Experimenten en Quasi - experimenten

by (2008)
192 Flashcards & Notes
4 Students

Study smarter with eFaqt summaries

  • Available on desktop, tablet, mobile & print
  • Questions with answers about the material
  • Access to 300 000 online summaries
  • Smart study features & timers for more results

Get this summary

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Samenvatting - Experimenten en Quasi - experimenten

  • 1.1 Experimenten en Quasi - experimenten

  • Wat is het doel van een controle variabele?
  • Wat is een fundamenteel (toetsend) onderzoek?
  • Wat is een praktijkgericht onderzoek?
  • Wat is het doel van een Experiment?
  • Wat wordt er bedoelt met de toetsingsvoorwaarden of ook wel Conditio sine qua non?
    Conditio sine qua non is bijvoorbeeld dat er wel stress opgeroepen moet worden om te kunnen meten wat voor effect stress heeft op de NK cellen.
    Er moet dus aan bepaalde voorwaarde zijn voldaan voordat de meting kan plaatsvinden. Geeft de puzzel die gespeeld moet worden onvoldoende stress? dan moet er iets anders gezocht worden die de benodigde stress veroorzaakt. 
  •  Wat wordt er bedoelt met nomothetische interpretatie van causaliteit?
  • Aan welke 3 voorwaarden moet zijn voldaan om van een causaalverband te kunnen spreken?
    a)Als er covariantie of een statistisch verband is tussen kenmerken X en Y: bij variatie in kenmerk X, varieert ook kenmerk Y
    b)Als de tijdsvolgorde klopt: de veroorzakende variabele (onafhankelijke variabele) moet in de tijd voorafgaan aan de (effect) afhankelijke variabele: opleiding ouders X heeft invloed op schoolprestaties kind Y en niet dat de schoolprestaties van het kind invloed heeft op het opleidingsniveau van de ouders (kan immers niet meer).
    c)Als er geen schijnverband is: dus dat een derde kenmerk Z invloed heeft op X en Y.
  • Waarom is de onderzoekstrategie (zuiver) Experiment het meest adequaat/ geschikt voor onderzoek naar causale verbanden?
  • Wat is een essentieel element bij experimenteren?
  • Welke vraagstellingen geven aanleiding voor een experimentele onderzoekstrategie?
  • Wat wordt er bedoelt met een fundamenteel onderzoek volgens de empirische cyclus?
  • Wat wordt er bedoelt met een praktijkgericht onderzoek volgens een regulatieve cyclus?
  • Wat betekent randomiseren?
    Toevalsproceduren. Door toevalsprocedure worden onderzoekseenheden bepaald.
  • Waarom moet de (geselecteerde) proefpersonen random toegewezen worden aan de experimentele of controlegroep?
  • Wat is inductieve statistiek?
  • Hoe kun je nagaan in hoeverre verschillen op de afhankelijke variabele tussen de experimentele en controlegroep zijn toe te schrijven aan toevalsfactoren of systematische werking van de onafhankelijke variabele?
    Via inductieve statistiek. 
  • Wanneer je gebruikt maakt van randomisatie van de experimentele en controle groep is het toch raadzaam om te controleren of beide groepen niet van elkaar verschillen. Waarom? Leg uit en noem voorbeelden van verschillen die invloed kunnen hebben.
  • Welke andere toewijzingsprocedures dan Randomiseren kun je gebruiken om mogelijke externe factoren, die naast of in plaats van de experimentele variabele effect kunnen hebben op de afhankelijke variabele, controleren?
    Doormiddel van matchen en homogeniseren.
  • Wat is het doel van matchen?
    Met matchen of gelijk maken probeer je de experimentele en de controlegroep gelijk te maken op een aantal externe bekende kenmerken waarvan men denkt dat ze in belangrijke mate van invloed zijn op de afhankelijke variabele. Bijvoorbeeld sekse, leeftijd en opleiding.
  • Op welke twee manieren kun je matchen of gelijkmaken?
  • Een manier van Matchen is precisiecontrole hoe verschilt deze manier van Matchen van de frequentieverdeling?
