NT2, TVO, dyslexie, RT

by
162 Flashcards & Notes
3 Students

Study smarter with eFaqt summaries

  • Available on desktop, tablet, mobile & print
  • Questions with answers about the material
  • Access to 300 000 online summaries
  • Smart study features & timers for more results

Get this summary

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Samenvatting - NT2, TVO, dyslexie, RT

  • 1 NT2, TVO, dyslexie, RT

  • Aandacht voor groepsprocessen
    Manier waarop doelstellingen worden nagestreefd, hoe taak- en groepsproces geëvolueerd zijn.
  • ABCD model

    ·A-fase: nieuwe woorden, uitdrukkingen en taalfuncties aanbieden (receptieve fase).          

    ·B-fase: de cognitieve fase. Taalregels kunnen worden uitgelegd of voorbeelden geven waarmee de leerder zelf de regel kan ontdekken.


    ·C-fase: Taalleerders nemen zelf meer initiatief en proberen woorden en structuren te gebruiken (zelf uitproberen).


    ·D-fase: natuurlijke situatie wordt nagebootst.
  • Academische taalvaardigheid
    CAT
  • Achtergrondfactoren leren taal
    Hoe jonger iemand is, hoe groter de kans dat het niveau van de moedertaal bereikt wordt. Volwassenen leren sneller een taal, maar halen niet het niveau van de jongere.
  • Achterstand
    Achterstand in moedertaal door omgevingsfactoren
  • Activerende didactiek
    Creëren van omstandigheden waardoor het leren van alle leerlingen wordt gestimuleerd. Leren wordt zichtbaar, niet persé fysiek actief bezig zijn. Samenwerkend leren is een voorbeeld.
  • Alledaagse taal
    DAT
  • Analfabeet (functioneel)
    Wel kunnen lezen, maar vaardigheid niet goed kunnen beheersen.
  • Attitude, socioaffectieve factoren
    Bv. positief staan tegenover leren van een nieuwe taal en de nieuwe omgeving (NT2)
  • Auditieve discriminatie
    Een gesproken woord in klanken kunnen opdelen
  • automatisering
    Herkennen zonder er bewust over na te denken.
  • Beoordelaarseffecten
    100% betrouwbaarheid krijgen we nooit, maar door als beoordelaar alert te zijn op een aantal belangrijke beoordelingsfouten, kun je de betrouwbaarheid van de toets optimaliseren.
    • Eerste indruk: Neiging tot snel oordelen
    • Halo-effect: Een gunstige indruk op een aantal criteria wordt doorgezet in een gunstige beoordeling op andere criteria
    • Horn-effect: Een ongunstige indruk op een aantal criteria wordt doorgezet in een ongunstige beoordeling op andere criteria
    • Contaminatie effect: De beoordelaar kent aan de beoordeling van het werk nog andere dan de bedoelde functie(s) toe. Het beïnvloed de objectiviteit. Contaminatie betekent letterlijk besmetting.
    • Logische fout: Zie halo/horn effect: Als onderdeel A fout/goed is, dan zal B ook wel fout/goed zijn
    • Sympathie / Antipathie
    • Projectie: Het toeschrijven van eigen (positieve of negatieve) eigenschappen aan de student
    • Stereotype: Een student eigenschappen toekennen op basis van een groep waartoe hij behoort
    • Mildheid /Strengheid
    • Centrale tendentie: De neiging om steeds in het midden te beoordelen
    • Sequentie of volgorde effect: De nawerking van voorafgaande beoordelingen van het werk van andere studenten bij het beoordelen van een studentprestatie.
    • Signifisch of opvattingseffect: De effecten die optreden indien de beoordelingstaak verschillend wordt opgevat door twee of meer beoordelaars.
    • Normverschuiving: De neiging van een beoordelaar zich in de strengheid van zijn beoordelingen aan te passen aan het gemiddelde prestatieniveau van een groep kandidaten.
  • Beoordeling taalgerichtheid
    Leerlingen laten zien dat zij de taal en de vaktaal beheersen
  • Betekenisaspecten
    Kernmerken die aan een woord toegekend worden (appel = groen, fruit, eten)
  • Betekenisonderhandeling
    Actief bedenken en te verwoorden wat een bepaald vakbegrip nu inhoudt, hoe je het kunt waarnemen, hoe het tot stand komt
  • Betekenisvolle interactie
    Betekenisvol leren, leerlingen leren in een rijke en realistische context.
  • Betrouwbaarheid toetsen
    Objectief
    Specificiteit
    Transparantie
    Efficiëntie
  • Botttom-up verwerking
    van letters naar woorden naar woordgroepen naar zinnen. Tekstgestuurd proces.
  • CEFR
    Raamwerk van de te bereiken en vereiste niveaus.
  • Cesuur
    je kunt absoluut normeren:
    De toetsscore van een leerling wordt vergeleken met een toetsscore die als standaard of cesuur aangeduid wordt.
    • Voor iedereen geldt dezelfde  norm en deze wordt meestal  vooraf vastgesteld.
    • Wordt veelal gebruikt om  leerlingen te selecteren (bv voor  toelating tot vervolgstudies).
    • Gaat uit van minimum eisen.
    • Geeft kandidaten duidelijkheid.
    • Moeilijk vooraf vast te stellen.
    • Kwaliteit van de toets wordt niet meegenomen.
    of relatief normeren:
    De toetsscore van de leerling wordt vergeleken met de toetsscores die andere leerlingen van dezelfde doelgroep behaald hebben.
