Class notes - Oefentoets Constitutioneelrecht

by
248 Flashcards & Notes
1 Students

Study smarter with eFaqt summaries

  • Available on desktop, tablet, mobile & print
  • Questions with answers about the material
  • Access to 300 000 online summaries
  • Smart study features & timers for more results

Get this summary

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Samenvatting - Class notes - Oefentoets Constitutioneelrecht

  • 1428703200 Oefentoets Constitutioneelrecht

  • In 1840 en 1848 vonden twee belangrijke grondwetsherzieningen plaats. Welke verantwoordelijkheid werd door de grondwetsherziening in 1840 in de Grondwet opgenomen? 
    De strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid (6 punten) Slechts ministeriële verantwoordelijkheid levert geen punten op. De strafrechtelijke is er immers in 1840 en de politieke wordt pas in 1848 ingevoerd. Ook het antwoord: invoering van contraseign levert geen punten op. Dit contraseign is immers het gevolg (de verschijningsvorm, dus de wijze waarop duidelijk werd dat er sprake was van een strafrechtelijke ministeriele verantwoordelijkheid) van de invoering van de strafrechtelijke ministeriele verantwoordelijkheid.  
  • Welke bevoegdheid kreeg de regering bij de grondwetsherziening van 1848? Noem ook nauwkeurig het artikel waarin deze bevoegdheid wordt beschreven.
    De bevoegdheid de Kamers te ontbinden (4 punten), Gw 64 lid 1(2 punten) Indien het lid ontbreekt, worden geen punten toegekend. Er staat immers aan de bovenzijde van het tentamen dat het lid ook vermeld dient te worden. Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 18
  • Een staatssecretaris staat in een bepaalde hiërarchie tot zijn minister.  Geef aan welk artikel deze hiërarchie regelt
    Grondwet 46 lid 2 =  Indien het lid ontbreekt, worden geen punten toegekend. Er staat immers aan de bovenzijde van het tentamen dat het lid ook vermeld dient te worden.
  • Noteer uit dit artikel nauwkeurig twee citaten welke de hiërarchie aangeven (46 lid 2 Grondwet)
    Citaat 1: in de gevallen waarin de minister het nodig acht = 4 punten Citaat 2: met inachtneming van diens aanwijzingen = 4 punten Het antwoord is te vinden in het antwoord op vraag 5 van bladzijde 27 van de syllabus.
  • Wie bekrachtigt wetsvoorstellen? Motiveer uw antwoord met vermelding van het wetsartikel. 
    In artikel 87 GW staat dat de Koning dit doet. Hiermee wordt echter de zogenoemde constitutionele Koning, zijnde de regering bedoeld. Het juiste antwoord is derhalve: de regering. (10 punten) Dit dient dan wel uitgelegd te worden. Slechts “de regering” zonder uitleg levert geen punten op. Het antwoord “de Koning” is fout. Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 57.
  • Stelt u zich de volgende situatie voor: De Koning bevindt zich in Den Haag. De Prinses van Oranje (21 jaar), de troonopvolgster, bevindt zich in Zuid-Afrika daar zij een herdenkingstoespraak gaat houden over het afschaffen van de slavernij. De Koning overlijdt onverwacht en de Prinses van Oranje ontvangt dit droeve bericht in Zuid-Afrika. a. Welke twee grondwetsartikelen regelen dat de Prinses van Oranje in aanmerking komt voor de troon?
    Artikel 25 en artikel 24 Grondwet. (2 punten per juist artikel) In de vraag wordt melding gemaakt van het noemen van twee artikelen. Indien de student meer dan twee artikelen noemt, kijken we slechts de eerste twee artikelen na.
  •  Op welk moment wordt de Prinses van Oranje de Koning van de Nederlanden? 
    Op het moment van overlijden. Bij het uitblazen van de laatste adem is de opvolger Koning.
  • Is de beëdiging en inhuldiging van de Prinses van Oranje nodig om Koning te kunnen worden? Kies uit ja of nee. Noem het relevante grondwetsartikel en noteer het relevante stukje tekst. Leg dit relevante stukje tekst uit.