  • Wanneer zou je ook kunnen kiezen voor homogeniseren? en wat houdt dat precies in?
    Wanneer je het eventuele effect van de een externe variabele op een afhankelijke variabele wilt elimineren (verwijderen/ uitschakelen) .
    Je kunt dan proefpersonen zo kiezen dat de groepen zo homogeen mogelijk op die externe variabelen zijn. Bijv. als het vermoeden is dat de film alleen effect heeft op jongeren, dan kun je het experiment beperken tot alleen jongeren of alleen ouderen.
  • Tot welke kenmerken moet je je beperken bij homogeniseren en matchen van de onderzoeksgroep?
  • Kun je de procedure randomiseren bij een zuiver experiment vervangen door de procedures matchen of homogeniseren?
  • Wat houdt gerandomiseerd blokontwerp in?
  • Klopt het dat gerandomiseerde blokontwerp een vorm is die tussen precisiecontrole en frequentieverdeling controle in zit? Leg uit waarom wel of waarom niet.
    Dat klopt! Je maakt groepen die geselecteerd worden op basis van kenmerken, net als bij precisieverdeling en frequentie verdeling. Maar nu maak je blokken met groepen op basis van verschillende kenmerken: kenmerk geslacht en dan bijvoorbeeld leeftijd. Zo ontstaan er 8 groepen: in elke groep wordt er dan weer random toegewezen wel mensen in de controle groep komen en welke in de experimentele.
  • Hoe wordt de manier van toewijzing van proefpersonen via gerandomiseerde blokontwerp ook wel genoemd?
    Groepsgewijs matchen
  • Wat is het verschil tussen een veldexperiment en laboratoriumexperiment?
  • Wanneer is er sprake van een zuiver experimentele ontwerp?
  • Wanneer is er sprake van een niet-zuiver experimenteel ontwerp?
    Wanneer de ingreep (onderwijsmethode, therapie, etc) min of meer deel uitmaakt van de gewone gang van zaken in een instelling of organisatie. Dan betreft het vaak een onderzoekseenheid die niet random is toegewezen. Je onderzoekt een bestaande groep bijvoorbeeld een bepaalde klas.
  • Kun je vier voorbeelden noemen van zuivere experimentele ontwerpen?
  • Wat wordt er bedoelt met interactie-effect en bij welk ontwerp kun je dit effect meten?
  • Wat wordt er bedoelt met plafondeffect?
  • Wanneer kan een Quasi-experiment gebruikt worden?
  • Welke drie quasi-experimenteel ontwerpen kun je noemen?
  • Wat betekent de stippenlijst tussen het ontwerp schema van een quasi-experimenteel ontwerp?
    De stippenlijn betekent dat groep 1 en 2 niet zonder meer uitwisselbaar zijn, doordat randomisatie niet mogelijk was/ is.
  • Wanneer wordt een experiment een pre-experimentele ontwerp genoemd?
  • Kun je 3 voorbeelden noemen van een pre-experimentele ontwerp?
  • Wat is een nadeel van het pre-experimentele ontwerp?
  • Wat is interne validiteit?
    Bij interne validiteit gaat het om de interne geldigheid van uitspraken gebaseerd op een experimenteel ontwerp. In het voorbeeld van de film over asielzoekers: dan is de vraag of de positievere mening (dus het effect) wordt veroorzaakt door het bekijken van de film. En dat dit effect niet veroorzaakt wordt door andere factoren. Het gaat hier dan om de interne validiteit of geldigheid.
  • Welke term kan ook gebruikt worden voor interne validiteit of geldigheid?
    Interpretatie-exclusiviteit. 
  • Wat betekent interpetatie - exclusiviteit?
  • Wanneer is er sprake van een hoge interne validiteit?
  • Welke storende factoren kunnen een rol spelen bij pre-experimenteel en ook bij (quasi-) experimenteel onderzoek? of te wel welke factoren kan de interne validiteit in gevaar brengen?
    1.Tussentijds extern voorval
     
    2.Rijping of groei: zal niet snel een grote rol spelen, omdat de tijd tussen voor- en nameting kort is. Maar bij een lange periode ertussen kan de mening verandert zijn door rijpingseffect: ouder, wijzer, milder worden.
     
