Summary Cursus Inkomstenbelasting + Sheets Leidenuniv

-
148 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Cursus Inkomstenbelasting + Sheets Leidenuniv". The author(s) of the book is/are Sillevis, Kempen van Westen. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Cursus Inkomstenbelasting + Sheets Leidenuniv

  • 1 Inleiding

  • Welke twee boxen kennen een vast tarief? Hoe hoog zijn deze tarieven respectievelijk?
    Box 2 en box 3. 25% en 30% (art. 2.12 jo. 2.13 IB).
  • Wat wordt in de parlementaire geschiedenis genoemd als grondslag voor de Inkomstenbelasting? Geef een definitie van deze grondslag (p. 1).
    Draagkrachtbeginsel. Het opofferen van een gelijk relatief nutsoffer.
  • Noem de drie fiscaal transparante personenvennootschappen (p. 7).
    Maatschap, VOF en gesloten CV.
  • Belastinginspecteur Jansen meent dat 'malle' Fredje zijn eigen woning in box 1 én in box 3 had moeten aangeven. Heeft Jansen gelijk?
    Nee. Rangorderegeling ex art. 2.14-1 IB.
  • Het box 1-tarief over het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt in de eerste schijf tot € 18 628 1,85%. Fred hoort dit en maakt navenant dat bedrag over. Heeft hij nu alle heffingen betaald? Zo niet, wat niet?
    Nee, hij moet zijn premie volksverzekeringen nog betalen (€ 2468).
  • Jopie is drugsbaron. Hij accepteert steekpenningen, heelt en pleegt roofovervallen. Hij meent dat hij geen inkomsten hoeft op te geven op zijn aangifte, aangezien het om misdrijven gaat. Heeft hij gelijk? Hoe wordt dit genoemd (p. 9)?
    Nee. Fiscale neutraliteit.
  • Noem de onderdelen van het verzamelinkomen en het bijbehorende definiërende artikel.
    (a) Inkomen uit werk en woning; (b) inkomen uit aanmerkelijk belang en (c) inkomen uit sparen en beleggen. Art. 2.18 IB.
  • Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen kunnen in een fiscaal partnerschap vrijelijk aan elkaar worden toegerekend. Noem de zgn. gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en het toepasselijke artikel.
    (a) Belastbare inkomsten uit eigen woning; (b) Inkomen uit aanmerkelijk belang; (c) De persoonsgebonden aftrek (art. 2.17-5 IB) én inkomen uit sparen en beleggen (lid 2)
  • Welke voorheffingen kunnen met de te heffen IB worden verrekend? Wat kan ook worden verrekend?
    Loonbelasting, dividendbelasting, kansspelbelasting (art. 9.2 IB). Voorlopige aanslagen.
  • Welke soorten verliesverrekening bestaan er in de IB? Geef aan wat het verschil is. Kunnen verliezen van de ene box naar de andere box worden overgeheveld? Is dat altijd zo?
    Horizontale verliesverrekening: verliezen binnen de box uit een bepaalde permanente bron van inkomen; verticale verliesverrekening: verliezen compenseren op positieve resultaten uit de box in andere jaren (art. 3.150 IB). Er is in principe geen verliesverrekening tussen de boxen mogelijk. Uitzondering: de belastingkorting bij A.B.-verlies.
  • Wat is de meest prominente inkomenstheorie (p. 8)? Wat wordt onder deze theorie verstaan?
    De bronnentheorie. Inkomen is al hetgeen uit permanente bron van inkomen toevloeit.
  • Iedereen heeft recht op algemene heffingskorting (art. 8.10 IB). Noem twee andere belangrijke heffingskortingen.
    Arbeidskorting en Ouderenkorting.
  • Wie wordt in ieder geval aangemerkt als fiscaal partner?
    De echtgenoot.
  • Wat wordt verstaan onder middeling? Noem het artikel.
    Inkomens die jaarlijks sterk in omvang wisselen, kunnen gelijkmatig over een periode van drie jaar worden verdeeld. (art. 3.154 IB)
  • Waar is het toetsingsverbod geregeld? Wat wordt hieronder verstaan? Geldt dit ook voor uitvoeringsbesluiten, uitvoeringsbeschikkingen en besluiten? Waaraan kan de wet wel worden getoetst? Waar is dat geregeld?
    Art. 81 GW. Dat het de rechter verboden is de wet aan de Grondwet te toetsen. Dit geldt niet voor zgn. 'lagere' regelgeving. Internationale verdragen. Art. 94 GW.
  • Wat wordt verstaan onder de armoedeval?
    Het moment dat het financieel onaantrekkelijk wordt om een dienstbetrekking te aanvaarden.
  • Wat wordt verstaan onder het begrip fiscale arbitrage? Waarmee is dit nauw verwant?
    Dat de belastingbetaler binnen het systeem de fiscaal voordeligste weg zoekt. Belastingontwijking.
  • 2 HC: Algemene inleiding