    Nee (en slechts deze constatering levert geen punten op. Het gaat om de motivering). Grondwet 32 (2 punten) eerste zin: “Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen….(wordt hij zodra mogelijk beedigd en ingehuldigd).” Op het moment dat de troonopvolger het koninklijk gezag heeft aangevangen (na de laatste adem van de vorige), is hij Koning. Nadat hij eenmaal Koning is, zal pas de beëdiging/inhuldiging plaatsvinden..Deze twee stappen: bij aanvang koninklijk gezag is hij Koning en daarna inhuldiging levert twee punten op. Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 52.
  • Welke bestuursorganen zijn bij een waterschap te onderscheiden? Motiveer uw antwoord met vermelding van het relevante wetsartikel.
    Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. Dit is te vinden in artikel 10 Waterschapswet. Per juist bestuursorgaan 3 punten. Het juiste artikel = 3 punten. Totaal 12 punten Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 235
  • Geef twee voorbeelden van een situatie waarbij de minister-president in de Tweede Kamer is verschenen om de afgeleide politieke ministeriële verantwoordelijkheid af te leggen. Motiveer uw antwoord. 
    Diverse voorbeelden zijn hier te geven. De voorbeelden dienen te gaan over leden van het koninklijk huis of leden van de koninklijke familie die bezig zijn met het uitoefenen van de oninklijke taak (het zijn van staatshoofd dus het representeren) of die door hun gedrag het koninklijk gezag raken. Het moet dus gaan over Maxima, Willem Alexander (en voor Willem Alexander geldt dan dat dit moet gaan over gebeurtenissen die voor ondertekening van de abdicatie-akte op 30 april 2013 hebben plaatsgevonden omdat vanaf dat moment voor hem de (niet-afgeleide) verantwoordelijkheid van art. 42 lid 1 GW geldt), Margriet, Pieter, Mabel enz. enz. Per juist voorbeeld 5 punten. Maximaal dus 10 punten. Niet goed is een antwoord dat slaat op de Koning (dus voor Beatrix voor 30 april 2013 of voor Willem-Alexander op of na 30 april 2013) daar er voor de Koning geen afgeleide maar een volledige ministeriële verantwoordelijkheid geldt. Ook niet goed zijn voorbeelden die gaan over de toestemmingswetten van artikel 28 GW daar de minister-president daar niet bezig is met het dragen van de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid. De minister-president is in een dergelijke situatie immers bezig met het verdedigen van een wetsvoorstel. Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 60. Tevens bevat de reader een artikel over Willem Alexander en zijn vakantiehuis in Mozambique. Er is tijdens de colleges aandacht besteed aan deze kwestie en vraag 8 behorend bij het voornoemde artikel vraagt (ook) naar andere voorbeelden
  • Karel is coffeeshophouder in het centrum van Nijmegen. De politie heeft hem enkele weken geleden aan de kleding onderzocht met gebruikmaking van artikel 9 lid 2 Opiumwet. Karel is van mening dat de politie hierdoor artikel 11 van de Grondwet heeft overtreden. Hij wendt zich tot de rechter met o.a. het verweer dat hij niet aan de kleding onderzocht had mogen worden. Wat zal de rechter hierover oordelen? 
