Maatschappelijke problemen

by (2e, herz. dr.)
ISBN-10 9047301250 ISBN-13 9789047301257
670 Flashcards & Notes
37 Students

Study smarter with eFaqt summaries

  • Available on desktop, tablet, mobile & print
  • Questions with answers about the material
  • Access to 300 000 online summaries
  • Smart study features & timers for more results

Get this summary

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Samenvatting - Maatschappelijke problemen

  • 1 Maatschappelijke problemen als collectieve kwaden

  • wanneer spreken we van een collectief kwaad?
    Als een groep burgers een bepaalde toestand als problematisch ervaart en onder de aandacht brengt.
  • de samenleving werd gezien als een vereniging van vrije mensen, de 'staat'als een machtsorganisatie
  • hoe probeerden de revolutionairen in de franse revolutie  een samenleving te scheppen
    door vrijheid, gelijkheid en broederschap
  • 1.1 6.1 Toenemende ongelijkheid in de wereld in de laatste decennia van de twintigste eeuw

  • Dit hoofdstuk staat Armoede en Sociale Ongelijkheid in de wereld aan de orde. De aandacht gaat vooral uit naar de ontwikkelingslanden, omdat armoede in die delen van de wereld veel groter en drastischer is dan die in de rijke landen.

    Eerst wordt gekeken naar de Marcoverhoudingen, door kwantitatieve gegevens die zijn verzameld door instellingen van de Verenigde Naties en de Wereld Bank.

    Een vraag die veel discussie oproept, is of de ongelijkheid in de wereld de laatste decennia van de 20e eeuw is toegenomen, gelijk gebleven of is afgenomen? Deze vraag wordt op verschillende manieren beantwoord.

    Een recentie studie betoogt dat de ongelijkheid binnen landen is toegenomen, maar dat de ongelijkheid in de wereld is afgenomen door Industrialisatie en de daarmee gepaard gaande  stijging van de welvaart in China en Oost-Azië. Omdat in die gebieden een groot deel van de wereldbevolking leeft, is de ongelijkheid in de wereld als geheel afgenomen.

    De relatie tussen welvaart en welzijn wordt uitgelegd.

    Over de oorzaken van armoede en ongelijkheid is in de ontwikkelingslanden veel geschreven de laatste 50 jaar. --> Economen en Sociale Wetenschappers hebben algemene theorieën geformuleerd die een verklaring moesten geven van de sociaal-economische achterstand en stagnatie in de Derde Wereld. (sinds het midden van de 20e eeuw noemt.)

    * Het bezwaar van deze theroieën is dat ze een 'merkwaardige' vermening laten zien van 
    stilering van concretie historische processen, ideologische vooronderdellingen, algemene
    uitspraken en nog niet getoetste hypothesen.
    Het wetenschappelijke gehalte v.d. theorieën is twijfelachtig.

    * Voor de ontwikkelings- en modernisatietheorie als de dependencia- en
    imperialisatiemetheorie --> is maar een kort leven geweest. 

    Bij de moderniseringstheorie gaat het vooral om de noodzaak tot veranderingen in arme landen zelf, zoals betere infrastructuur. Uit de ontwikkelingsstrategieën die kunnen worden toegepast, komen programma’s en projecten naar voren die een grote rol spelen in ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking.


    Dependencia- en imperialisatiemetheorie=




    De wetenschap van globalisering is nog steeds populair maar ook omstreden.

    W&dG richten zich op historische ontwikkelingen van een bepaald land of bepaalde sector door gebruik te maken van de methodologische individualisme (actorbenadering) van sociale mechanismen.

    Het thema Sociale ongelijkheid is belangrijk voor de problematiek van collectieve goederen en collectief handelen.

    Laatste paragraaf 'stelling' --> Vormt Sociaal-economische ongelijkheid een belemmering voor collectief handelen en voor de totstandkoming van publieke en collectieve goederen?
    --> Stelling toespitsen op:

    * Ongelijkheid binnen landen.
    * Ongelijkheid in de wereld. --> De hypothese luidt dat sociale ongelijkheid tussen landen het
    ontstaan van internationale samenwerkingsverbanden belemmert.