  • Noem de twee belangrijkste rechtvaardigingsgronden voor een heffing over inkomsten. Wat houdt het laatste in?
    Gelijkheidsbeginsel en het draagkrachtbeginsel. Belasting heffen naar rato van ieders draagkracht.
  • Geef de materiële definitie van belastingen.
    Gedwongen fiscale bijdragen van burgers en bedrijven aan de overheid zonder individuele tegenprestatie, ter financiering van collectieve uitgaven die geheven worden volgens democratisch tot stand gekomen regels.
  • Benoem de gebeurtenis waardoor het draagkrachtbeginsel gestatlte kreeg.
    Franse revolutie.
  • Noem het populaire uitgangspunt van heffing naar draagkracht.
    'Sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen'
  • Noem alle in de IB2001 genoemd inkomensbronnen.
    Box 1: Inkomen uit werk en woning (winst uit onderneming, loon uit dienstbetrekking, resultaat uit overige werkzaamheden, periodieke uitkeringen en verstrekkingen, inkomsten uit eigen woning). Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang; box 3: inkomen uit sparen en beleggen.
  • Noem de algemene bronvereisten.
    1) Deelname aan het economische verkeer; 2) Oogmerk om voordeel te behalen (subjectief); 3) Voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn (objectief).
  • Noem de opbouw van de Wet IB 2001.
    (1) Algemene bepalingen; (2) Raamwerk; (3) Box I: inkomen uit werk en woning; (4) Box II: inkomen uit aanmerkelijk belang; (5) Box III: inkomen uit sparen en beleggen; (6) Persoonsgebonden aftrek; (7) Buitenlandse belastingplicht; (8) Heffingskorting; (9) Wijze van heffing; (10) Aanvullende regelingen.
  • Kan er in beginsel verliesverrekening tussen de boxen plaatsvinden? Noem de uitzondering.
    Nee. Art. 4.53 IB (belastingkorting).
  • Aan de hand van welk stelsel wordt bepaald wat belaste inkomsten zijn en wat niet?
    Bronnenstelsel.
  • Door wie werd in Nederland de eerste poging gedaan een algemene inkomstenbelasting in te stellen? Noem de twee wetten die hiermee samenhingen.
    Pierson (1892-1893). Belasting op inkomsten uit vermogen; Belasting op bedrijfs- en overige inkomsten.
  • Vermogensrendementsheffing, instrumentalisering, ficties en forfaits, afwenteling, schrappen kostenaftrek, verschillende tarieven tussen inkomensbronnen, belastingontwijking, belastingontduiking, complexiteit. Wat hebben deze begrippen gemeen?
    Uitholling van het draagkrachtbeginsel.
  • Benoem het stelsel van heffing in de IB2001. Van welk stelsel heeft de wetgever afstand genomen (IB1964)?
    Analytisch (apart). Synthetisch (tezamen).
  • Waarom heeft de IB2001 een analytisch karakter?
    Drie boxen met hun eigen grondslag en tarief.
  • Geef de formele definitie van een belasting.
    Belasting is elke heffing die door de wet zo wordt genoemd
  • Wat is de belangrijkste functie van de belastingrechter? Noem de twee rechterlijke feitelijke instanties.
    Rechtsbescherming. Rechtbank en het gerechtshof.
  • Wat wordt verstaan onder een bron van inkomen? Wat is dus vereist tussen een voordeel en een bron van inkomen? Noem de drie bronvereisten.
    Datgene dat in staat is een voordeel op te leveren. Causaal verband. 1) Deelname aan het economische verkeer; 2) Oogmerk om voordeel te behalen (subjectief element); 3) Voordeel moet redelijkerwijs te verwachten zijn (objectief element).
  • Wat is de inhoud van het fiscale legaliteitsbeginsel? Noem het artikel.
    Belastingen mogen slechts uit kracht van een wet worden geheven (art. 104 GW).
  • Waarom kan worden gesteld dat de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen het karakter van een draagkrachtbelasting mist?
    Er wordt geheven over een forfaitair rendement.
  • Noem de twee belangrijkste functies van belastingheffing.
    Budgettair en instrumenteel.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Example questions in this summary

Wat wordt in de parlementaire geschiedenis genoemd als grondslag voor de Inkomstenbelasting? Geef een definitie van deze grondslag (p. 1).
1
Welke twee boxen kennen een vast tarief? Hoe hoog zijn deze tarieven respectievelijk?
1
Wat wordt verstaan onder het begrip fiscale arbitrage? Waarmee is dit nauw verwant?
1
Het box 1-tarief over het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt in de eerste schijf tot € 18 628 1,85%. Fred hoort dit en maakt navenant dat bedrag over. Heeft hij nu alle heffingen betaald? Zo niet, wat niet?
1
Page 1 of 37