    De rechter zal verwijzen naar artikel 120 Gw. Hij treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. Oftewel: 120, toetsingsverbod (en indien het antwoord zo kort en bondig geformuleerd is, is dat al voldoende voor het behalen van de volle) 8 punten. Het antwoord is onder andere te vinden in Bovend’Eert bladzijde 35
  • In het boek Inleiding Constitutioneel Recht schrijft Bovend’Eert dat in de moderne westerse staten twee staatsvormen voorkomen. Noem deze staatsvormen (4 punten) en geef van beide twee kenmerken
    vorm 1: de federale staat (ook wel bondsstaat genoemd) (2 punten) Kenmerken: * samengesteld uit deelstaten * federale constitutie regelt de organisatie en bevoegdheden van het centrale overheidsverband * federale constitutie voorziet in een verdeling van bevoegdheden tussen het centrale en het deelstatelijke niveau * deelstaten hebben een eigen constitutie * in de constitutie van de deelstaten is de inrichting van hun overheidsorganisatie vastgelegd DE STUDENT MAG UIT DE HIERBOVEN GENOEMDE KENMERKEN EEN KEUZE MAKEN per goed kenmerk (waarbij enige soepelheid betracht dient te worden indien het niet geheel juist is geformuleerd)→2 punten (dus totaal voor de kenmerken 4 punten). vorm 2: de gedecentraliseerde eenheidsstaat. (2 punten) Kenmerken: * territoriale eenheden met eigen bevoegdheden * deze eigen bevoegdheden zijn niet exclusief, de centrale overheid kan de decentrale bevoegdheden beperken en zich deze toeëigenen. * centrale overheid houdt toezicht op de uitoefening van bevoegdheden door de ambten van de “lagere” overheden DE STUDENT MAG UIT DE HIERBOVEN GENOEMDE KENMERKEN EEN KEUZE MAKEN per goed kenmerk (waarbij enige soepelheid betracht dient te worden indien het niet geheel juist is geformuleerd)→2 punten (dus totaal voor de kenmerken 4 punten). Indien een student geen staatsvorm, maar een regeringsvorm noemt, worden hier geen punten aan toegekend. De vraag spreekt immers over “staatsvorm”. Het onderscheid tussen staats- en regeringsvorm wordt in het boek van Bovend’Eert op bladzijde 12 en 13 behandeld. Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 25
  • Minister Janssen is van mening dat hij een bijzonder belangrijke vergadering van zijn atletiekvereniging niet kan missen. Om deze vergadering bij te kunnen wonen laat hij de Tweede Kamer, die hem heeft uitgenodigd teneinde enkele vragen van Tweede Kamerleden te beantwoorden, weten dat hij helaas verhinderd is gevolg te geven aan deze uitnodiging. De Tweede Kamer neemt hier geen genoegen mee. Welke twee grondwetsartikelen kan de Tweede Kamer inroepen om de minister toch te laten verschijnen? Motiveer uw antwoord.
    artikel 68 GW en artikel 42 lid 2 GW. De combinatie van deze twee artikelen met een juiste motivering levert 12 punten op. De student dient er blijk van te geven te weten dat GW 68 de inlichtingenplicht inhoudt en dat de minister tevens door de ministeriële verantwoordelijkheid van GW 42 lid 2 gehouden is de kamer in te lichten.
  • Welke gerechten behoren tot de rechterlijke macht? Motiveer uw antwoord.
    Wet op de Rechterlijke Organisatie (Wet RO) artikel 2 (1 punt): de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad. (1 punt per juist genoemd gerecht) Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 160
  • Behoort volgens de Grondwet rechtspraak waarbij een jury beslist (juryrechtspraak) bij de gerechten die behoren tot de rechterlijke macht tot de mogelijkheden? Motiveer uw antwoord.
    Nee, zie artikel 116 lid 3 GW (4 punten indien het juiste artikel met het juiste lid wordt genoemd én de conclusie “nee” wordt gegeven): “de wet kan bepalen dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.“ Door het woord ‘mede’ is juryrechtspraak uitgesloten. Bij juryrechtspraak wordt immers recht gesproken door een jury zonder rechter (2 punten) Het woord “mede” geeft aan dat er op zijn minst een tot de rechterlijke macht behorende rechter tot de rechtsprekers dient te horen (2 punten) Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 163
  • Stel dat Koningin Beatrix door een ernstige en zeer onduidelijke ziekte wordt getroffen. Ze kan alleen nog maar wartaal uitslaan en het is onduidelijk of haar hersenen voldoende functioneren. De Koningin is niet in staat haar taken uit te voeren. Geef gemotiveerd en nauwgezet aan op welke wijze er nu gehandeld dient te worden teneinde te bereiken dat de staatsrechtelijke taken van de Koning op een juiste wijze worden uitgevoerd en wat de uitkomst van deze handelingen zal zijn. 