    • Vaak wordt achteraf vastgesteld of de leerprestaties voldoende of onvoldoende zijn.
    • Kan o.b.v . pedagogische argumenten de voorkeur hebben (bv succes willen laten ervaren).
    • Kwaliteit van de toets wordt meegenomen.
    • Slaagkans wordt hoger door slechte leerlingen
  • Cloze-oefening
    Een vraag bij een leerdoel. Er is dus maar 1 goed antwoord om te geven.
    Een tekst waarbij vanaf de tweede regel woorden worden weggelaten de moeten worden ingevuld. Doet beroep op reeks vaardigheden.
  • Cognitieve complexiteit
    het (niet) kunnen volgen en leren beheersen van wat (te) ingewikkeld wordt.
  • Cognitieve factoren
    Factoren die bepalen hoe moeilijk of makkelijk een taak voor een leerder is (voorkennis, redeneervaardigheid, abstract kunnen denken, enz.)
  • Cognitieve strategieën
    Leerstrategie om kennis en vaardigheden eigen te maken
  • Communicatieve benadering
    Taal wordt beschouwd om boodschap over te brengen (NT2). Vaak wordt ABCD model gebruikt, Doel: taalroutines en taalhandelingen
  • Compensatiestrategie
    Omschrijving van een woord dat je niet kent door andere woorden of zinnen
  • Consolideren (Verhallen)
    Inoefenen van een woord en betekenisaspecten in verschillende contexten, in bredere context te plaatsen, oefenen met gatenteksten, taalspellen of samenvattingen
  • Content-based approach (inhoudgerichte benadering)
    Rijke, realistische context waarin leerling de kans krijgen hun eigen leerproces vorm te geven. Interessante leerstof. Uitgaan van: 'wat wil je weten'.
  • Controleren (Verhallen)
    Leerling leert en begrijpt een bepaald woord.
    Aan leerlingen vragen
    Verbanden met andere woorden laten benoemen
    Woorden opnemen in een toets
  • Creatieve constructiehypothese
    Verwerving door eigen creatieve vermogens en daarbij wordt vaste volgorde aangenomen.
  • C-toets / Cloze-toets
    Als je de Belgische nationaliteit hebt en geen eindexamen hebt gedaan, kan je ee verkorte test afleggen: de c-test.
  • Decoderen
    Ontsleutelen van woorden, tekens omzetten in klanken: lezen
  • Denken stimuleren
    • Het aansporen tot informatie begrijpen (onthouden, samenvatten, categoriseren, symboliseren, perspectief nemen),
    • informatie bewerken: (analyseren, toepassen, induceren, deduceren, probleem oplossen),
    • en nieuwe informatie bedenken (brainstormen, voorspellen, synthetiseren, evalueren, vragen stellen).  
  • Diagnostische toets
    een onderzoek naar eventuele lacunes in kennis of vaardigheden van een leerling of student. Een andere benaming is formatieve toets.. Deze toets wordt dan gebruikt als hulpmiddel om vast te stellen welke aspecten van een vak nog nadere bestudering behoeven voordat de daadwerkelijke toetsing van de leerstof plaatsvindt.
  • Directe feedback
    Het goede antwoord geven
  • Directe instructie
    Onderwijsmethode die nadruk legt op structuur, duidelijkheid en positieve ondersteuning. Doel om studenten te ondersteunen bij actief en constructief verwerven van nieuwe kennis en vaardigheden.
  • Doeltaal
    Taal die naast de moedertaal verworven wordt
  • dyslexie
    Men  spreekt van dyslexie wanneer de automatisering van woordidentificatie (lezen) en/of spellen zich niet, dan wel zeer onvolledig of zeer moeizaam ontwikkeld.
  • Eerste taal
    Moedertaal
  • Eisen aan taalgebruik
    verplicht niveau
  • ellips
    weglating
    Zin waarin PV of O of beide ontbreken. Beknopte bijzin of gebiedende wijs.
    Voorbeeld: (Wie heeft je daarmee geholpen?) Mijn broer (heeft mij geholpen)
  • ERK
    Europees referentiekader
  • Expliciet verbeteren
    Nadrukkelijk verbeteren
  • Expliciete, directie instructie EDI
    Duidelijke nadrukkelijke instructie.
    Houdt in dat de leerlingen meer aanwijzingen, ‘steigers’ en begeleide toepassing met feedback wordt geboden, waardoor verwarring voorkomen wordt. EDI biedt nieuwe leerstof in stappen aan en laat de leerlingen in voldoende mate oefenen om tot beheersing te komen. Het zal duidelijk zijn dat in het kader van passend onderwijs deze aanpak eigenlijk een must is.
  • extensief lezen
    Globaal, scannend lezen; skimmen
  • Extensief luisteren
    Globaal luisteren, niet intensief, maar gewoon luisteren
  • Foreigner talk
    Een manier waarop mensen een vreemde taal spreken en waar de grammaticale regels niet goed worden toegepast en de woordenschat beperkt is. Bijvoorbeeld: 'Me help you?'
  • Formatieve toets
    Over een hoofdstuk, diagnostisch
  • Fossilisatie
    Geen vooruitgang meer in leren in vreemde taal
  • Functioneel analfabeet
    Wel lezen en schrijven, maar met veel moeite.
Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Example questions in this summary

Aandacht voor groepsprocessen
2
ABCD model
2
Academische taalvaardigheid
2
Achterstand
2
Page 1 of 41