    6.1 Toenemende ongelijkheid in de wereld in de laatste decennia van de twintigste eeuw.

    Wanneer je de ontwikkeling in de wereld bekijkt over de laatste tweehonderd jaar, dan is de ongelijkheid in de wereld sterk toegenomen. => Dat is het gevolg van de industrialisatie van het Westen, terwijl Azië en Afrika achterbleven.
    - omstreeks 1800 waren de inkomens van de rijkste regio's vermoedelijk niet meer dan drie
    keer zo groot als de armste regio's.
    - 1900: verhouding 9:1. 
    - 1998: verhouding 20:1.

    Belangrijke vraag is of de trend naar toenemende ongelijkheid ook in de laatste decennia van de twintigste eeuw heeft doorgezet?

    Grote Internationale organisaties als de Verenigde Naties, de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds --> veel nadruk gelegd op de bestrijding van armoede in de wereld.
    Statistische gegevens laten zien dat armoede in de wereld wordt teruggedrongen =>
    het percentage mensen dat leeft onder de armoedegrens, blijkt in de loop v.d. tijd af te nemen.

    --> De 'vraag' is of ook de inkomensverdeling in de wereld daardoor daardoor een grotere gelijkheid gaat vertonen?
    --> Verschillende auteurs geven verschillende antwoorden hierop. De antwoorden hebben een politieke betekenis.

    In de laatste decennia van de twintigste eeuw heeft de wereld een proces van globalisering (d.w.z. integratie en liberalisering) doorgemaakt. --> De wereldhandel is toegenomen en kapitaal werd daardoor mobiel.

    Vraag is = Wat is het effect van deze toenemende integratie op de verdeling van de welvaart in de wereld? Zijn de armste bevolkingsgroepen erop vooruitgegaan?



    Wade: de groeiende kloof tussen arm en rijk

    Inkomensverdeling op de wereld
    De inkomensverdeling van de mensen die op de wereld wonen kun je op verschillende manieren beschouwen.

     

    1. De inkomensverdeling is een combinatie van (a) de interne inkomensverdelingen binnen alle landen (op zichzelf) en (b) de verdeling van de gemiddelde inkomens over de (alle) landen.

    Ongelijkheid in de wereld
    De ongelijkheid in de wereld is vooral een weergave van de ongelijkheid in landengemiddelden (dan van de ongelijkheid binnen landen).

     

    De cijfers over gemiddelde inkomens per land worden berekend door:

    Bruto Nationaal Product : Bevolkingsgrootte = geldbedrag om te rekenen in pakketten van producten en diensten om het internationaal vergelijkbaar te maken.

     

    Het Bruto Nationaal Product (BNP) van dat land te delen door de bevolkingsgrootte en het resultaat internationaal vergelijkbaar te maken door het geldbedrag om te rekenen via de prijzen van pakketten van goederen en diensten.

    (Deze benadering gaat verder dan de sociaal-economische ongelijkheid die binnen een land bestaat.)

     

    Purchasing Power Parity (PPP) = Als je de gemiddeld landeninkomens wil vergelijken meet je de inkomens als hoeveelheid geld die het mogelijk maakt om bepaalde hoeveelheid goederen en diensten te kopen. Bij PPP zijn geldinkomsten omgerekend via een pakket goederen en diensten zodat ze internationaal vergelijkbaar zijn.

     

     

     

     

     

    De Wereld Bank-econoom, Milanovic, heeft de Gini-coëfficient berekend voor de inkomensverdeling in de wereld, door de ongelijkheid binnen landen te combineren met de ongelijkheid tussen landen.

     

    De Gini-coëfficient is een algemeen gebruikte maatstaf voor ongelijkheid, lopend van 0 tot 100.

    - 0 = Perfecte gelijkheid

    - 100 = Dat één enkele persoon al het inkomen ontvangt.

     

    - De Gini-coëfficient is gestegen van 62,5 in 1998 naar 66,0 in 1993! Dit is een zeer sterke

    stijging van de ongelijkheid in de wereld. In 1993 was een Amerikaan die behoorde tot de

    armste 10% van de bevolking, maar was nog beter af dan tweederde van de

    wereldbevolking (die dus nog armer waren).

     

    Welke factoren hebben een rol gespeeld waarom (volgens Wade) de kloof tussen arm en rijk in de wereld is toegenomen?