    De Koning is zelf niet in staat de inschatting te maken of de taken al dan niet op een juiste wijze uit te voeren zijn. Ze is dus kennelijk niet in staat het koninklijk gezag uit te oefenen. * GW 35 lid 1: de ministerraad bericht, onder overlegging van een advies van de Raad van State, aan de Staten-Generaal die in een gezamenlijke vergadering bij elkaar komen. (3 punten voor juist artikel met lid inclusief vermelding van de inhoud) * GW 35 lid 2: indien de Staten-Generaal de mening van de ministerraad delen, verklaren zij dat de Koning niet in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. (3 punten voor juist artikel met lid inclusief vermelding van de inhoud) * GW 37 lid 1 aanhef en sub c: Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent indien de Koning buiten staat is verklaar het koninklijk gezag uit te oefenen. (3 punten voor juist artikel met lid inclusief vermelding van de inhoud) * GW 37 lid 3: In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c (….) is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. (3 punten voor juist artikel met lid inclusief vermelding van de inhoud) * Willem Alexander is de vermoedelijke opvolger. Hij is ouder dan 18. Hij wordt dus regent. (2 punten) Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 54
  • De heer Jansen, boomkweker in de gemeente Horst aan de Maas, heeft behoorlijk last van kraaien die de vruchten uit zijn bomen plukken. Hij besluit naar Duitsland te gaan om een zeer agressief bestrijdingsmiddel te kopen. Dit bestrijdingsmiddels is in Nederland niet te koop. Er is een ministeriële regeling die de verkoop van dit middel verbiedt. Jansen vindt het ritje naar Duitsland bezwaarlijk worden. Ieder jaar moet hij twee of drie keer rijden om het bestrijdingsmiddel te gaan kopen. Hij vraag zich af of hij het bestrijdingsmiddel niet gewoon in Nederland kan kopen. Hij wendt zich tot een juridisch adviseur met de vraag waar de minister eigenlijk de bevoegdheid vandaan haalt een ministeriële regeling te mogen maken. A. Welk Grondwetsartikel kent de bevoegdheid toe om ministeriële regelingen vast te stellen?
     Grondwet 89 lid 4. 4 punten voor juist artikel met juist lid. Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 48 en 139-140
  • Na enkele jaren blijkt dat de minister die deze ministeriële regeling heeft gemaakt grote financiële belangen op het gebied van bestrijdingsmiddelen had; hij is namelijk zelf ook eigenaar van een fabriek die de bestrijdingsmiddelen produceert. De minister heeft alle bestrijdingsmiddelen die niet in zijn eigen fabriek werden vervaardigd, verboden. Hierdoor was iedereen die deze bestrijdingsmiddelen in Nederland wilden kopen wel gedwongen om de door hem toegestane bestrijdingsmiddelen te kopen en hij maakte per flesje een grove winst. Het tv-programma Tros Radar onthult deze handelwijze. De volgende dag is dit de opening van bijna alle kranten. De inmiddels ex-minister zou misbruik hebben gemaakt van zijn ambt. B. Welke rechter geeft hierover een oordeel? Motiveer uw antwoord. 
    GW 119: De Hoge Raad. 4 punten voor artikel + constatering Hoge Raad. Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 72.
  • Wie geeft de opdracht tot vervolging van deze ex-minister? Motiveer uw antwoord.
    GW 119: bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer. Dan moet hier uitgelegd worden wie dat koninklijk besluit maakt. De vraag is immers wie. Dus moet hier uitgelegd worden dat een koninklijk besluit een besluit van de regering is. Dus: wie mag dit? De regering (immers: bij koninklijk besluit) of (een meerderheid van) de Tweede Kamer (immers: besluit van de Tweede Kamer en dat wordt alleen genomen als er een meerderheid is). Indien het antwoord beide elementen bevat (regering EN (meerderheid van) de Tweede Kamer) worden zes punten toegekend. Indien het antwoord luidt: bij koninklijk besluit en bij een besluit van de Tweede Kamer worden geen punten toegekend. De vraag is immers wie en niet op welke wijze. Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 72.
  • Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Dat houdt onder andere in dat de provincie respectievelijk de gemeente eigen, zelfstandige bestuursbevoegdheden hebben. Mede ter uitvoering van deze bestuursbevoegdheden hebben zowel de provincie als de gemeente een dagelijks bestuur. A. Hoe heet het dagelijks bestuur van de provincie? Noem het relevante wetsartikel
    het college van) Gedeputeerde Staten, provinciewet 158 lid 1 sub a = 4 punten voor juist antwoord met juist artikel, lid en sub
  • Hoe heet het dagelijks bestuur van de gemeente? Noem het relevante wetsartikel (4 punten) 
    het college van) Burgemeester en Wethouders, gemeentewet 160 lid 1 sub a = 4 punten voor juist antwoord met juist artikel, lid en sub. Bij antwoord A en B geldt dat een antwoord dat verwijst naar artikel 125 GW niet specifiek genoeg is. Daar staat immers dat zij deel uitmaken van het bestuur maar daar wordt geen melding gemaakt van het feit dat zij dagelijks bestuur zijn. 
  • Stel dat een wethouder door de gemeenteraad wordt ontslagen. De wethouder is het niet eens met dit ontslag en wil het ontslag aanvechten bij de daartoe bevoegde rechter. De wethouder is namelijk van mening dat zijn ontslag niet is gebaseerd op feiten, maar slechts is gebaseerd op de mening van een aantal gemeenteraadsleden dat de wethouder bij het verrichten van zijn werkzaamheden altijd uiterst slordig (een spijkerbroek met een t-shirt) gekleed is. C. Geef nauwgezet aan hoe groot de kans is dat de wethouder het ontslag succesvol bij de rechter kan aanvechten? Noem het relevante wetsartikel
    kansloos (3 punten) zie Gemeentewet artikel 50 (3 punten) Het antwoord moet daadwerkelijk vermelden dat er geen enkele kans is. Als een student aangeeft dat de kans “klein”, “minimaal” of andere woorden van gelijke strekking is, is het antwoord fout. Er kunnen nog wel punten worden toegekend voor het correct noemen van het artikel. Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 224 
  • Tom Wolters is lid van de PvdA en vertegenwoordigt deze partij in de Tweede Kamer. Hij kan zich steeds slechter vinden in de wijze waarop zijn fractievoorzitter de onderhandelingen over een nieuw kabinet met de VVD voert. Hij ergert zich hier zo ernstig aan dat hij besluit zijn partijlidmaatschap op te zeggen. Het bestuur van de PvdA neemt hier kennis van en stuurt Tom een brief waarin ze hem herinneren aan een document dat hij bij zijn aantreden als lid van de Tweede Kamer heeft ondertekend. In dit document staat de afspraak dat Tom zijn zetel van de Tweede Kamer op zal geven op het moment dat hij zijn partijlidmaatschap opzegt. Tom is ten einde raad. Het opgeven van zijn zetel scheelt hem namelijk gigantisch in inkomsten. Hij wil, ondanks eerder gemaakte afspraken, gewoon lid blijven van de Tweede Kamer. Hij wendt zich tot u met de vraag om advies. Hij stelt u twee vragen, namelijk: A. Wat is de juridische kwalificatie (welk rechtsgebied is van toepassing en hoe wordt een dergelijke afspraak genoemd) van de afspraak die ik (Tom dus) met het partijbestuur heb gemaakt? 
    Een (privaatrechtelijke) overeenkomst = 4 punten. Zowel de constatering privaatrechtelijk als de constatering overeenkomst zijn noodzakelijk voor het verkrijgen van enig punt bij deze vraag. Slechts een van de woorden levert geen punten op.
  • Moet ik (Tom dus) mij aan de bij A. genoemde afspraak houden en op basis van welk Grondwetsartikel komt u tot deze conclusie?
    Nee, hij hoeft zich er niet aan te houden. Grondwet 67 lid 3 luidt: De leden stemmen zonder last. = 4 punten. Tom kan dus blijven tot de Tweede Kamer ontbonden zal worden. Indien het juiste artikel met het juiste lid niet wordt genoemd, worden geen punten toegekend. Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 105
  • Kunnen wetsvoorstellen voor de algemene begroting, die door de minister van Financiën op de derde dinsdag in september vol trots aan de Tweede Kamer worden gepresenteerd, tot stand komen door een initiatiefwetsvoorstel dat gesteund wordt door een meerderheid van de Tweede Kamer? Motiveer uw antwoord.
