze crisis resulteert in het gevoel iets waardevols aan het nageslacht te kunnen nalaten
    2. De behoefte om je voor dit waardevolle in te zetten. 
    3. Als het niet lukt om de crisis tot een oplossing te brengen, ontstaat stagnatie, een gevoel van verveling en ontevredenheid met het leven.
  • Wat betekent de afkorting ADHD?
    Attention Deficit Hyperactivity Dissorder
  • Welke ontwikkelingstaak (volgens Erikson) en psychosociale keuze hoort bij de latere levensjaren?
    Terugblikken en accepteren:   Crisis:  Integriteit - wanhoop.
    1. Het laatste stadium van psychosociale ontwikkeling begint als mensen zich bewust worden van de eindigheid van  het leven en het dichterbij komen van de dood. Er wordt teruggekeken op het leven. 
    2. De crisis vindt een oplossing als iemand tot de conclusie komt dat zijn leven betekenis heeft gehad en tot iets waardevols heeft geleid. 
    3. Als iemand tevreden op zijn leven terug kan kijken en klaar is om de onvermijdelijke dood te accepteren. Dit hangt dus af van de manier waarop alle voorgaande ontwikkelingsstadia en crisissen zijn doorgemaakt. 
    4. Als iemand echter teleurgesteld is over zijn leven en de betekenis er niet van in kan zien, ontstaat een gevoel van wanhoop. 
Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Example questions in this summary

Wat is socialisatie?
8
Benoem de verschillende ontwikkelingsfasen en geef drie kenmerken.
8
Geef een aantal kenmerken van Dementie
8
Waar bestaat immaterieel cultuurgoed uit?
7
Page 1 of 44