    1.) Snellere economische groei in de ontwikkelde industrielanden dan in de arme landen;

    2.) Snellere bevolkingsgroei in de arme landen;

    3.) Langzame economische groei op het platteland van China, India en Afrika;

    4.) Snel toenemende inkomensverschillen tussen de stedelijke gebieden in China en het platteland van China en India.

    Het inkomen van de stedelijke gebieden in China groeide zeer sterk in de afgelopen decennia en dat verlaagde de Gini-coëfficient, maar de groeiende kloof tussen de stedelijke gebieden en het platteland in China had een verhogend effect op de Gini-maatstaf.

     

    Econoom Wade ziet deze ontwikkeling als het gevolg van het wereldwijde proces van globalisering.

    De technologische verandering en financiële liberalisering hebben de welvaart van huishoudens aan de rijke kant doen toenemen, zonder dat het aantal huishoudens aan de arme kant afnam. Bevolkingsgroei heeft het aantal arme huishoudens doen afnemen. à Dit beeld heet de gepolariseerde wereld: in termen van inkomens, bestuur en maatschappelijke orde.

     

    De wereld is verdeeld in 2 zones:

     

    1. Zone van rijke industrielanden, met economische groei, een liberaal en tolerant bestuur (behalve t.a.v. immigranten) en voortdurende technologische innovatie die uitputting van natuurlijke hulpbronnen compenseert.

     

    1. Zone van arme landen, economische ontwikkeling stagneert, technologische innovatie ontbreekt, staat mist het vermogen het land te besturen. Economische activiteiten leiden tot uitputting van natuurlijke hulpbronnen en tot vervuiling van het milieu. (Afrika, delen van Zuid en Zuidoost-Azië, Midden-Oosten, Rusland, Centraal Azië.) Grote aantallen jonge mensen werkloos, raken gefrustreerd en zijn geneigd hun heil te zoeken in radicale politieke bewegingen of migreren naar rijke landen.

     

     

     


     

     

     

    De Wereld Bank-econoom, Milanovic, heeft de Gini-coëfficient berekend voor de inkomensverdeling in de wereld, door de ongelijkheid binnen landen te combineren met de ongelijkheid tussen landen.

     

    De Gini-coëfficient is een algemeen gebruikte maatstaf voor ongelijkheid, lopend van 0 tot 100.

    0 = Perfecte gelijkheid

    100 = Dat één enkele persoon al het inkomen ontvangt.

     

    - De Gini-coëfficient is gestegen van 62,5 in 1998 naar 66,0 in 1993! Dit is een zeer stèrke

    stijging van de ongelijkheid in de wereld.

    In 1993 was een Amerikaan die behoorde tot de armste 10% van de bevolking beter af dan

    tweederde van de wereldbevolking.

     

    De volgende factoren hebben een rol gespeeld waarom (volgens Wade) de kloof tussen arm en rijk in de wereld is toegenomen?

    1.) Snellere economische groei in de ontwikkelde industrielanden dan in de arme landen;

    2.) Snellere bevolkingsgroei in de arme landen;

    3.) Langzame economische groei op het platteland van China, India en Afrika;

    4.) Snel toenemende inkomensverschillen tussen de stedelijke gebieden in China en het platteland van China en India.

    Het inkomen van de stedelijke gebieden in China groeide zeer sterk in de afgelopen decennia en dat verlaagde de Gini-coëfficient, maar de groeiende kloof tussen de stedelijke gebieden en het platteland in China had een verhogend effect op de Gini-maatstaf.

     

    Econoom Wade ziet deze ontwikkeling als het gevolg van het wereldwijde proces van globalisering.

    De technologische verandering en financiële liberalisering hebben de welvaart van huishoudens aan de rijke kant doen toenemen, zonder dat het aantal huishoudens aan de arme kant afnam. Bevolkingsgroei heeft het aantal arme huishoudens doen afnemen.

     

     

     



















Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Example questions in this summary

Wat houdt het liberaal vrijheidsprincipe van Rawls in?
9
Wat houdt het verschilprincipe van Rawls in?
9
Wat is het acquisitieprincipe?
9
Het begrip samenleving 
9
Page 1 of 110