    In GW 105 lid 2staat dat het voorstel wordt ingediend “door of vanwege de Koning”. Dat betekent dat het een regeringsvoorstel is. (6 punten voor juist artikel met juist lid en juiste uitleg) De mogelijkheid om een begrotingswet door een meerderheid van de Tweede Kamer te laten indienen, wordt hier dus niet gegeven. Het kan dus niet.(3 punten) Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 132
  • De heer Jacobs heeft de Belgische nationaliteit. Hij is schepen (wethouder) van de gemeente Antwerpen. Tevens is hij minister in de nationale regering van België. Meneer Jacobs heeft een uitnodiging van een Nijmeegse wethouder ontvangen om aanwezig te zijn tijdens de Zomerfeesten. Hij geeft hier gehoor aan en ontmoet zijn Nederlandse collegawethouder, de heer Koen Wools. Koen geeft aan dat het in Nederland niet toegestaan is om wethouder en tevens minister te zijn. Vol verbazing en ongeloof hoort de heer Jacobs het verhaal van Koen aan. Het is toch zo dat juist de ervaring in het plaatselijk bestuur ten goede komt aan de uitvoering van de ministeriële taken? Thuisgekomen wil de heer Jacobs weten op welk Nederlands wetsartikel Koens mening is gebaseerd. Hij geeft een ambtenaar opdracht uit te zoeken of het inderdaad zo is dat deze combinatie van functies niet is toegestaan. A. Met welk artikel zal deze ambtenaar, na lang zoeken, op de proppen moeten komen?
    Gemeentewet artikel 36b lid 1 sub a: Een wethouder is niet tevens minister. (6 punten) Het kan voorkomen dat een student verwijst naar artikel 129 lid 5 GW. Dit is echter niet juist, daar dit melding maakt van onverenigbaarheid voor leden van de gemeenteraad en wethouders (en daar gaat de vraag over) zijn geen lid van de gemeenteraad. Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 224
  • De onmogelijkheid van de combinatie van functies is ingegeven door de gedachte dat niemand gelijktijdig lid kan zijn van een vertegenwoordigend en een uitvoerend orgaan. Toch is dit op het niveau van de Staat wel mogelijk. De mogelijkheid gelijktijdig lid te zijn van zowel een van de twee Kamers als de regering wordt door de wet toegestaan. B. Geef nauwkeurig aan op welk moment het voor een persoon mogelijk is zowel lid te zijn van de Tweede Kamer als de regering. Noem het relevante wetsartikel
    GW 57 lid 3 (3 punten voor juist artikel met juist lid): Op het moment dat een minister of staatssecretaris zijn ambt ter beschikking heeft gesteld en er omtrent die beschikbaarstelling nog niet is beslist. Oftewel: een demissionaire minister of staatssecretaris. (3 punten voor deze opsomming uit de wet of voor het woord demissionair). Fout is het antwoord: de minister of staatssecretaris die zijn ambt ter beschikking heeft gesteld. De toevoeging “en er omtrent die beschikbaarstelling is beslist” is noodzakelijk voor het toekennen van punten. Het antwoord is te vinden in Bovend’Eert bladzijde 105
Lees volledige samenvatting
Maak nu je eigen eFaqt account aan voor toegang tot deze en duizenden andere hoge kwaliteit samenvattingen.

Example questions in this summary

In 1840 en 1848 vonden twee belangrijke grondwetsherzieningen plaats. Welke verantwoordelijkheid werd door de grondwetsherziening in 1840 in de Grondwet opgenomen? 
1
Welke bevoegdheid kreeg de regering bij de grondwetsherziening van 1848? Noem ook nauwkeurig het artikel waarin deze bevoegdheid wordt beschreven.
1
Een staatssecretaris staat in een bepaalde hiërarchie tot zijn minister.  Geef aan welk artikel deze hiërarchie regelt
1
Noteer uit dit artikel nauwkeurig twee citaten welke de hiërarchie aangeven (46 lid 2 Grondwet)
1
Page 1 of 59