    3.testeffect: de voortest heeft bijv. invloed gehad. Het invullen van de vragenlijst heeft de deelnemer aan het denken gezet. Ook kan een prestatietest een leereffect hebben, als bij de nameting dezelfde test afgenomen wordt.
     
    4.Instrumentatie: het verschil tussen voor en nameting wordt veroorzaakt door het instrument/ het verschil in conditie. Voormeting vindt plaats door vragenlijst en nameting mondeling. De verschillen in de meting kunnen dus veroorzaakt worden door het instrument en niet aan de experimentele variabele (de film)
     
    5.Statistische regressie: het meetinstrument is niet betrouwbaar, wat bij sociale wetenschap soms ook heel moeilijk is. De persoon vult het bij de voormeting heel anders in dan bij de nameting. (nog even nazoeken!!)
     
    6.Selectie: wanneer er geen randomisatie plaatsvindt en er niet wordt gekeken of de experimentele groep en controlegroep gelijke groepen zijn (evenveel ouderen en jongeren etc). Dan kan het zijn dat wanneer ouderen in het algemeen bijv. positiever zijn over asielzoekers, en de experimentele groep bestaat vooral uit ouderen. Niet de film het effect op de positieve houding heeft, maar de leeftijd van de groep. Vooral wanneer de controlegroep meer jongere mensen bevat, die minder positief zijn en er geen voormeting is geweest.
     
    7.Uitval: bij de nameting doen minder mensen mee dan bij de voormeting
     
    8.Interactie 1 t/tm 7: de behandelde verstorende factoren kunnen ook in combinatie actief zijn. 
     
    9.verspreiding van de ingreep:  ingreep (bijv. de nieuwe lesmethode) ook bij de controlegroep terecht komt doordat collega het ook gaat gebruiken. Het onderscheid tussen de experimentele en de controlegroep is dus vervaagt!
     
    10.Gelijkmaken van de experimentele en controlegroep: bijv. door een beloning compenseren.de controle groep is daardoor niet meer een controlegroep. Want er is sprake van een ingreep-conditie! Wat ook een storende factor kan zijn!
     
    11.Compenserende rivaliteit: Bijv. ze weten dat er van de controlegroep wordt verwacht dat ze minder presteren, dan kan het zijn dat deelnemers juist goed willen presteren en daardoor extra hun best doen.
  • Welke experimentele ontwerpen zijn minder geschikt om een solide uitspraak te kunnen doen over de causale invloed van een onafhankelijke variabele op de afhankelijke variabele? en leg uit waarom niet?
  • Met welk experimentele ontwerp worden de invloed van storende factoren zoveel mogelijk uitgeschakeld?
    Met behulp van het zuivere experiment, door het gebruik van randomisatie. De solomon vier-groepen- ontwerp kan nagegaan worden of verschillende van de storende variabelen een rol spelen.
  • Wanneer zijn resultaten extern valide?
    Wanneer de resultaten van een onderzoek gegeneraliseerd kunnen worden naar andere plaatsen, tijdstippen en andere omstandigheden. (denk aan de experimenten in het laboratorium)
  • Wanneer kunnen we spreken van populatievaliditeit en ecologische validiteit?
  • Waarom is de externe validiteit van een experiment vooral een probleem bij laboratorium experimenten?
  • Welke drie bronnen kunnen de externe validiteit van een onderzoek in gevaar brengen?
Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Example questions in this summary

Wat is het doel van een controle variabele?
5
Wat is een fundamenteel (toetsend) onderzoek?
5
Wat is een praktijkgericht onderzoek?
5
Wat is het doel van een Experiment?
5
Page 1 of 46